Het bestreden arrest houdt in dat op 5 november 2013 in de woning van [betrokkene 2] een Albert Heijn tas met o.a. telefoons in beslag is genomen (onder verwijzing in voetnoot 33 naar AH-21, AH-21A en AH-65, p. 3).
HR, 25-11-2025, nr. 23/02686
ECLI:NL:HR:2025:1769
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-11-2025
- Zaaknummer
23/02686
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1769, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑11‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:817
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:1530
ECLI:NL:PHR:2025:817, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1769
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑11‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑11‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0374
Uitspraak 25‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Medeplegen grootschalige handel in valse Britse muntstukken (van 1 pond) door deze gedurende lange periode te produceren, op te slaan, te vervoeren en uit te voeren naar Groot-Brittannië, art. 209 Sr. Bewijsklacht medeplegen “uitvoeren”. Kon hof oordelen dat verdachte zo nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen uitvoeren van valse Britse muntstukken van 1 pond, nu verdachte geen intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het uitvoeren van muntstukken? Onder “uitvoeren” a.b.i. art. 209 Sr valt het buiten grondgebied van Nederland brengen van de in die bepaling bedoelde muntspeciën en munt- en bankbiljetten. Dat kan, gelet op wetsgeschiedenis van art. 209 Sr, zich ook voordoen bij gedragingen die zijn gericht op “bewegingen landuitwaarts”. Opvatting dat van “uitvoeren” a.b.i. art. 209 Sr pas sprake kan zijn als muntspeciën of munt- of bankbiljetten het grondgebied van Nederland al hebben verlaten, is te beperkt en dus onjuist. Volgt verwerping. Samenhang met 23/02617 en 23/02656.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02686
Datum 25 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 juni 2023, nummer 23-002527-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat E.E.W.J. Maessen bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het medeplegen door de verdachte van het ‘uitvoeren’ van valse Britse muntstukken van één pond.
2.2
Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 5 november 2013 te [plaats] en [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk hoeveelheden van ongeveer 690.969 en 450.000 en 7.450 Britse 1 pond muntstukken, die verdachte en een van zijn mededaders zelf hadden nagemaakt, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad en heeft vervoerd en heeft uitgevoerd.”
2.3.1
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 209 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘uitvoeren’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.
2.3.2
Artikel 209 Sr luidt:
“Hij die opzettelijk als echte en onvervalste muntspeciën of munt- of bankbiljetten uitgeeft muntspeciën of munt- of bankbiljetten die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij ze ontving, bekend was, of deze, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, ontvangt, zich verschaft, in voorraad heeft, vervoert, invoert, doorvoert of uitvoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.3.3
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 17 mei 2001 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht met betrekking tot valsheid in muntspeciën en munt- en bankbiljetten (eurovalsemunterij), Stb. 2001, 234, is voor de betekenis van het begrip ‘uitvoeren’ verwezen naar artikel 337 Sr (Kamerstukken II 2000/01, 27494, nr. 3, p. 4-5). De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 25 februari 1999, Stb. 1999, 110, waarbij artikel 337 Sr is uitgebreid, houdt over het begrip ‘uitvoeren’ in deze bepaling in:
“In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld om wat betreft de uitbreiding van de strafbaarstelling van gedragingen met nagemaakte of door piraterij verkregen goederen aan te sluiten bij de begrippen «invoer», «doorvoer» en «uitvoer» zoals voorkomende in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht. Blijkens de memorie van toelichting van de wijziging van het Wetboek van Strafrecht inzake algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen (kamerstukken II 1990/91, 22 268, nr. 3, blz. 18) duiden de begrippen «invoeren» en «doorvoeren» op het binnen, respectievelijk door het grondgebied van Nederland brengen. Volledigheidshalve kan daaraan nog worden toegevoegd dat derhalve met de term «uitvoer» op het buiten grondgebied van Nederland brengen wordt gedoeld. Strafrechtelijk optreden met het oog op de bestrijding van namaak en piraterij wordt hierdoor reeds mogelijk bij bewegingen landinwaarts of landuitwaarts en staat in zekere zin los van de in de verordening beschreven procedures.”(Kamerstukken 1996/97, 25474, nr. 3, p. 4.)
2.4
Onder ‘uitvoeren’ als bedoeld in artikel 209 Sr valt het buiten het grondgebied van Nederland brengen van de in die bepaling bedoelde muntspeciën en munt- en bankbiljetten. Dat kan, gelet op de onder 2.3.3 weergegeven wetsgeschiedenis, zich ook voordoen bij gedragingen die zijn gericht op “bewegingen landuitwaarts”. Voor zover het cassatiemiddel ervan uitgaat dat van ‘uitvoeren’ als bedoeld in artikel 209 Sr pas sprake kan zijn als de muntspeciën of munt- of bankbiljetten het grondgebied van Nederland al hebben verlaten, berust het op een te beperkte en dus onjuiste rechtsopvatting. Het cassatiemiddel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 23 maanden en 2 weken, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2025.
Conclusie 09‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Onderzoek “Monte Leone”. Grootschalige handel in valse Britse 1 pondmuntstukken. Middel 1 klaagt over de verwerping van een voorwaardelijk verzoek tot het horen van een getuige. Middel 2 klaagt over het bewijs van het medeplegen van de uitvoer van de valse munten naar het Verenigd Koninkrijk. AG gaat hierbij in op de reikwijdte van het begrip “uitvoer” a.b.i. art. 209 Sr en op medeplegen vooraf aan feitelijke uitvoering van het strafbaar feit. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Vernietiging strafoplegging i.v.m. redelijke termijnschending in de cassatiefase. Samenhang met 23/02656 en 23/02617.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02686
Zitting 9 september 2025
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 30 juni 2023 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-002527-18) wegens 1. “medeplegen van muntspeciën namaken, met het oogmerk om die muntspeciën als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven” en 2. “medeplegen van muntspeciën die hij zelf heeft nagemaakt, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben, vervoeren en uitvoeren” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/02656 en 23/02617. In deze zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het tweede middel is tijdig bij aanvullende schriftuur ingediend.
