De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/1.3.2:1.3.2 Kaders voor onderzoek naar autonomie in het onderwijs uit de literatuur
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/1.3.2
1.3.2 Kaders voor onderzoek naar autonomie in het onderwijs uit de literatuur
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949554:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf wordt aan de hand van de literatuur bekeken hoe autonomie in het onderwijs onderzocht kan worden. Het onderzoek van Hooge naar onder meer autonomievergroting bij basisscholen biedt hiertoe een eerste handvat.1 Hooge ziet onder andere dat wet- en regelgeving en toezicht van de overheid van invloed zijn op de autonomie van de basisschool. Zij constateert dat als de overheid de autonomie van de school vergroot, de overheid vervolgens ook op een andere manier gaat sturen op de school, bijvoorbeeld door aan te sturen op samenwerking tussen scholen of door te sturen op externe verantwoording.2 Wanneer de autonomie om te handelen wordt vergroot, neemt de verantwoording achteraf toe. Er is daarom niet zozeer sprake van autonomievergroting, maar van autonomieverschuiving. Hooge concludeert daarnaast dat niet alleen centrale wet- en regelgeving van invloed zijn op de autonomie van een school, maar dat ook lokale overheden en organisaties uit het bestuurlijk middenveld hier invloed op kunnen uitoefenen. Ook kunnen verschuivingen in de beleidsruimte van de school invloed hebben op de verhoudingen binnen de school, bijvoorbeeld doordat de positie van de leraar en de ouders verandert. Om vast te stellen hoe groot de autonomie van bijvoorbeeld de leraar is, moet dan ook niet enkel worden gekeken naar wet- en regelgeving en de overheid, maar moet hierbij ook de directe omgeving van de leraar worden betrokken.
Laemers schrijft in haar onderzoek naar vrije schoolkeuze dat wetgeving, beleid, bestuur en rechtspraak de bouwstenen leveren voor de constructie van schoolkeuzevrijheid.3 Hierbij spelen ook het bevoegd gezag en de ouders een belangrijke rol. Laemers onderzoekt daarom hoe de verschillende betrokken partijen zich tot elkaar verhouden, hoe de overheid opereert en wat de achtergronden hiervan zijn. Tevens worden de regelgeving, de ontwikkeling van de regelgeving en de jurisprudentie in het onderzoek betrokken. Een dergelijke methode kan ook geschikt zijn om de autonomie van de leraar in kaart te brengen.
In zijn onderzoek naar de autonomie van de bestuurder in het onderwijs onderzoekt Nolen wat autonomie beschermt en analyseert hij welke (rechts)normen en bevoegdheidsbeperkingen de autonomie van de onderwijsorganisatie en bestuurder begrenzen.4 Om te bepalen in hoeverre de autonomie van de bestuurder wordt begrensd, hanteert Nolen het volgende kader. De begrenzing van de autonomie van de bestuurder wordt gevormd door een optelsom van:
Wet- en regelgeving,
Jurisprudentie,
Het feitelijk optreden door de overheid en andere betrokkenen, en
De aanpassing van gedrag als gevolg van soft law, scholing of veronderstelde normen.
De hiervoor geschetste kaders kunnen met aanpassingen ook toegepast worden om de autonomie van de leraar in kaart te brengen. Hier wordt in de volgende paragraaf dieper op ingegaan.