Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/6.3.3.c
6.3.3.c Interactie met ius conventionis
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS468805:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Deze minimale beschermingsduur werd tijdens de Stockholmse conferentie ingevoerd.
HR 26 mei 2000, NJ 2000, 671 m.nt. DWFV (Cassina/Jacobs), no. 3.3.2.
Uit art. 7 lid 4sec laat zich niet afleiden dat formaliteiten verboden zijn.
Terecht merkt Verkade in zijn NJ-annotatie op dat het doortrekken van het formaliteitenverbod minder vanzelfsprekend is. Zie Kamerstukken II 1982/83, 16 739, nr. 7, p. 3. Vgl. ook Phaff 1967, p. 223; Phaff 1968, p. 387; Braun & Evrard 1975, p. 246; Nordemann, Vinck & Hertin 1977, p. 40; Verkade 1985, p. 157. Anders onder meer: Gerbrandy 1967, p. 220; Gerbrandy 1988, p. 103; Cohen Jehoram 1968, p. 885; Cohen Jehoram 2000, p. 682.
Terzijde: in zuiver-nationale situaties staat een formaliteit als die van art. 21 lid 3 BTMW sowieso niet ter discussie vanwege art. 5 lid 3, zie HR 11 mei 2001, NJ2002, 55 m.nt. J.H. Spoor (Vredestein/Ring 65). Zie in dit verband ook alinea's 776 e.v. hiervoor.
Protocol houdende wijziging van de Eenvormige Beneluxwet inzake tekeningen en modellen van 20 juni 2002, Trb. 2002, 129, art. I.U. Zie ook het Gemeenschappelijk Commentaar bij (art. I.0 van) dit Protocol.
879. lus conventionis. Waar het vreemde werk in aanmerking komt voor bescherming als werk van kunst, valt het — als gezegd — alleen nationale behandeling (traitement national) ten deel, niet het ius conventionis (traitement unioniste). Hierop maakt artikel 2 lid 7 slechts één uitzondering: de minimale beschermingsduur is 25 jaar na vervaardiging (artikel 7 lid 4).1
880. Formaliteitenverbod. Voor het overige is het ius conventionis niet van toepassing. Mag de nationale wet dus formaliteiten stellen aan het genot van het auteursrecht op werken van toegepaste kunst? Een voorbeeld van zo'n formaliteit is de zogeheten instandhoudingsverklaring van artikel 21 lid 3 van de BTMW, zoals die luidde voor 1 december 2003: indien modelrecht en auteursrecht in één hand zijn, vervalt het auteursrecht gelijktijdig met het modelrecht (dus na maximaal 15 jaar), tenzij de rechthebbende overeenkomstig artikel 24 BTMW een verklaring aflegt met het oog op de instandhouding van zijn auteursrecht.
881. Cassina-arrest. In het Cassina-arrest achtte de Hoge Raad deze instandhoudingsverklaring in strijd met de Berner Conventie; hij oordeelde dat het geldend maken van het aan artikel 7 lid 4 te ontlenen recht op de minimale beschermingsduur van 25 jaar niet mag worden onderworpen aan deze formaliteit, "aangezien art. 5 lid 2 bepaalt dat het genot en de uitoefening van de in art. 5 lid 1 bedoelde rechten aan geen enkele formaliteit zijn onderworpen."2 Dit oordeel — hoe lovenswaardig Uniegezind ook — is m.i. onjuist. Artikel 2 lid 7 laat de nationale wetgeving immers uitdrukkelijk de vrije hand als het gaat om de voorwaarden van de auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst. Het enige ius conventionis dat die vrijheid beknot, is de minimale beschermingsduur ex artikel 7 lid 4.3 Voor het overige is het ius conventionis, dus óók het formaliteitenverbod in artikel 5 lid 2, niet van toepassing ten aanzien van werken van toegepaste kunst.4 Daargelaten haar wenselijkheid, was de formaliteit van artikel 21 lid 3 BTMW bijgevolg niet in strijd met de Berner Conventie.5 Hoe dan ook, voor Nederland heeft de Hoge Raad in het Cassina-arrest anders beslist. Zijn beslissing reikt overigens ver: in de redenering lijkt besloten te liggen dat geen enkele formaliteit mag worden gesteld, óók niet buiten de context van artikel 7 lid 4. Immers, de in artikel 5 lid 1 bedoelde rechten, die volgens het Cassina-arrest ook terzake van werken van toegepaste kunst worden gevrijwaard van formaliteiten ingevolge artikel 5 lid 2, omvatten niet alleen het recht op de minimale beschermingsduur, maar óók de rechten die de nationale wet terzake van werken van toegepaste kunst verleent. Bijgevolg wordt — in weerwil van artikel 2 lid 7 — elke formaliteit verboden, óók een eventuele instandhoudingsverklaring ná het verstrijken van de minimale beschermingsduur van 25 jaar.
882. BTMW per 1 december 2003. Hoe dan ook, het Cassina-arrest heeft zijn uitwerking niet gemist: de Benelux-wetgever heeft er aanleiding in gezien om de instandhoudingsverklaring af te schaffen. Met ingang van 1 december 2003 zijn artikel 21 lid 3 en artikel 24 BTMW komen te vervallen.6 In het BVIE vindt men de instandhoudingsverklaring ook niet meer terug.