2. Waar het in cassatie om gaat
2.1
Deze strafzaak is onderdeel van het strafrechtelijk onderzoek “Monte Leone”, dat betrekking heeft op grootschalige handel in valse Britse 1 pond muntstukken. De verdachte is veroordeeld voor het samen met een ander produceren van Britse 1 pond muntstukken en voor het samen met anderen opslaan, vervoeren en uitvoeren van deze munten. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het hof van een voorwaardelijk verzoek tot het horen van een getuige. Het tweede middel klaagt over het bewijs van het medeplegen van de uitvoer van de valse munten naar het Verenigd Koninkrijk.
2.2
De conclusie strekt tot verwerping van de middelen.
3. Het eerste middel
3.1
Het middel klaagt dat het hof het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van de [getuige] ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.
hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 5 november 2013 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een mededader, hoeveelheden van ongeveer 690.969 en 450.000 en 7.450 Britse 1 pond muntstukken heeft nagemaakt, met het oogmerk om die Britse 1 pond muntstukken als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven;
2.
hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 5 november 2013 te [plaats] en [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk hoeveelheden van ongeveer 690.969 en 450.000 en 7.450 Britse 1 pond muntstukken, die verdachte en een van zijn mededaders zelf hadden nagemaakt, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad en heeft vervoerd en heeft uitgevoerd.”
3.3
Door de raadsvrouw van de verdachte, mr. Biesmans, zijn per brief van 30 juli 2020 voor de regiezitting in hoger beroep van 6 augustus 2020 een aantal onderzoekswensen opgegeven. Genoemde brief houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Edelgrootachtbaar College,
In verband met het opgeven van de onderzoekswensen voor de regiezitting die is bepaald op 6 augustus 2020 te 09.00 uur, het volgende.
Met betrekking tot feit 1 op de dagvaarding wenst de verdediging te horen de Engelse vrachtwagenchauffeur [getuige] . De rechtbank heeft in haar vonnis aangegeven ervan uit te gaan dat cliënt de persoon is geweest die op 12 december 2012 met [getuige] vanaf het shell servicestation naar de loods aan [a-straat] is gereden.
Cliënt ontkent die persoon te zijn geweest en stelt ten onrechte te zijn veroordeeld voor medeplegen van valsmunterij met betrekking tot de 450.000 valse Britse 1-pond muntstukken die in [plaats] in beslag zijn genomen onder [getuige] . Daarmee is het verdedigingsbelang gegeven [getuige] te horen als getuige. Wat betreft zijn adresgegevens wordt verwezen naar het Britse rechtshulpverzoek.
[…]
Des nodig zal ter zitting de dato 6 augustus 2020 een nadere toelichting worden gegeven wat betreft de onderzoekswensen. Vooralsnog wordt met deze opgave volstaan.”
3.4
Het proces-verbaal van de regiezitting in hoger beroep van 6 augustus 2020 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De raadsvrouw licht desgevraagd haar onderzoekwensen toe:
De verdediging wil de Engelse vrachtwagenchauffeur [getuige] als getuige horen […]. Mijn cliënt ontkent de valsemunterij voor zover die betrekking heeft op de munten die bij genoemde personen zijn aangetroffen.
[…]
De raadsvrouw deelt desgevraagd mee:
Mijn cliënt kan worden bereikt op het bovenstaande adres in Brazilië op nummer [...] ; dat is zijn postadres. Hij woont elders.
De advocaat-generaal vraagt de raadsvrouw of de verdachte via een rechtshulpverzoek aan Brazilië getraceerd en gehoord kan worden.
De raadsvrouw vraagt om een korte pauze om te kunnen telefoneren.
Het onderzoek wordt onderbroken voor een korte pauze.
Na hervatting van het onderzoek verklaart de raadsvrouw:
Het bovenstaande adres met nummer [...] , dan wel [...] , bestaat niet meer. De verdachte kan
daar dus niet bereikt worden. Hij wil wel schriftelijk vragen beantwoorden en dat kan via mij.
De advocaat-generaal reageert:
Ik verzet mij niet tegen het horen als getuige van [getuige] .
[…]
De voorzitter vraagt de raadsvrouw of zij (adres)gegevens heeft van de [getuige] .
De raadsvrouw antwoordt:
Nee, die gegevens heb ik niet in het dossier aangetroffen.
[…]
De voorzitter deelt mede dat de zaak zal worden aangehouden tot 20 augustus 2020. Op die datum zal de beslissing inzake de onderzoekwensen met instemming van partijen door de voorzitter worden meegedeeld.”
3.5
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 augustus 2020 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De voorzitter deelt als overwegingen en beslissingen van het hof mede dat:
- de verzoeken om [getuige] , […] als getuige te doen horen, worden afgewezen. Het horen van deze personen is - gelet op hetgeen de raadsvrouw aan haar verzoeken ten grondslag heeft gelegd - niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak;”
3.6
Door de raadsvrouw van de verdachte is blijkens haar ter terechtzitting in hoger beroep van 28 april 2023 overgelegde pleitnota het volgende aangevoerd:
“450.000 ponden
Ik verzoek U cliënt vrij te spreken van de hoeveelheid van 450.000 ponden, de hoeveelheid die onder [getuige] in beslag is genomen. Cliënt heeft verklaard dat hij met deze ponden geen uitstaan heeft gehad. […]
[getuige] is op of omstreeks 5 december 2012 benaderd door een Noord-lers zakenman genaamd [betrokkene 1] , die werkt voor de firma EMC en gebruik maakt van het UK [telefoonnummer 1] . [betrokkene 1] heeft hem gevraagd de volgende week een lading op te halen in [plaats] met zijn vrachtwagen. [getuige] heeft daarin toegestemd.
