Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/2.5.1.2
2.5.1.2 Specifiek
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS301326:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Uiteraard kan tijdens een aanhangige procedure nog op diverse wijzen door partijen of derden toegang tot de (hogere) rechter worden verkregen, bijvoorbeeld door het instellen van een eis in reconventie of het indienen van een tegenverzoek in een verweerschrift, het opwerpen van een vrijwarings-, voegings- of tussenkomstincident of ook door het instellen van incidenteel appel; op al deze 'ingangen' doel ik hier echter niet.
Fouten in de dagvaarding zijn overigens in vele gevallen niet fataal: in voorkomende gevallen kan een gebrek hersteld worden, wordt ondanks een gebrek niet altijd verstek verleend tegen de niet-verschijnende gedaagde en leidt een gebrek niet immer tot nietigheid van de dagvaarding (art. 120-122 Rv). In appel en cassatie kunnen vormfouten uiteraard, gezien de termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel, wel eerder fataal zijn.
Men moet erop bedacht zijn dat die termijnen soms kort kunnen zijn en dat dat fataal kan zijn, zie EHRM 16 december 1992, Hennings, serie A, vol 251-A. Een geval waarin de (door de Maltese wetgever opgelegde) wettelijke begrenzing in tijd van de mogelijkheid tot het instellen van een gerechtelijke actie (i.c. de ontkenning van het vaderschap) echter zodanig werd geacht dat daarmee het recht op toegang tot de rechter in zijn essentie werd aangetast, betreft EHRM 12 januari 2006, Mizzi, 26111/02, NJ 2006, 487 (S.F.M. Wortmann). Tot datzelfde oordeel kwam het Hof al in EHRM 6 december 2005, Hornacek, 65575101, waarin niet geheel duidelijk was of appellant nu wel - één dag - te laat was met appel; het Hof laat de appellant het voordeel van de twijfel en overweegt dat 'the domestic courts failed to ensure a reasonable relationship of proportionality between te legitimate aim of ensuring compliance with the formal requirements for faling the remedy in issue and the applicant's right of access to court with a view to having the decision reviewed'. Ik leid daaruit af dat gerechten, indien mogelijk, termijneisen flexibel moeten hanteren, c.q. termijnoverschrijdingen in voorkomende gevallen moeten trachten te sauveren.
Funke (1982), p. 49.
Snijders, Ynzonides en Meijer (2002), nr. 38.
Dommering (1983), p. 174-175.
Zie voor een volledige (en uiteraard genuanceerdere) weergave Asser/Groen/Vranken (2006), hoofdstuk 8.
Bij brief van 5 februari 2007, Kamerstukken II 2006107, 30 951, heeft de Minister van Justitie inmiddels aangegeven afschaffing van de dagvaardings- en verzoekschriftprocedure ten faveure van één geharmoniseerde procedure, ingeleid met één procesinleidend stuk: het verzoekschrift, voor te staan.
In navolging van het driemanschap heeft de minister in februari 2007 inmiddels aangekondigd de invoering van een 'small claims'-regeling voor eenvoudige zaken te onderzoeken, hetgeen eveneens wordt voorgestaan door de Commissie voor Consumentenaangelegenheden van de SER. Intussen is op 11 juli 2007 bij EG-verordening nr. 861/2007 de Europese procedure voor geringe vorderingen vastgesteld, ook wel de Europese small claims-procedure genoemd (EPGV-Vo); zie daarover Kramer (2007), p. 2080-2084.
Commentaar is toen geleverd door Ynzonides, Ingelse en Bakels. Hun bijdragen, alsmede een verslag van de discussiemiddag, zijn gebundeld in een uitgave van de NVVP, getiteld Beschouwingen over het Eindrapport Fundamentele herbezinning Nederlands burgerlijk procesrecht, Den Haag 2006.
Zie Ynzonides (2006), p. 11-21, m.n. p. 17 e.v.
