Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/8.2.1
8.2.1 Inleiding
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS595337:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Tijdens de parlementaire behandeling van de algemene uitkopregeling van art. 2:92a/201a BW zijn(tevergeefs) nog andere afwijzingsgronden voorgesteld (§ 3.2.2 sub a).
Kamerstukken II 1985-1986, 18 904, nr. 3, p. 8 en nr. 6, p. 1.
Handboek (1992), nr. 199; Van Vliet (1999), p. 64; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/684. De beslissing van de rechter moet ingevolge art. 24 Rv zijn grondslag vinden in stellingen van partijen, zie Snijders/Klaassen/Meijer (2011), nrs. 45 en 47; Asser Procesrecht/Van Schaick 2011/92-93. Uit de door de OK gebezigde standaardoverweging lijkt te volgen dat zij wel ambtshalve onderzoekt of één van de afwijzingsgronden zich voordoet: ‘aan de door gedaagden gehouden aandelen zijn geen bijzondere rechten inzake de zeggenschap in de vennootschap verbonden. Gesteld noch gebleken is dat een gedaagde ondanks de vergoeding ernstige stoffelijke schade zou lijden door de overdracht of dat eiseres jegens een gedaagde afstand heeft gedaan van haar bevoegdheid de onderhavige vordering in te stellen’. Ik betwijfel echter of de OK daadwerkelijk ambtshalve toetst. Bovendien is het moeilijk voorstelbaar dat de OK zonder toelichting van de gedaagden tot de conclusie komt dat de uitkoper afstand heeft gedaan van zijn bevoegdheid tot uitkoop of dat de gedaagde ondanks de vergoeding ernstige stoffelijke schade lijdt, evenzo Buijn/ Storm (2013), p. 1130. Voor de vraag of aan de aandelen bijzondere zeggenschapsrechten zijn verbonden, ligt dit anders (§ 8.2.3).
Bijvoorbeeld OK 14 april 1994, NJ 1995/375 (Radix).
Kamerstukken II 1985-1986, 18 904, nr. 3, p. 8.
Houwen (1988), p. 25, noot 46; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/684.
O.m. Kamerstukken II 1984-1985, 18 904, nr. C, p. 5. Onder meer bevestigd door de Hoge Raad in HR 16 januari 2004, NJ 2004/184; JOR 2004/35 (Fres-Co System).
HR 16 januari 2004 (ro. 3.4), JOR 2004/35 (Fres-Co System).
O.m. OK 12 juli 1990, rolnr. 690/89 (Blankhout Nederland Franchising); OK 30 december 1993, NJ 1995/88 (Westland Utrecht Hypotheekbank); OK 14 april 1994, NJ 1995/375 (Radix); OK 17 november 1994, NJ 1995/473 (Slachthuis Eindhoven); OK 2 november 1995, TVVS 1996, p. 172 (Bene-Fin); OK 22 augustus 1996, JOR 1996/112 (Molenschot); OK 2 mei 2002, JOR 2002/156 (Fres-Co System). Hierover ook Van Vliet (1999), p. 59-67.
OK 14 april 1994, NJ 1995/375 (Radix), hierover § 8.2.3.
OK 2 mei 2002, JOR 2002/156 (Fres-Co System).
Art. 10 Uitkoop-KB.
Van der Elst (2008), p. 368.
Hierover uitgebreid Moritz (2004), p. 198 e.v.; Stohlmeier (2007), p. 143-144; Krebs (2008), p. 966967.
Stohlmeier (2007), p. 143-144, noemt de nietigheid van een besluit redelijk onwaarschijnlijk omdatde genoemde gronden vrij specifiek en zeldzaam zijn. Een grond genoemd in § 241 AktG is dat er in het geheel geen algemene vergadering bijeen is geroepen.
Zolang een Anfechtungsklage aanhangig is, kan de uitkoper het besluit tot uitkoop niet ten uitvoer leggen. Omdat dergelijke procedure over het algemeen lang duren, heeft de uitkoper de mogelijkheid om de rechter te verzoeken de uitkoop toch doorgang te laten vinden. Een dergelijke Freigabeverfahren is onder meer mogelijk indien het verweer van de gedaagde ‘unzulässig oder offensichtlich unbegründet ist’, zie § 327e(2) AktG, § 319(6) AktG. Hierover ook Moritz (2004), p. 198-204; Krebs (2008), p. 966-967.
S. 986(1)(a) CA 2006. Hierover Chivers/Shaw (2008), nr. 2.67-2.86. Een ‘gedaagde’ moet een verzoek hiertoe indien binnen zes weken na de notice van de uitkoper, s. 986(2) CA 2006. Een ‘gedaagde’ kan ook tegen de uitkoop opkomen door middel van de unfair prejudice proceedings in s. 994 CA 2006. Om verschillende redenen ligt een dergelijke procedure echter niet voor de hand, hierover Chivers/Shaw (2008), nr. 2.88.
De rechter hecht veel waarde aan het feit dat meer dan 90% van de aandeelhouders het voorafgaand bod hebben aanvaard en is daarom terughoudend in de beoordeling van het bod en de daaropvolgende uitkoopprocedure, zie hierover Re Hoare & Company Ltd (1933) 150 LT 374; Re Sussex Brick Co Ltd [1961] 1 Ch 289 at 293. Evenzo Chivers/Shaw (2008), nr. 2.70 en 2.71.
O.m. Re Bugle Press Ltd; Re Houses and Estates Ltd [1961] 1 Ch 270; Re Chez Nico (Restaurants) Ltd [1992] BCLC 192; Fiske Nominees Ltd v Dwyka Diamond Ltd [2002] BCLC 123.