[getuige] heeft op 11 december 2012 om 14.44 uur (UK tijd) een sms ontvangen vanaf het Nederlandse [telefoonnummer 2] . Op 12 december 2012 stopt [getuige] bij het Shell Service Station aan [b-straat 1] in [plaats] van 09.47 uur tot 10.14 uur en wordt vandaar om 10.14 uur door een onbekende man geloodst naar een loods in de buurt van een fabriek binnen een groot bedrijventerrein. Ongeveer 5 kilometer noord west vanaf [b-straat 1] in de richting van [c-straat] . [getuige] arriveert op die locatie om 10.25 uur waarna de vrachtwagen stil staat tot 12.40 uur. Op dat tijdstip verplaatst het voertuig zich een halve kilometer en blijft vervolgens stilstaan tot 13.36 uur om dan naar [plaats] te rijden.
De historische contactgegevens van het [telefoonnummer 2] worden opgevraagd en er wordt vastgesteld dat er met het toestel met voornoemd 06 nummer:
- Op 11 november 2012 om 15.44 uur een sms wordt verzonden naar [getuige] ;
- Op 12 november 2012 om 09.56 uur een sms wordt verzonden naar [getuige] in verband met het rijden naar het Shell Service station en het opgehaald worden door de verzender van het berichtje;
- Op 12 november 2012 om 10.09 uur wordt gebeld naar [getuige] waarna [getuige] om 10.45 uur belt naar het nummer vermoedelijk met de mededeling dat hij is gearriveerd.
De mast die daarbij werd aangestraald, is geplaatst op een pand aan [d-straat 1] in [plaats] (AH-04).
Vervolgens heeft de politie gerelateerd dat cliënt op 2 november 2013 om 11.11 uur een taxi heeft besteld met het nummer [telefoonnummer 3] en dat tijdens telefooncontacten met dat nummer hoofdzakelijk de mast werd aangestraald, die is geplaatst op een pand aan [d-straat 1] in [plaats] . Afgezien van het feit dat in het dossier niet staat gerelateerd hoe groot het gebied is dat deze mast beslaat, is het ook nog zo dat gebruik maken van de mast aan [d-straat ] niet automatisch betekent dat de beller zich daar in de buurt bevindt. Als je iemand wilt bellen, maakt je telefoon eerst contact met het netwerk van GSM-masten. Hier wordt dan automatisch bepaald welke mast het dichtst bijstaat én welke mast nog ruimte heeft om een gesprek door te sturen. Het gaat in casu om [plaats] , een stad met honderdduizenden inwoners. In 2022 telde [plaats] 882.633 inwoners. Nog daargelaten de miljoenen toeristen die [plaats] jaarlijks bezoeken. In 2019 heeft [plaats] 9,2 miljoen toeristen ontvangen. Dat blijkt uit Cijfers van het Centraal Bureau voor Statistiek. En al die inwoners én toeristen maken gebruik
van het telefoonnetwerk.
Daar komt nog bij dat er een jaar verschil zit tussen het aanstralen van de mast 1 door beide nummers: [telefoonnummer 2] in november 2012 en [telefoonnummer 3] in november 2013.
De conclusie dat cliënt dan ook de gebruiker moet zijn geweest van het [telefoonnummer 2] , is wat mij betreft niet terecht. Bovendien heeft niemand cliënt gevraagd waar hij woonde in die periode. Uw Hof niet. De Advocaat-Generaal evenmin. [betrokkene 2] heef verklaard over het ophalen en afzetten van cliënt op verschillende locaties. Hij heeft daarbij niet verklaard over [d-straat ] .
Tussen de spullen van cliënt wordt een Nokia 1280 telefoon aangetroffen met op de voorzijde een sticker met het opschrift I.R. Het IMEI nummer van deze telefoon is [nummer] . Op deze telefoon zijn sms berichten aangetroffen - afkomstig van [telefoonnummer 4] - waarin het nummer van [getuige] wordt verstrekt en waar over de aanhouding van [getuige] lijkt te worden gesproken.
Cliënt heeft betwist dat dit zijn telefoon betreft. Hij heeft verklaard over Litouwse en Servische contacten. Er zijn meerdere telefoons van anderen bij cliënt achtergebleven. Dat blijkt wel uit het feit dat er 14 telefoons zijn gevonden. Hij heeft alle spullen in zijn woning in een tas gedaan en bij [betrokkene 2] afgegeven voor hij naar Brazilië is vertrokken.
Het meest doorslaggevende argument dat cliënt niet bij de valse ponden van [getuige] betrokken was, is gelegen in het feit dat er in die periode geen staal is geleverd aan de loods aan [a-straat] ! Afgezien van het feit dat cliënt de loods op dat moment nog niet huurde, is er in die periode geen staal geleverd. Geen staal betekent geen mogelijkheid om munten na te maken. Ik verwijs U dienaangaande naar hetgeen de Rechtbank hierover heeft opgenomen in haar vonnis.
Wat mij betreft onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van valsmunterij ter zake voornoemde 450.000 ponden. Zeker nu het verzoek tot het horen van [getuige] als getuige, door Uw Hof is afgewezen. De Advocaat-Generaal verzette zich overigens niet tegen dit verzoek. Het horen van [getuige] was/is absoluut noodzakelijk in het kader van de waarheidsvinding. De Rechtbank heeft immers aangegeven dat zij ervan uitgaat dat cliënt de persoon is geweest die op 12 december 2012 met [getuige] vanaf het Shell service station naar de loods aan [a-straat] is gereden.
De Raadsheer-Commissaris had (zoals ik destijds heb aangegeven) [getuige] een foto van cliënt kunnen tonen met de vraag of dit de persoon was die met hem naar een loods is gereden. Er had [getuige] een foto van de loods aan [a-straat] getoond kunnen worden met de vraag of dit de loods betrof waar hij naartoe is gereden.
Ik herhaal hierbij mijn verzoek [getuige] te horen als getuige. Het horen van [getuige] is absoluut noodzakelijk in het kader van waarheidsvinding. Hij en alleen hij kan verklaren wie hem op 12 december 2012 waar naartoe heeft gebracht. Ik verwijs U naar de inmiddels gewijzigde jurisprudentie betreffende het horen van getuigen.
