De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/3.7:3.7 Conclusie
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/3.7
3.7 Conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS390987:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Arbeidsuitbuiting is in het Wetboek van Strafrecht niet als zelfstandig misdrijf gecriminaliseerd. Het wordt tegengegaan met de strafbaarstelling van mensenhandel in artikel 273f Sr. Dat de huidige mensenhandelbepaling tevens betrekking heeft op arbeidsuitbuiting is zo gegroeid in de loop der jaren. De wetsgeschiedenis laat zien dat de handel en de uitbuiting oorspronkelijk als los van elkaar staande fenomenen werden gezien. Bovendien werd aanvankelijk onderscheid gemaakt tussen een verbod op de traditionele slavenhandel gericht op arbeidsuitbuiting en de strafbaarstelling van seksuele mensenhandel (destijds vrouwenhandel). Met de invoering van de strafbepaling van seksuele mensenhandel in 2000 vervaagt het onderscheid tussen handel en uitbuiting. In één artikel is zowel de handel in mensen als de ongeoorloofde exploitatie van mensen in de seksindustrie gecriminaliseerd. En vervolgens is in 2005, naar aanleiding van het VN Protocol mensenhandel, de strafbaarstelling van mensenhandel verder uitgebreid naar niet-seksuele uitbuiting en gedwongen orgaandonatie. De mensenhandel is daardoor geëvolueerd tot een breed begrip waaronder zowel de handel in de voorfase, als de exploitatie in de vervolgfase – binnen én buiten de seksindustrie – valt. Uitbuiting is dus niet hetzelfde als mensenhandel, maar vormen van uitbuiting kunnen wel onder de huidige strafbaarstelling van mensenhandel worden geschaard.
Artikel 273f Sr formuleert negen verschillende vormen van mensenhandel. In dit onderzoek zijn deze vormen in vijf dadergroepen onderverdeeld, te weten: de ‘handelaar’, de ‘exploitant’, de ‘handelaar in seksuele dienstverleners over de grens’, de ‘kinderhandelaar en kinderuitbater’ en de ‘profiteur’. Zoals geconstateerd in § 3.3 behelst artikel 273f Sr opvallend genoeg geen expliciet verbod op de uitbuiter. Wel dient bij de ‘handelaar’ sprake te zijn van het oogmerk van uitbuiting. En de ‘profiteur’ (in sub 6) dient opzettelijk voordeel te trekken van de uitbuiting van een ander. De term uitbuiting is als zodanig dus terug te vinden in de wettekst. Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat uitbuiting – ook al staat het niet letterlijk in de wet – een impliciet bestanddeel is van de strafbaarstelling tegen de ‘exploitant’ en de ‘handelaar in seksuele dienstverleners over de grens’.
Lid 2 van artikel 273f Sr vermeldt voorts dat uitbuiting ten minste betreft de uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten met inbegrip van bedelarij, slavernij en met slavernij te vergelijken praktijken, dienstbaarheid en uitbuiting van strafbare activiteiten. Ook al geeft de wetgever hiermee slechts een omschrijving, en geen precieze definitie, deze wettekst maakt wel duidelijk dat uitbuiting enerzijds bestaat uit harmful exploitation en anderzijds uit mutually advantageous exploitation. Slavernij, dienstbaarheid en gedwongen arbeid betreffen ‘schadelijke uitbuiting’. Bij deze vormen van uitbuiting wordt de vrijheid van de uitgebuite persoon ingeperkt. Slavernij behelst daarbij de grootste schending van de vrijheid van het slachtoffer, gevolgd door dienstbaarheid en dwangarbeid. De ‘wederzijds voordelige uitbuiting’ heeft betrekking op de overige vormen van uitbuiting. In de wetsgeschiedenis en jurisprudentie is deze vorm van uitbuiting wat nader geëxpliciteerd. Het gaat bij de overige uitbuiting om een situatie waarbij op een oneerlijke manier profijt wordt getrokken van een ander door op een excessieve manier misbruik te maken van die ander waarbij die ander redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. Bij deze variant speelt de mate van het oneerlijke profijt een uitdrukkelijke rol, terwijl bij de vrijheidsbeperkende uitbuitingsvormen van minder belang is of de uitbuiter ook oneerlijk economisch gewin heeft. De Hoge Raad geeft daarbij aan dat voor de beoordeling van uitbuiting in ieder geval betekenis toekomt aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengen en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. De Nederlandse maatstaven dienen in dit kader als uitgangspunt te worden genomen.
De wetgever heeft een allesomvattende bepaling gecreëerd: de handelaar, de exploitant, de faciliteerder, de indirecte profiteur en bij ruime interpretatie zelfs de klant die diensten afneemt van een slachtoffer, zijn strafbaar op grond van artikel 273f Sr. De strafbaarstelling van de ‘handelaar’ is overgenomen van het VN Protocol mensenhandel en de EU Richtlijn mensenhandel. De strafbaarstellingen tegen de ‘exploitant’, de ‘kinderuitbater’ en de ‘profiteur’ zijn gebaseerd op de oude Nederlandse strafbepaling inzake seksuele uitbuiting en zijn naar aanleiding van het VN Protocol mensenhandel uitgebreid tot arbeidsuitbuiting en orgaanhandel. En tot slot vindt het verbod tegen de ‘handelaar in seksuele dienstverleners over de grens’ zijn herkomst in het Vrouwenhandelverdrag van 1933. De gecompliceerdheid van de uitgebreide strafbaarstelling (artikel 273f Sr is de langste bepaling in het wetboek van Strafrecht) en de potentieel brede reikwijdte van de bepaling zijn evenwel onwenselijk. Het verdient de voorkeur te komen tot een kernachtiger en eenvoudiger delictsomschrijving waarbij tevens gebruik wordt gemaakt van de algemene strafrechtleerstukken, zoals deelneming en poging en gelieerde delicten. Bovendien kunnen aanverwante delicten tegen arbeidsuitbuiting beter worden benut. Als laatste kan in plaats van een ruime strafbaarstelling, een enge strafbepaling in combinatie met bestuursrechtelijke mogelijkheden tegen slecht werkgeverschap en onacceptabele arbeidsomstandigheden worden ingezet. In de hoofdstukken 6, 7 en 8 komt dit nader aan de orde.