Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.5.1
7.3.5.1 Wettelijke omschrijving
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS611450:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 3, p. 20.
Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 5, p. 34.
F.C. de Hosson, ‘Het begrip ‘gelieerde ondernemingen’ in het nationale en internationale recht (II)’, WFR 1987, p. 1453.
Bijvoorbeeld door A.G. Geesink, ‘Art. 10, vierde lid, onderdeel a, Wet VPB 1969: afschaffen!’, WFR 2002, p. 1011, en door P.C. van der Vegt, ‘De voortgaande bastaardisering van de vennootschapsbelasting’, WFR 2002, p. 1280.
Op basis van art. 8b lid 1 Wet VPB 1969 is sprake van verbondenheid, indien een lichaam onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van of het toezicht op dan wel in het kapitaal van een ander lichaam. Dit betreft situaties van ‘verticale gelieerdheid’. Art. 8b lid 2 Wet VPB 1969 regelt vervolgens de ‘horizontale gelieerdheid’. Hiervan is sprake indien eenzelfde persoon, onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van het ene en het andere lichaam. De deelnemende persoon kan zowel een natuurlijk persoon als een rechtspersoon zijn.
In de parlementaire behandeling is aangegeven dat bewust is aangesloten bij de omschrijving van het begrip gelieerdheid in art. 9 OESO.1 Daarbij is aangeknoopt bij de deelname in de leiding of het toezicht op een ander lichaam, en niet uitsluitend bij een kapitaalbelang, omdat in de praktijk was gebleken dat concerns steeds vaker gebruikmaken van lichamen zonder een in aandelen verdeeld kapitaal, zoals stichtingen, en van buitenlandse rechtsvormen, zoals trusts. Voorts is bewust niet aangegeven welke omvang van het aandelenbezit tot gelieerdheid leidt, omdat dat tot manipulatie zou kunnen leiden. Voor het constateren van gelieerdheid gaat het er dus om dat de aandeelhouder, toezichthouder of bestuurder voldoende zeggenschap heeft om invloed te kunnen uitoefenen op de vaststelling van de verrekenprijzen. Ook de mate van gelieerdheid is in navolging van art. 9 OESO niet ingevuld. Per situatie zal moeten worden beoordeeld of materieel sprake is van een dergelijke zeggenschap. Overigens is tijdens de parlementaire behandeling wel toegezegd dat bij de Belastingdienst zekerheid vooraf kan worden gevraagd in situaties waarin onzekerheid bestaat over de vraag of twee of meerdere lichamen gelieerd zijn.2 Deze toezegging is uitgewerkt in het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 11 augustus 2004, nr. IFZ2004/124M, V-N 2004/43.3.
Het verbondenheidsbegrip van art. 8b Wet VPB 1969 sluit aan bij de visie van De Hosson. Hij stelt dat de redenering dat winst alleen kan worden gecorrigeerd bij een gezamenlijke aandeelhoudersband, berust op een verouderde opvatting ten aanzien van de relatie tussen de vennootschap en de aandeelhouder.3 Volgens De Hosson ligt de macht om de ‘transfer pricing’ te beïnvloeden bij het management en niet bij de aandeelhouders. De Commissie ‘Internationale winstallocatie’ van de Vereniging voor Belastingwetenschap (1987) pleit er daarentegen voor alleen aandeelhoudersverhoudingen in acht te nemen bij de winstcorrecties. De reden die zij hiervoor aanvoert is dat bevoordelingen in de prijs alleen aan de orde zullen zijn indien er op enige wijze een tegenprestatie zal bestaan, en zij meent dat dit alleen het geval zal zijn bij aandeelhoudersrelaties. Net als De Hosson denk ik echter dat dit niet overeenstemt met de maatschappelijke werkelijkheid, waarin het management ook belang heeft bij de hoogte van de belastingdruk van een onderneming.
Het verbondenheidsbegrip van art. 8b Wet VPB 1969 is ook van belang voor de toepassing van art. 10b Wet VPB 1969. Op basis van deze bepaling kan een renteloze of laagrentende lening met een lange looptijd als een ‘hybride geldlening’ worden aangemerkt, indien deze is verstrekt door een lichaam waarmee de schuldenaar is gelieerd in de zin van art. 8b Wet VPB 1969. In de literatuur is deze bepaling fel bekritiseerd, omdat zij ook volstrekt bonafide situaties treft, en er geen mogelijkheid bestaat om tegenbewijs te leveren.4