Indien Uw Hof in raadkamer zou komen tot het oordeel dat er op basis van het dossier zoals het nu voorligt, voldoende wettig en overtuigend bewijs ligt tegen cliënt voor wat betreft de kwestie [getuige] , verzoek ik U het onderzoek ter terechtzitting te heropenen en opdracht te geven [getuige] te horen als getuige. Dit klemt temeer nu cliënt in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld, en Uw
Hof hem niet in de gelegenheid heeft gesteld zich te verweren tegen de beschuldiging betreffende de kwestie [getuige] . Een kwestie die hij nadrukkelijk ontkent. De hoger beroep fase is de laatste fase waarin er wordt getreden in de beoordeling van de feiten. De noodzaak om [getuige] te horen als getuige is derhalve onverminderd aanwezig.”
3.7
In aanvulling op de pleitnota is door de raadsvrouw van de verdachte, voor zover van belang, nog het volgende aangevoerd:
“ [verdachte] heeft gezegd dat hij niets te maken heeft met hetgeen in de periode januari tot december 2012 is gebeurd.
Over [getuige] : [verdachte] heeft alleen gezegd dat hij in de buurt van [e-straat] woonde. Uit de inhoud van het dossier volgt niet zonder meer dat [verdachte] de gebruiker is geweest van die twee telefoonnummers.
Pagina 6 van het vonnis over de levering van het metaal: de eerste zending is blijkbaar niet betaald door [medeverdachte 1] .
Ik herhaal het voorwaardelijk verzoek [getuige] als getuige te horen (in geval het hof inzake [getuige] tot een bewezenverklaring komt). [verdachte] is bij verstek veroordeeld in eerste aanleg. Het gaat om de vraag of de procedure als geheel eerlijk is geweest. Ik wijs op HR:2021:576.p. 7 (pleitnota): in die vaten zaten dan geen ponden.”
3.8
Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang en met weglating van de voetnoten, het volgende in:
“1.3.5 Eerdere inbeslagname Britse 1 pond muntstukken in het Verenigd Koninkrijk op 13 december 2012 en 30 juli 2013
Vrachtwagen [getuige] [plaats] , Verenigd Koninkrijk
Uit informatie van de Britse opsporingsautoriteiten blijkt dat op 13 december 2012 in [plaats] , Verenigd Koninkrijk, in een door [getuige] bestuurde vrachtauto een partij met 450.000 valse Britse 1-pondmuntstukken in beslag is genomen. De munten zaten in 18 vaten, geplaatst op drie pallets. Bovenop de munten zat steeds een 5 centimeter dikke laag van metalen ringen.
Op of omstreeks 5 december 2012 is [getuige] benaderd door een zakencontact, een persoon die werkt voor ECM. Deze persoon vroeg hem de volgende week een lading op te halen in [plaats] . Op 12 december 2012 is [getuige] naar aanleiding van via sms ontvangen aanwijzingen naar het Shell service station op het adres [b-straat 1] te [plaats] gereden. Daar heeft hij een man ontmoet, die bij hem in de vrachtwagen heeft plaatsgenomen. Vanaf het Shell service station is de auto ongeveer 5 kilometer noordwest gereden in de richting van [c-straat] . De vrachtwagen heeft op 12 december 2012 van 10:25 uur tot 12:40 uur stilgestaan in de buurt van [c-straat] .
Bij een loods op een bedrijventerrein, in de buurt van een fabriek, laadde de man die bij hem in de vrachtwagen was ingestapt, met een vorkheftruck drie pallets in de trailer van [getuige] . Uit onderzoek van de FIOD volgt dat [a-straat] naast [c-straat] ligt en dat de afstand tussen [b-straat 1] te [plaats] en de loods waarin ECM is gevestigd 4,5 kilometer is.
Onder de goederen die [betrokkene 2] voor [verdachte] bewaarde, bevonden zich in een boodschappentas 14 mobiele telefoons ( [betrokkene 2] heeft verklaard dat de zaken die bij hem zijn aangetroffen, aan [verdachte] toebehoren en [verdachte] heeft dit ter zitting in hoger beroep op 21 april 2023 bevestigd).
In één van deze telefoons (met imei-nummer eindigend op [nummer] ) is een sms-conversatie aangetroffen, waarin op 11 december 2012 door een Engels telefoonnummer het telefoonnummer van [getuige] is gegeven. Op 14 december 2012 heeft het toestel met imei-nummer eindigend op [nummer] een bericht ontvangen waarin wordt gesproken over problemen op de dag ervoor. Dat de douane zijn computer en telefoons heeft en dat ze gaan onderzoeken waar hij heeft geladen. Voorgesteld wordt om alles te wissen.
Op de beschreven notitieblaadjes die [verdachte] in de woning van [betrokkene 2] heeft achtergelaten wordt het getal 450.000 genoemd en ook een datum in december 2012.
[…]
1.3.6
Onderzoek in beslag genomen Britse 1 pond muntstukken
Een deel van de Britse 1 pond muntstukken en stempels die op de genoemde locaties in beslag zijn genomen is door de FIOD voorzien van een SIN nummer en aangeleverd bij het NFI.
[betrokkene 3] , NFI-deskundige, heeft een forensisch onderzoek verricht naar de Britse 1 pond muntstukken en stempels die op de diverse locaties in beslag zijn genomen.
[…]
Daarbij blijkt uit het onderzoek nog het volgende.
Uit het onderzoek naar jaargang 2004 blijkt dat de matrijsstempel aangetroffen op de locatie [f-straat] te herleiden is naar alle onderzochte munten jaargang 2004 die werden aangetroffen:
[…]
• te [plaats] ;
[…]
De onderzochte gebruikte en ongebruikte werkstempels op [a-straat] , kunnen worden herleid naar de matrijsstempel ( [f-straat] ).
[…]
De onderzochte munten […] [plaats] […] en de muntstempels op [a-straat] en de matrijsstempel ( [f-straat] ) zijn niet te herleiden naar de officiële munten of muntstempels.
