Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.A.1.c
c. Nota Ruimte en Agenda Vitaal Platteland
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS474938:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie D.W. Bruil, ‘De Wet inrichting landelijk gebied: nieuwe rondes, nieuwe kansen’, in: LTB 2007/ 198. Zie tevens A. Klein Hazebroek, Regeling inzake de inrichting van het landelijke gebied, Beroepsproduct KS1, niet gepubliceerd, april 2010, p. 8. Zie ten slotte H.W. Mojet, Regelgeving inrichting landelijk gebied, p. 11 e.v., alsmede S.D.P. Kole, Het beheerplan voor Natura 2000- gebieden, p. 237.
Kamerstukken II 2003/2004, 29435, nrs. 1-3.
Kamerstuklien II 1987/1988, 20490. Zie tevens onderdeel A.l.a van dit hoofdstuk.
O.a. de nota ‘Natuur voor mensen, mensen voor natuur’ (Kamerstukken II 1999/2000, 27235).
Kamerstukken II 2003/2004, 29435, nr. 1.
Zie tevens R. Benhadi, ‘Decentralisatie van het natuurbeleid: ontwikkelingen op het vlak van provinciale natuursubsidies’, in: Agrarisch recht 2013/3.
Zie Kamerstukken II 2003/2004, 29435, nr. 2, p. 47 en Kamerstukken II 2003/2004, 29435, nr. 3, p. 13.
Waarover meer in onderdeel A.3.C van dit hoofdstuk.
Ontleend aan: samenvatting Nota Ruimte, te raadplegen via http://www.fnp.nl/downloads/Nota-RuimteGearfetting.pdf, datum inzage 14 juni 2013.
Zie nader hfdst. III, onderdeel B hierna.
Kamerstukken II 2003/2004 29576, nr. 1. Hierna tevens: AVP.
Kamerstukken II 2003/2004, 29576, nr. 1, p. 18 e.v. Overigens wordt het begrip ‘platteland’ als volgt gedefinieerd: Het platteland is het niet-verstedelijkte deel van Nederland, waarbij inbegrepen de kleine kernen en de grote wateren (behoudens Noordzee )’, aldus Kamerstukken II 2003/2004, 29576, nr. 1, p. 36.
Zie voor een rechtsvergelijkende blik op de verhouding tussen landinrichting en milieu nader A. de Leeuw, ‘Betrachtungen über die Beziehungen zwischen der ländlichen Bodenordnung durch die Flurbereinigung und der Umwelt’, in: Agrarrecht 1997/11.
Zie onderdeel A.3.c. van dit hoofdstuk.
Aldus H.W. Mojet, Regelgeving inrichting landelijk gebied, p. 11.
Alvorens tot bespreking van de parlementaire behandeling van de WILG over te gaan, is een (korte) bespreking van een tweetal voor een volledige doorgronding van de achtergronden en uitgangspunten van de WILG essentiële beleidsstukken noodzakelijk: de Nota Ruimte en de Agenda Vitaal Platteland.1 Samen met de hiervoor gememoreerde herijkingsoperatie en de RCC vormen deze twee documenten de beleidsmatige onderbouwing van en legitimatie voor het in de WILG opgenomen landinrichtingsinstrumentarium.
Op 27 april 2004 presenteerde het kabinet Balkenende II in de Nota Ruimte2 zijn visie op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en de belangrijkste doelstellingen voor de komende decennia. In de nota is het beleid tot 2020 opgenomen. Voor de jaren 2020-2030 is een doorkijk geschetst. De nota bevat nieuw beleid, maar er zijn ook grote lijnen, zoals eerder vastgesteld in de Vierde nota ruimtelijke ordening3 en diverse deelnota’s, 4 die worden doorgetrokken. Principes die in de ruimtelijke ontwikkeling hun nut hebben bewezen, keren in de Nota Ruimte terug: bundeling van verstedelijking, duurzame ontwikkeling van landelijk gebied en natuur (met onder andere de Ecologische Hoofdstructuur) en aandacht voor de betekenis van mainports (Schiphol en de Rotterdamse haven).5 Het Ministerie van VROM coördineert namens het Rijk de uitvoering van de Nota Ruimte.
In de Nota Ruimte zijn vier doelstellingen opgenomen:
versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland;
krachtige steden en een vitaal platteland;
borging en ontwikkeling van belangrijke nationale en internationale ruimtelijke waarden;
borging van de veiligheid.6
De Nota Ruimte geeft, zoals gezegd, de hoofdlijnen aan van het nationaal ruimtelijke beleid voor de komende decennia. Uitgegaan wordt van een dynamisch, op ontwikkeling gericht ruimtelijk beleid en een heldere verdeling van verantwoordelijkheden tussen het Rijk en de decentrale overheden.7
Om ook in de uitvoering de integrale benadering van de Nota Ruimte te bewerkstelligen, is een Uitvoeringsagenda Nota Ruimte opgesteld, 8 die deel uitmaakt van de Nota Ruimte. Deze agenda verbindt de doelstellingen uit de Nota Ruimte met lopende en voorgenomen uitvoeringstrajecten.
