De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/1.3.1:1.3.1 Inleiding
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/1.3.1
1.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949663:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit onderzoek staat de autonomie van de leraar of leraren bij het geven van onderwijs en in het bijzonder bij het afnemen van examens centraal. Hoewel leraren vaak samen in teamverband werken, wordt in het vervolg gemakshalve gesproken over de leraar in enkelvoud. In het middelbaar beroeps- en hoger onderwijs wordt doorgaans gesproken over de ‘docent’ in plaats van de ‘leraar’. In dit onderzoek wordt de onderwijsgevende evenwel consequent aangeduid als de leraar. Zoals hiervoor geschetst, is duidelijk dat aan de leraar een zekere mate van autonomie toekomt. Hoever deze autonomie precies reikt, is evenwel onduidelijk. Dit komt doordat de autonomie van de leraar geen heldere juridische basis heeft. Daarnaast leidt autonomie per definitie tot een diffuse situatie. Het is immers aan de betreffende leraar hoe hij zijn autonomie invult en welke afweging hij daarbij maakt. Wel is duidelijk dat de autonomie van de leraar niet onbegrensd is. Zo moet hij zich houden aan onder meer de bestaande wet- en regelgeving.
Om te komen tot een kader voor het onderzoeken van de autonomie van de leraar, wordt hieronder eerst beschreven welke kaders in de onderwijsrechtelijke literatuur worden gehanteerd om autonomie of vrijheid in het kader van onderwijs in kaart te brengen. Vervolgens wordt nader ingegaan op de verschillende elementen die van invloed zijn op de autonomie van de leraar. Ten slotte wordt het te hanteren onderzoekskader nader toegelicht.