[…]
In het onderzoek naar jaargang 2006 is onder meer te lezen dat in de loods aan [a-straat] aangetroffen werkstempels zijn te herleiden naar de onderzochte munten aangetroffen:
[…]
• te [plaats] ;
[…]
Het hof stelt op basis van de bevindingen van de deskundige [betrokkene 3] vast dat de onderzochte munten […] te [plaats] onder [getuige] […] vals zijn en zijn te herleiden naar de stempels aangetroffen in de loods aan [a-straat] en/of de matrijsstempel in de woning van [betrokkene 2] , waarbij laatstgenoemde mattrijsstempel weer is te herleiden naar de werkstempels op [a-straat] .
[…]
Voor de lading munten die in december 2012 is onderschept in [plaats] , de lading van [getuige] , acht het hof bewezen dat deze afkomstig is van de productie op [a-straat] in [plaats] […], nu de bij hen aangetroffen munten op basis van onderzoek zijn te herleiden tot de valse stempels die zijn gebruikt op [a-straat] in [plaats] en alle drie de betrokkenen ook voorafgaand aan hun aankomst in Groot-Brittannië, zijn te plaatsen in [plaats] . Daarbij is (de levering aan) [getuige] bovendien blijkens de hiervoor weergegeven redengevende feiten en omstandigheden te linken aan [verdachte] , gelet op aangetroffen sms-berichten op enkele van de telefoons die door [verdachte] aan [betrokkene 2] in bewaring zijn gegeven, in welke sms-berichten in de periode rondom het onderschepte transport van [getuige] in december 2012 het telefoonnummer van [getuige] wordt doorgegeven en wordt gesproken over onderzoek door de douane.
[…]
Voorwaardelijk verzoek
De raadsvrouw heeft verzocht, in geval van bewezenverklaring van de hoeveelheden munten die in Engeland bij [getuige] […] zijn aangetroffen, deze personen als getuige te horen. Dat verzoek wordt afgewezen reeds omdat de genoemde personen geen de verdachte belastende verklaring hebben afgelegd (die in het vonnis als bewijs is gebezigd). De verdachte wordt hierdoor niet in enig rechtens te respecteren belang geschaad.”
3.9
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof het verzoek van de raadsvrouw lijkt te hebben aangemerkt als een verzoek strekkende tot het horen van een zogenaamde Keskin-getuige, terwijl het in het onderhavige geval niet om een zodanige getuige gaat. Volgens de steller van het middel gaat het hier om een “normaal” getuigenverzoek op basis van art. 328 en 331 lid 1 jo. art. 315 lid 1 Sv waarvoor als beoordelingsmaatstaf het noodzakelijkheidscriterium geldt. Volgens de steller van het middel zou de afwijzing van het verzoek om [getuige] als getuige te horen niet zonder meer begrijpelijk zijn, temeer nu omstreeks de onderschepping van de valse Britse 1 pond muntstukken bij [getuige] in de eerste helft van december 2012 geen visuele waarnemingen zijn gedaan. In dit licht bezien zou het getuigenverzoek alleszins begrijpelijk zijn. Ook wordt opgemerkt dat het hof overweegt dat de verdachte op de terechtzitting van 21 april 2023 heeft bevestigd dat de mobiele telefoon waarmee communicatie over [getuige] heeft plaatsgevonden aan hem toebehoorde, terwijl dit niet uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt. Hoewel de steller van het middel inziet dat dit punt niet de toereikendheid van de bewijsvoering in zijn geheel raakt zou dit wel van belang zijn voor het verzoek van de raadsvrouw om [getuige] als getuige te horen. Zonder genoemde vaststelling over het toebehoren van de telefoon aan de verdachte zou slechts de vaststelling resteren dat de onder [getuige] in beslag genomen munten zijn te herleiden tot de stempels die zijn gebruikt in de loods aan [a-straat] in [plaats] , terwijl er in die periode nog geen observaties plaatsvonden.
3.10
Allereerst over de klacht dat niet blijkt dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2023 heeft bevestigd dat de goederen die [betrokkene 2] voor de verdachte bewaarde, waaronder 14 mobiele telefoons met in één daarvan een sms-conversatie waarin op 11 december 2012 via een Engels telefoonnummer het telefoonnummer van [getuige] is gegeven, aan de verdachte toebehoren.1.In het bestreden arrest verwijst het hof voor wat betreft deze bevestiging door de verdachte in voetnoot 41 naar zijn verklaring (als verdachte afgelegd) op p. 6 van het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 april 2023 met verwijzing naar de door de verdachte (als getuige) afgelegde verklaring op p. 3 van genoemd proces-verbaal. Eerstgenoemde verklaring houdt in “Ik blijf bij de verklaring die ik vandaag als getuige heb afgelegd.”. De door de verdachte als getuige afgelegde verklaring op p. 3 van genoemd proces-verbaal houdt in: “Het klopt dat ik in de woning van [betrokkene 2] een plastic tas van Albert Heijn met als inhoud Britse ponden en stempels heb achtergelaten. […] Toen is die tas bij [betrokkene 2] blijven liggen: ik ging daarna naar Brazilië.” Dat in deze verklaring van de verdachte niet over telefoons wordt gesproken, doet mijns inziens niet af aan de vaststelling door het hof dat zich in de bij [betrokkene 2] bevindende boodschappentas 14 mobiele telefoons bevonden en [betrokkene 2] heeft verklaard dat de zaken die bij hem zijn aangetroffen aan de verdachte toebehoren en de verdachte dat heeft bevestigd.2.Daarbij merk ik nog op dat genoemd proces-verbaal van de terechtzitting op p. 12 als verklaring van de verdachte inhoudt: “Een paar maanden voor de inval van de politie bij de loods aan [a-straat] heb ik bij [betrokkene 2] in zijn woning spullen achtergelaten, waaronder administratie, telefoons, munten, muntstempels. […] Omdat ik daarna naar Brazilië ging, zijn die spullen blijven liggen bij [betrokkene 2] .” Uit het samenstel van deze verklaringen kan in voldoende mate worden afgeleid dat de verdachte op de terechtzitting van 21 april 2023 heeft bevestigd dat de in de boodschappentas die [betrokkene 2] voor de verdachte bewaarde aangetroffen mobiele telefoons aan hem toebehoren. Deze klacht faalt.
