Misleidende beursberichten
Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/9.3.3.1:9.3.3.1 Inleiding
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/9.3.3.1
9.3.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655844:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het eerste instrument dat hier wordt besproken om de bewijslast van de belegger bij het bewijs van het causaal verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing te verlichten, is het feitelijk of rechterlijk vermoeden (dat ik hierna zal aanduiden met de eerstgenoemde term).1 Het feitelijk vermoeden betreft een manier van redeneren waarbij de rechter, tegen de achtergrond van de hem toekomende vrijheid in het kader van de bewijswaardering, op grond van indirect bewijs een bepaald feit op voorhand bewezen acht.2 In de context van het causaal verband betekent het toepassen van een vermoeden dat de rechter uit een of meer hulpfeiten de aanwezigheid van (het door de benadeelde te bewijzen) causaal verband afleidt. Verschillende manieren waarop het vermoeden van causaal verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing kan worden geconstrueerd, zullen in het hiernavolgende de revue passeren. In § 9.3.3.2 zal ik eerst de constructie bespreken van het aannemen van een vermoeden van causaal verband op grond van de vaststelling dat de vennootschap een misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven, gevolgd door een verliesgevende transactie van de eisende belegger. Hierbij zal onder meer worden ingegaan op het door de Hoge Raad in het World Online-arrest geformuleerde ‘uitgangspunt’. Daarna zal ik in § 9.3.3.3 ingaan op twee alternatieve constructies voor het vermoeden die De Jong in zijn dissertatie heeft uitgewerkt. De voor- en nadelen van beide alternatieve constructies zullen worden vergeleken met de voor- en nadelen van de in § 9.3.3.2 besproken constructie, en vervolgens zal ik uitleggen waarom de alternatieve constructies in principe niet mijn voorkeur hebben. In § 9.3.3.4 zal daarna worden besproken op welke wijze het vermoeden door de gedaagde kan worden weerlegd.