Voor de algemene uitkoopregeling ex art. 2:92a/201a BW noemt het vierde lid drie gronden om een vordering tot uitkoop af te wijzen. De bijzondere uitkoopregeling van art. 2:359c BW kent dergelijke afwijzingsgronden niet (§ 8.3).
De OK wijst een vordering af indien een gedaagde ondanks de vergoeding ernstige stoffelijke schade zou lijden door de overdracht (§ 8.2.2), een gedaagde houder is van een aandeel waaraan de statuten een bijzonder recht inzake de zeggenschap in de vennootschap verbinden (§ 8.2.3) of een eiser jegens gedaagde afstand heeft gedaan van zijn bevoegdheid de vordering in te stellen (§ 8.2.4).1
Een gedaagde moet een beroep op één van deze afwijzingsgronden doen.2 De OK kan een vordering niet ambtshalve afwijzen.3 Indien de OK het beroep gegrond acht, wijst zij de vordering tegen alle gedaagden af.4 De rechtvaardiging van de gedwongen overdracht ontbreekt namelijk indien één aandeelhouder zijn minderheidsbelang nog houdt (§ 4.2).5 Om dezelfde reden wijst de OK een vordering tot uitkoop in haar geheel af, indien één of meer aandeelhouders niet (juist) in de procedure zijn opgeroepen (§ 7.2).
De OK moet de vordering in beginsel toewijzen, indien de genoemde afwijzingsgronden zich niet voordoen. Zij heeft geen discretionaire bevoegdheid.6 De wetgever heeft de OK in een uitkoopprocedure bewust weinig ruimte voor een belangenafweging gelaten (§ 4.2.1).7 Wel kan laatstgenoemde naar mijn mening onder omstandigheden een vordering afwijzen wegens misbruik van bevoegdheid of op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (§ 8.4).
Gelet op haar beperkte beoordelingsruimte is de OK voorts gehouden de afwijzingsgronden beperkt uit te leggen. De Hoge Raad overweegt in de uitkoopprocedure inzake Fres-Co System:
“Gelet op de aard en de strekking van deze regeling moeten deze afwijzingsgronden beperkt worden uitgelegd. In het bijzonder bieden zij de rechter in beginsel ook geen ruimte voor een belangenafweging.”8
Met name in de beginjaren van de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW is veelvuldig een beroep op de afwijzingsgronden gedaan.9 Slechts één keer heeft de OK ook daadwerkelijk een vordering tot uitkoop afgewezen.10 In de hierboven genoemde procedure inzake Fres-Co System uit 2002 is voor de laatste keer een beroep op één van de afwijzingsgronden gedaan.11
De uitkoopregelingen in de onderzochte landen kennen dergelijke ‘bijzondere’ afwijzingsgronden niet. Een minderheid kan de gedwongen overdracht alleen tegenhouden, indien de uitkoper niet aan de materiële vereisten voor uitkoop voldoet of op grond van algemene regels die vergelijkbaar zijn met onder meer de redelijkheid en billijkheid in art. 2:8 BW of de vernietiging en nietigheid van besluiten in art. 2:14 en 2:15 BW.
In de Belgische uitkoopprocedure kan de minderheidsaandeelhouder, binnen vijftien dagen na de openbaarmaking van het voornemen van de uitkoper om een uitkoopbod uit te brengen, zijn bezwaren tegen het bod kenbaar te maken.12 Het gaat veelal enkel om opmerkingen over de geboden prijs.13 Daarnaast dient de uitkoper de algemene regels omtrent openbare biedingen in acht te nemen.
In Duitsland heeft de minderheidsaandeelhouder twee mogelijkheden om op te komen tegen het besluit van de algemene vergadering tot uitkoop, namelijk de Nichtigkeitsklage en de Anfechtungsklage.14 De eerste mogelijkheid betreft de nietigheid van het besluit op grond van de in § 241 AktG genoemde gevallen.15 De tweede actie ziet op de vernietiging van het besluit op grond van § 243 AktG wegens strijd met de wet of de statuten.16 Dit is bijvoorbeeld het geval indien de uitkoper niet aan het kapitaalvereiste voldoet of de formaliteiten voor de bijeenroeping van de algemene vergadering niet in acht heeft genomen. Deze acties zijn vergelijkbaar met de bepalingen in art. 2:14 en 2:15 BW omtrent nietigheid en vernietigbaarheid van besluiten. Voorts is de bijzondere uitkoopregeling een gerechtelijke procedure, waarvoor geen specifieke afwijzingsgronden gelden.
Tot slot geldt voor de uitkoopregeling in het Verenigd Koninkrijk dat een rechter, op verzoek van een minderheidsaandeelhouder, kan beslissen dat de uitkoper niet gerechtigd is de desbetreffende aandelen uit te kopen.17 Op de minderheid die een verzoek hiertoe indient, rust een zware bewijslast.18 Voorbeelden van gronden waarop de rechter een dergelijk verzoek toewijst, zijn de situatie dat de aandeelhouders die hun aandelen onder het bod hebben aangemeld niet (voldoende) onafhankelijk zijn van de uitkoper, de informatie omtrent het voorafgaand bod onvoldoende is of de aandeelhouders geen redelijke termijn hebben gehad om het bod te overwegen.19 Deze gronden komen grotendeels overeen met de normen van de redelijkheid en billijkheid in art. 2:8 BW en misbruik van bevoegdheid in art. 3:13 BW (§ 8.4).