3.11
Nu terug naar het getuigenverzoek en de afwijzing ervan.
3.12
In de onderhavige zaak heeft de raadsvrouw van de verdachte meermaals verzocht om [getuige] als getuige te horen. Uit de verzoeken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt niet dat [getuige] – in het vooronderzoek of anderszins – al een verklaring had afgelegd met een belastende strekking. [getuige] is dus geen zogenoemde Keskin-getuige, dat wil zeggen: een getuige die een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking zoals bedoeld in de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin tegen Nederland. Het hof heeft het verzoek tot het horen van [getuige] afgewezen “reeds” op de grond dat [getuige] geen de verdachte belastende verklaring heeft afgelegd (die in het vonnis als bewijs is gebezigd) en de verdachte hierdoor niet in enig rechtens te respecteren belang wordt geschaad. Het hoeft geen verbazing te wekken dat het hof de afwijzing van het verzoek (mede) stoelt op het argument dat de [getuige] geen Keskin-getuige betreft. De raadsvrouw van de verdachte heeft in verband met het getuigenverzoek in haar pleitnota immers verwezen naar “de inmiddels gewijzigde jurisprudentie betreffende het horen van getuigen” en op de zitting in aanvulling op haar pleitnota bij herhaling van haar voorwaardelijk getuigenverzoek verwezen naar “HR:2021:576”. Dit betreft het ECLI-nr. van het arrest Post-Keskin.3.
3.13
Verder impliceert het gebruik van het woord “reeds” in de afwijzingsmotivering dat het hof ook nog andere gronden voor afwijzing zag. Het is aannemelijk dat het hof hiermee impliciet verwijst naar hetgeen het ten grondslag heeft gelegd aan de eerdere op de regiezitting van 20 augustus 2020 genomen afwijzende beslissing op het verzoek.4.Het hof heeft het verzoek op die terechtzitting afgewezen op de grond dat het horen van de getuige, gelet op hetgeen door de raadsvrouw aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet noodzakelijk is voor enige te nemen beslissing in deze zaak. Ook afwijzing van het verzoek op (mede) deze grond is mijns inziens niet onbegrijpelijk. Daartoe is van belang dat in de situatie dat geen sprake is van een Keskin-getuige, de verdediging het verzoek tot het horen van een getuige dient te motiveren.5.Deze motiveringsplicht houdt in dat de verdediging moet toelichten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak op grond van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing. Aan dit motiveringsvereiste ligt ten grondslag dat de rechter in staat wordt gesteld de relevantie van het verzoek te beoordelen, mede in het licht van de onderzoeksbevindingen zoals deze zich op het moment van het verzoek in het dossier bevinden.6.Door de verdediging is naar de kern genomen telkens aan het verzoek ten grondslag gelegd dat het noodzakelijk is om [getuige] als getuige te horen, omdat hij de enige is die kan verklaren of de verdachte – zoals door de rechtbank in haar vonnis is aangenomen – de persoon is die op 12 december 2012 met [getuige] vanaf het Shell service station naar de loods aan [a-straat] is gereden. Voor de beoordeling door het hof was het echter niet relevant of de verdachte de man is geweest die op 12 december 2012 bij [getuige] in de vrachtauto is gestapt en bij een loods op een bedrijventerrein, in de buurt van een fabriek, drie pallets in de trailer van [getuige] heeft geladen en het hof heeft daarover – anders dan de rechtbank – ook geen vaststellingen gedaan. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof het verband tussen de verdachte en (de levering aan) [getuige] immers gebaseerd op de aangetroffen sms-berichten op enkele telefoons die door de verdachte aan [betrokkene 2] in bewaring zijn gegeven. Zoals onder 3.10 is vermeld heeft de verdachte het aan hem toebehoren van de telefoons op de terechtzitting van 21 april 2023 bevestigd. Gelet op een en ander kon het hof oordelen dat het horen van [getuige] niet van belang is voor enige in de strafzaak op grond van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing.
3.14
De afwijzing in het bestreden arrest van het voorwaardelijke verzoek om [getuige] als getuige horen is gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk.
3.15
Het middel faalt.
4. Het tweede middel
4.1
Het middel klaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde, kort gezegd, medeplegen van het uitvoeren van Britse 1 pond muntstukken ontoereikend is gemotiveerd.
4.2
Onder feit 2 is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 5 november 2013 te [plaats] en [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk hoeveelheden van ongeveer 690.969 en 450.000 en 7.450 Britse 1 pond muntstukken, die verdachte en een van zijn mededaders zelf hadden nagemaakt, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad en heeft vervoerd en heeft uitgevoerd.”
4.3
Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in (met weglating van voetnoten):
“1.4.3 Feit 2
Medeplegen in voorraad hebben en vervoeren van valse munten
De valse munten werden met medeweten van [medeverdachte 1] in zijn bedrijf aan [a-straat] opgeslagen, in
afwachting van verdere verspreiding. Uit observaties blijkt dat [verdachte] betrokken is geweest bij de opslag, belading, het vervoer en de distributie van de valse munten. Hij is samen met [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] en diens gehuurde vrachtwagen gezien bij de loods aan [a-straat] , waar hij, samen met [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] , werkzaamheden verrichtte, zoals het bedienen van de laadklep van de vrachtauto met [kenteken] , het uitladen van palletkisten en het sjouwen met dozen. [verdachte] wist dat de vaten met munten stonden opgeslagen in de loods aan [a-straat] en hij wist ook dat daar vandaan de vaten met munten door [betrokkene 2] werden vervoerd. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben aldus, tezamen en in vereniging met [betrokkene 2] , in medeplegende zin, de door hem en [medeverdachte 1] nagemaakte Britse 1 pond muntstukken in voorraad gehad en vervoerd.