Formele eisen die aan het recht op toegang raken, vinden we in het Nederlands burgerlijk procesrecht op diverse plaatsen terug. Het gaat dan met name om bevoegdheidsregels, vormvoorschriften en termijnen.
Voor de vraag bij welke rechter de justitiabele toegang kan verkrijgen, zijn twee wettelijke regelingen van belang. In de Wet op de rechterlijke organisatie zijn de bepalingen opgenomen die een regeling geven voor de absolute bevoegdheid van de burgerlijke rechter, terwijl de regeling van de relatieve bevoegdheid is te vinden in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.1 Voor de 'rechtsmacht' van de burgerlijke rechter verwijs ik naar mijn uiteenzettingen hiervoor in par. 23.1.
Vormvereisten worden voornamelijk gesteld aan procesinleidende stukken, stukken waarmee de rechtzoekende (voor het eerst2) toegang tot de rechtsprekende organen tracht te verkrijgen. Hier is in de eerste plaats te wijzen op art. 45 en art. 111 Rv die aangeven welke formele eisen gesteld worden aan de inhoud van een dagvaarding.3 Verzoekschriften zijn minder aan formele eisen gebonden, behoudens uitzonderingen voor bijzondere rechtsgebieden (zoals bijvoorbeeld art. 815 Rv dat een aantal extra eisen voorschrijft voor de echtscheidingsprocedure).
De gelegenheid tot toegang tot de rechter wordt niet onbeperkt gegeven. Het burgerlijk procesrecht puilt uit van termijnen; termijnen in acht te nemen tussen de dag van betekening van de dagvaarding en de dag van dagvaarding, termijnen voor het indienen van processtukken, termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen en dergelijke.4
Zoals hierboven weergegeven, zijn formaliteiten normaliter in het leven geroepen ten behoeve van een ordelijk procesverloop, rechtszekerheid en een efficiënte rechtspraak; de regulering van de toegang tot de rechter maakt daar onderdeel van uit. Niet zelden echter hebben formaliteiten aanleiding gegeven tot averechtse effecten. Een stroom van deformaliseringsjurisprudentie - vooral betrekking hebbend op de formele dagvaardingsprocedure - is op gang gekomen om (dreigende) negatieve effecten te redresseren. Funke typeert het doel van deformalisering als volgt:
'Het is geen doel op zich zelf maar een middel om barricades in de vorm van allerlei excepties en niet ontvankelijkheidsmiddelen uit de weg te ruimen teneinde tot het eigenlijke geschil, de zaak ten principale, door te dringen en daarover te oordelen.'5
In het huidige Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een niet-formalistische benadering in een aantal bepalingen uitdrukkelijk voorgeschreven. Te wijzen valt onder meer op de 'wissel-bepalingen' in art. 69 e.v. Rv waardoor een verkeerde start van de procedure (dagvaarding in plaats van verzoekschrift, of omgekeerd, of ook het aanhangig maken van de zaak bij een onbevoegde rechter) niet meer tot niet-ontvankelijkheid leidt, maar de rechter eenvoudigweg 'het wissel kan omzetten' waarna op de correcte wijze respectievelijk bij de juiste rechter kan worden voortgeprocedeerd. Voorts valt te wijzen op art. 120-122 Rv die betrekking hebben op het dekken van nietige exploten, en zo valt in dit verband ook te noemen de mogelijkheid kleine fouten in vonnissen, arresten en beschikkingen te corrigeren, c.q. deze aan te vullen (art. 31-32 Rv). Snijders, Ynzonides en Meijer wijzen erop dat dit soort bepalingen een paradox in zich bergt: enerzijds maken zij het proces eenvoudiger in die zin dat formalistische barrières voor werkelijke rechtsverwezenlijking worden opgeruimd, anderzijds maken zij het procederen er niet gemakkelijker op, nu die deformaliserende correctiemogelijkheden op zichzelf ook procedurele complicaties vormen.6 Aldus lijkt de constatering van Dommering uit 1983 nog immer niet aan actualiteit te hebben ingeboet:
