Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/XI.2.1
XI.2.1 Maeijer en Van der Grinten
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178929:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Overigens bestaat wat discussie over de termen ‘bindende partijbeslissing’, ‘bindend advies’, ‘beslissing’ en ‘vaststelling’. Zie Santing-Wubs 2002, p. 121, nt. 98 en p. 122, nt. 104. Ik scheer ze hier gemakshalve over een kam, omdat het mij gaat om de tegenstelling tot het besluit.
Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II 1997/286 en Maeijer 1997, p. 238.
Van der Grinten verwijst in dit verband naar HR 18 juni 1982, NJ 1983/200, m. nt. Maeijer (Biologische Tuinbouwvereniging Elderveld). Dat arrest betrof evenwel een door de algemene vergadering in eerste instantie genomen besluit tot schorsing en ontzetting. De geroyeerde liet de mogelijkheid om bij een commissie in beroep te gaan onbenut.
Asser/Van der Grinten 2-II 1991/288.
Volgens het in 1960 vastgestelde ontwerp van art. 2:35 lid 4 BW heeft ‘[d]e uitspraak [in een royementsberoep, KvV] voor partijen de kracht van een vaststelling door een derde ingevolge een vaststellingsovereenkomst’.1 Hiermee beoogde de wetgever te bewerkstelligen dat de rechter de beslissing van de beroepsinstantie op dezelfde wijze zou toetsen als een bindend advies.2 De rechter toetst slechts of het redelijk is iemand aan de uitspraak te houden. Hij toetst marginaal.3 De geciteerde zinsnede is echter nooit wet geworden. Uiteindelijk achtte de wetgever haar overbodig. Art. 7:906 lid 1 BW regelde namelijk al dat de bepalingen over de vaststellingsovereenkomst van overeenkomstige toepassing zijn op de uitspraak in een royementsberoep.4
Berijp ik het goed, dan heeft Maeijer betoogd dat de beslissing van de beroepsinstantie gezien deze geschiedenis naar de bedoeling van de wetgever steeds een vaststellingsovereenkomst is. Slechts als de algemene vergadering in eerste en enige instantie tot een royement beslist, zou van een besluit sprake zijn dat ingevolge art. 2:15 BW kan worden vernietigd.5 In andere gevallen zou het gaan om een vaststelling die haar grondslag vindt in de statuten en waarop de bepalingen betreffende de vaststellingsovereenkomst bij uitsluiting toepassing vinden. Hiermee weerspreekt Maeijer de opvatting van Van der Grinten, die de status van de beroepsinstantie als beslissend aanmerkt. Beslist in beroep de algemene vergadering, dan doet zij dat volgens hem bij besluit.6 Beslist niet een orgaan, dan gaat het – aldus nog steeds Van der Grinten – om een bindende vaststelling.7