Medeplegen uitvoer van valse munten
Voor [verdachte] en [medeverdachte 1] moet volstrekt duidelijk zijn geweest dat de grote hoeveelheid door hen geslagen valse Britse 1 pond muntstukken uiteindelijk buiten Nederland een bestemming zou vinden, omdat Britse pond muntstukken in Nederland geen wettig betaalmiddel zijn. Dat zij daadwerkelijk op de hoogte waren van de uitvoer naar het Verenigd Koninkrijk, blijkt uit de eerder genoemde betaling van CCI, de afnemer van de valse munten, op de rekening van [A] voor het aan ECM geleverde metaal.”
4.4
Geklaagd wordt dat het hof met “deze laatste overweging” de bewezenverklaring van het medeplegen van uitvoer van valse muntstukken ontoereikend heeft gemotiveerd, omdat het lijkt alsof het hof een verruimde definitie van “uitvoer” hanteert, die vergelijkbaar is met het “buiten het grondgebied van Nederland brengen” als bedoeld in art. 1 lid 5 Opiumwet. Volgens de steller van het middel betekent de vaststelling door het hof dat de verdachte op de hoogte was van de uitvoer van muntstukken naar het Verenigd Koninkrijk niet dat hij de uitvoer van die muntstukken heeft medegepleegd. Nu art. 209 Sr geen “verlengde uitvoer” kent, moet vaststaan dat de verdachte een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht aan de uitvoer van muntstukken heeft geleverd. Van een dergelijke bijdrage zou niet uit de gebezigde bewijsmiddelen blijken.
4.5
Voor de term “uitvoeren” als bedoeld in art. 209 Sr is door de wetgever aansluiting gezocht bij art. 337 lid 1 Sr, een bepaling waarin dezelfde terminologie wordt gebezigd.7.In art. 337 lid 1 Sr wordt voor het begrip “uitvoer” aangesloten bij het begrip “uitvoer” in art. 46 Sr. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met de term “uitvoer” in art. 46 lid 1 Sr – en daarmee dus ook met die term in art. 337 lid 1 Sr en vervolgens art. 209 Sr – wordt gedoeld op het buiten het grondgebied van Nederland brengen, waardoor strafrechtelijk optreden reeds mogelijk wordt bij bewegingen landuitwaarts.8.Deze aansluiting bij art. 46 lid 1 Sr pleit mijns inziens voor een ruime uitleg van het begrip “uitvoer”, in die zin dat ook op bewegingen landuitwaarts gerichte gedragingen onder het bereik van art. 209 Sr vallen.9.
4.6
Daarnaast is van belang dat voor een veroordeling als medepleger niet is vereist dat men lijfelijk aanwezig was bij of een aandeel had in de feitelijke uitvoering van het strafbaar feit – hier de uitvoer van nagemaakte 1 pond muntstukken. Van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan zelfs sprake zijn indien de strafrechtelijk relevante gedragingen van de verdachte geheel vóór de feitelijke uitvoering van het strafbaar feit hebben plaatsgevonden.10.Dus ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar de bijdrage is geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor het strafbare feit, kan het tot een bewezenverklaring van medeplegen komen. Uiteindelijk komt het er steeds op aan of “de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is”, of de verdachte op de een of andere manier een wezenlijke bijdrage aan het delict heeft geleverd.11.Daartoe kan onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip van belang zijn.
4.7
Zowel hetgeen onder 4.5 uiteen is gezet als wat onder 4.6 naar voren is gebracht, brengt mee dat de aan het middel ten grondslag liggende opvatting niet opgaat. Betrokkenheid bij het verrichten van handelingen voorafgaand aan de feitelijke uitvoer, in het onderhavige geval het (laten) vervoeren terwijl de verdachte wist dat de uiteindelijke bestemming buiten Nederland lag, kan onder uitvoer vallen in de zin van art. 209 Sr. Ook voor medeplegen (van uitvoer in de zin van art. 209 Sr) is een directe intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht aan de feitelijke verwezenlijking van het delict (de uitvoer van de muntstukken naar het Verenigd Koninkrijk) niet vereist. Gelet daarop en gezien hetgeen namens de verdachte in hoger beroep en cassatie is aangevoerd, heeft het hof niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd bewezenverklaard dat de verdachte het uitvoeren van Britse 1 pond muntstukken heeft medegepleegd. Uit de uiteenzetting van het hof blijkt dat en waarom tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op de valsemunterij en het in voorraad hebben en vervoeren van de nagemaakte Britse 1 pond muntstukken en verder dat deze samenwerking plaatsvond met de wetenschap dat de valse munten uiteindelijk een buitenlandse bestemming zouden vinden en dat zij ook van die uitvoer op de hoogte waren. De verdachte wist met andere woorden dat de gehele samenwerking en zijn wezenlijke bijdrage daaraan een substantieel onderdeel vormden van een onderneming die om de nagemaakte munten te gelde te kunnen maken ook de uitvoer van de valse munten zou omvatten. Daarop stuit het middel mijns inziens af. Daarbij merk ik nog op dat het medeplegen van het vervoeren (in Nederland) in cassatie niet wordt betwist en hetzelfde geldt voor de vaststelling door het hof dat de verdachte en [medeverdachte 1] (daadwerkelijk) op de hoogte waren van de uitvoer van de munten naar het Verenigd Koninkrijk. Overigens blijkt uit de bewijsvoering van een voor de bewezenverklaring relevant verband tussen de verdachte en (de levering aan) [getuige] (zie onder 3.8).
4.8
Het middel faalt.