'Anderzijds is het formeel verfijnde instrumentarium van het burgerlijk procesrecht een geheel eigen leven gaan leiden. Balie en rechterlijke macht besteden nog steeds veel manuren aan het uitvlooien van de betekenis van een uiterst gedifferentieerd stel procesregels die - nog steeds - door vlijtige wetgevende ambtenaren met het oog op de eisen van rechtszekerheid en het soepel verlopend rechtsverkeer over hen worden uitgestort. Hetzelfde doel kan met minder regels, en vooral met meer eenvormigheid bereikt worden.'7
Kan het dan niet tóch nog eenvoudiger, juist ook met het oog op de toegankelijkheid tot het (proces)recht? Asser, Groen en Vranken doen daartoe een aantal suggesties, die hierbij in hoofdzaak worden weergegeven:8
Het onderscheid tussen dagvaarding en verzoekschrift als wijze van rechtsingang zou geen rol meer moeten spelen. Enerzijds met het oog op de informaliteit ter vergroting van de toegankelijkheid van de rechter voor de aanlegger en anderzijds ter verzekering van de rechten van de verweerder, opteren zij in beginsel voor het verzoekschrift als het uniforme procesinleidende stuk dat ter griffie wordt ingediend en vervolgens per post door de griffie aan de wederpartij, dan wel belanghebbende, wordt bezorgd;
Wat de inrichting van de procedure betreft, kiezen Asser, Groen en Vranken voor een basismodel met afsplitsingen. Dat basismodel komt globaal overeen met de keuze die in het huidige Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is gemaakt: één schriftelijke ronde gevolgd door een mondelinge behandeling. De huidige titels 2 en 3 van Boek 1 Rv zouden daarom moeten worden vervangen door één titel; 9
Voor small claims van particulieren consumenten zou de basisprocedure door bijzondere bepalingen op het gebied van de procesinleiding, de termijnen, het bewijsrecht en de behandeling laagdrempeliger, sneller en informeler moeten worden gemaakt om de toegang tot het recht te vereenvoudigen;10
Voor onbetwiste vorderingen (incasso's) zou er een snelle, eenvoudige en zo betaalbaar mogelijke, liefst geautomatiseerde, betalingsbevelprocedure moeten komen, terwijl het kort geding de voorzieningenrechter de mogelijkheid zou moeten geven zijn uitspraak als een bodembeslissing te geven ('kortsluiting');
Voor complexe (massaschade)procedures voldoet art. 3:305a BW niet; met de Wet collectieve afwikkeling massaschade is wat dat betreft een goede stap vooruit gezet, maar nadere regeling zou noodzakelijk zijn, onder andere door introductie van een verplichte preprocessuele comparitie van partijen als voorfase voor de procedure.
Op de voorstellen is in het algemeen lovend gereageerd, maar er is ook wel het een en ander op af te dingen, zoals geschiedde op de voorjaarsvergadering van de Nederlandse Vereniging voor Procesrecht van 19 mei 2006.11 Ynzonides merkte daar onder meer op - vrij vertaald - dat toegang tot de rechter goed is, maar dat het ook averechts kan werken (grote bedrijven procederen in complexe zaken voor relatief geringe kosten, en verstoppen daarmee het rechtsbedrijf; niet alle zaken lenen zich voor een behandeling op comparities, ook dat kan averechts en 'verstoppend' werken; het optuigen van een speciale procedure voor incasso's is overbodig, omdat men er via een normale procedure die eindigt in een verstekvonnis ook komt; intensiever gebruik van de processuele voorfase zal de toegang tot de rechter slechts in geringe mate 'trechteren'12).
Hoe het ook zij, zoals gezegd komt de Straatsburgse rechter niet aan een beoordeling in abstracto van deze kwesties toe; de inrichting van de nationale civiele procedure is niet als zodanig diens werkterrein (zie par. 13).