In zowel de Nota Ruimte als de Uitvoeringsagenda is (kort) aandacht besteed aan de in te voeren WILG.9 Kort samengevat is enkel de komst van de WILG aangekondigd, is vermeld dat het landinrichtingsinstrumentarium in deze wet is gemoderniseerd en tot slot is de gewijzigde financieringsstructuur (via het Investeringsbudget Landelijk Gebied)10 kort beschreven. Op deze onderdelen bevatten zowel de Nota Ruimte als de Uitvoeringsagenda weinig tot geen nieuws.
De toegevoegde waarde van de beide stukken is echter gelegen in de geformuleerde visie voor de ruimtelijke ontwikkeling van en de bijbehorende doelstellingen voor het landelijk gebied. Ter bepaling van de sfeer is het woord thans aan de overheid:
“In de Nota wordteen aantal ontwikkelingen genoemd, die vragen om een passend, deels ruimtelijk, antwoord. Het economisch draagvlak en de vitaliteit van de meer landelijke gebieden staan onder druk. Zo neemt het aantal agrarische bedrijven af en gaat de leeßaarheid en vitaliteit van verschillende gebieden achteruit. In combinatie met de gevolgen van klimaatverandering en bodemdaling zijn deze ontwikkelingen van grote invloed op het ruimtegebruik, het water- en bodembeheer en de ecologische en landschappelijke ontwikkeling.
Om daarin verlichting te brengen, wil het kabinet de mogelijkheden voor hergebruik en nieuwbouw in het buitengebied verruimen. Vrijkomende bebouwing kan worden omgezet in een woonbestemming of vestigingsruimte voor kleinschalige bedrijvigheid. Soms kan ook nieuwbouw wenselijk zijn.
De landbouw, de grootste grondgebruiker van Nederland, zit midden in een veranderingsproces. De verwachtingen van de samenleving op gebieden als voedselveiligheid, dierenwelzijn, natuur en milieu ontwikkelen zich snel. Tegelijk heeft de liberalisering van de wereldmarkt ingrijpende gevolgen.
Vooral de intensieve veehouderij ervaart de laatste jaren spanningen met de omgeving, onder andere door ernstige uitbraken van veeziekten. De Reconstructiewet Concentratiegebieden uit 2002 biedt een duurzaam ontwikkelingsperspectief voor de intensieve veehouderij in de provincies Noord-Brabant, Limburg, Utrecht, Overijssel en Gelderland, door een integrale aanpak van veterinaire, mest- en milieuproblemen. De vijf genoemde provincies moeten op grond van de Reconstructiewet reconstructieplannen opstellen, die ter goedkeuring aan het Rijk worden voorgelegd. (…)
Een economisch vitale grondgebonden landbouw is in de ogen van het kabinet van belang voor het beheer van het buitengebied. Door teruglopende inkomsten neemt dit soort bedrijven echter in snel tempo af. Win de provincies wordt verwacht dat zij in hun ruimtelijke plannen meer mogelijkheden scheppen voor een bredere bedrijfivoering. Het rijk ondersteunt de veranderingen in de landbouw onder andere door ruimtelijke ontwikkelingen in de richting van duurzame productie te vergemakkelijken, ‘11
Deze visie op het ruimtelijk beleid met betrekking tot het landelijk gebied is het kompas voor een ieder die zich, al dan niet op professionele wijze, bezighoudt met (bestudering van) de WILG.12 De wetteksten van de WILG worden nader ‘gekleurd’ door de ‘ruimtelijke visie’ op rijksniveau. Bij verdere lezing van mijn dienen deze visie en de daarin opgenomen aandachtspunten nadrukkelijk in ogenschouw te worden genomen.
Eveneens op 27 april 2004 is de Agenda Vitaal Platteland13 uitgebracht. Dit document, dat een integrale rijksvisie op het platteland bevat, heeft betrekking op de doelstellingen en het beleid op het gebied van de economische, sociaal-culturele en ecologische ontwikkeling van het platteland, 14 In dit verband vormt de Agenda een logisch vervolg op de Nota Ruimte, waar immers (enkel) de ruimtelijke ontwikkeling van het platteland het uitgangspunt vormde.
De beleidsmakers definiëren een vitaal platteland als een ‘leefbaar en beleefbaar’ landelijk gebied.15 Of, om in de letterlijke bewoordingen van de Agenda te spreken:
“Het platteland heeft wezenlijke functies voor de inwoners van het platteland en de stedelingen: leven, werken en genieten.”16
Belangrijke schakels voor de leefbaarheid en derhalve de vitaliteit van het platteland zijn ondernemerschap, een verbreding van de plattelandseconomie en een goed voorzieningenniveau.
Daarnaast bevat de Agenda Vitaal Platteland een aantal doelstellingen, te weten:
verbreding van de grondgebonden landbouw;
bundeling van de niet-grondgebonden landbouw;
hergebruik van vrijkomende agrarische gebouwen;
verbetering toegankelijkheid tot voorzieningen;
bescherming EHS/vogelgebieden/habitats;
waterberging.
De doelen zijn gekoppeld aan acht beleidsthema’s: natuur, landschap, recreatie landbouw, sociaaleconomische vitalisering, milieu, 17 water en reconstructie zandgebieden.
De Agenda Vitaal Platteland vormt, samen met de (hierna te bespreken) Meerjarenprogramma’s, 18 een belangrijk beleidskader voor de WILG. Het wetsvoorstel WILG biedt een instrumentarium om de voornemens, zoals verwoord in de diverse besproken beleidsdocumenten, te realiseren.19