5. Afronding
5.1
De middelen falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad niet binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep op 12 juli 2023 uitspraak zal doen, zodat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM zal worden overschreden. Dat moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑09‑2025
Hoewel het hof in voetnoot 40 voor de verklaring van [betrokkene 2] verwijst naar V02-02, zal het hof vermoedelijk het oog hebben gehad op V03-02. Voetnoot 1 van het bestreden arrest houdt immers in: “Daarbij ziet (…) de letter V op bij de FIOD afgelegde verklaringen van [medeverdachte 1] (V01), [betrokkene 2] (V03), [medeverdachte 2] (V05), [medeverdachte 3] (V06) en [medeverdachte 4] (V07).” Nadat de verhorende verbalisanten [betrokkene 2] in dit verhoor hebben medegedeeld dat bij de doorzoeking van zijn woning op 5 november 2013 munten, stempels en een hele administratie zijn aangetroffen vragen ze [betrokkene 2] naar zijn reactie hierop. [betrokkene 2] antwoordt: “Alles wat bij mij thuis gevonden is, is niet van mij. Dit is allemaal van [betrokkene 4] . [betrokkene 4] ging naar het buitenland en heeft mij gevraagd dit voor hem te bewaren, dit heb ik gedaan.” Op p. 4 van het bestreden arrest heeft het hof vastgesteld dat [betrokkene 2] met “ [betrokkene 4] ” de verdachte bedoelt.
HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 m.nt. Reijntjes.
Zie het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 6 en 20 augustus 2020, p. 4. Het onderzoek ter terechtzitting in de onderhavige zaak is niet opnieuw aangevangen, zodat deze beslissing in stand is gebleven (HR 3 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK1798, NJ 2009/553, r.o. 2.2.5).
Vgl. bijv. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1931, r.o. 2.5.3.
HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1931, r.o. 2.5.1.
Kamerstukken II 2000/01, 27 494, 3, p. 4-5.
Kamerstukken II 1991/92, 22 268, nr. 5, p. 21 houdt in dat de wetgever er vanwege een zuiver jurisdictionele reden bewust voor heeft gekozen om niet voor het begrip “vervoeren” te kiezen: “Wanneer ik van «invoeren» spreek, kan, onder omstandigheden, de heerschappij van de Nederlandse strafwet zich ook uitstrekken over voorbereidingsdaden waarbij de dader zich lichamelijk extraterritoriaal bevindt, terwijl – uiteraard – het voorgestelde gevolg zich binnenslands zou moeten afspelen. Men kan dan ook «voorbereiding tot invoer binnen Nederland», waarbij de voorbereider zijn planning in het buitenland opzet, via art. 2 Sr onder de Nederlandse rechtsmacht brengen, mits de dader zich maar niet in het buitenland bedient van een absoluut ondeugdelijk middel of object met betrekking tot de voorgenomen delictsvoltooiing. Bij «uitvoeren» geldt iets vergelijkbaars. In de Opiumwet wordt, om vergelijkbare reden, niet gesproken van «vervoeren». Van onder de Nederlandse jurisdictie vallend «vervoer» is immers alleen sprake als het beoogde vervoer zich binnen Nederland voltrekt. Omdat het voorstel mede bedoeld is ter bestrijding van de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit hecht ik derhalve aan handhaving van «invoeren, doorvoeren, uitvoeren».” Anders dan in de Opiumwet kent art. 209 Sr wel het begrip vervoeren, hetgeen ziet op vervoer binnen Nederland.
Vgl. HR 17 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7387, NJ 1983/84 m.nt. Van Veen, r.o. 6 en HR 15 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4107, NJ 1986/740.
Zie o.a. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis, r.o. 3.2.2-3.2.3, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. Mevis en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. Rozemond.
Beroepschrift 27‑11‑2023
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
AANVULLENDE
SCHRIFTUUR HOUDENDE EEN MIDDEL VAN CASSATIE
Inzake: [verdachte]/O.M.
[verdachte], requirant van cassatie van een te zijnen aanzien gewezen arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 30 juni 2023 (parketnummer: 23-002527-18).
Edelhoogachtbaar College,
Ondergetekende, E. Maessen, advocaat te Maastricht, die verklaart tot ondertekening en indiening van onderhavige aanvullende schriftuur bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant van cassatie, heeft de eer aan uw Hoge Raad voor te dragen, het navolgende:
Middel van cassatie
II
Schending van het recht, in het bijzonder van art. 209 Sr en art. 359 leden 2 en 3 Sv jo. art. 415 lid 1 Sv en/of verzuim van vormen waarvan het niet naleven nietigheid meebrengt, doordat het Hof de bewezenverklaring van het tweede feit, voor zover dat ziet op het medeplegen van het uitvoeren van Britse 1 pond muntstukken, ontoereikend heeft gemotiveerd.
Toelichting:
II.1
Het Hof heeft — voor zover hier van belang — ten laste van requirant bewezen verklaard dat (arrest, p. 14):
- 2.
hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 5 november 2013 te [a-plaats] en [b-plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk hoeveelheden van ongeveer 690.969 en 450.000 en 7.450 Britse 1 pond muntstukken, die verdachte en een van zijn mededaders zelf hadden nagemaakt, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad en heeft vervoerd en heeft uitgevoerd.
II.2
Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft het Hof, voor zover hier van belang, nader overwogen (arrest, p. 13):
Medeplegen in voorraad hebben en vervoeren van valse munten
De valse munten werden met medeweten van [medeverdachte 1] in zijn bedrijf aan de [a-straat] geslagen, in afwachting van verdere verspreiding. Uit observaties blijkt dat [verdachte] betrokken is geweest bij de opslag, belading, het vervoer en de distributie van de valse munten. Hij is samen met [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] en diens gehuurde vrachtwagen gezien bij de loods aan de [a-straat], waar hij, samen met [betrokkene 2] en [medeverdachte 1], werkzaamheden verrichte, zoals het bedienen van de laadklep van de vrachtauto met kenteken [kenteken], het uitladen van palletkisten en het sjouwen met dozen. [verdachte] wist dat de vaten met munten stonden opgeslagen in de loods aan de [a-straat] en hij wist ook dat daar vandaan de vaten met munten door [betrokkene 2] werden vervoerd. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben aldus, tezamen en in vereniging met [betrokkene 2], in medeplegende zin, de door hem en [medeverdachte 1] nagemaakte Britse 1 pond muntstukken in voorraad gehad en vervoerd.
Medeplegen van uitvoer van valse munten
Voor [verdachte] en [medeverdachte 1] moet volstrekt duidelijk zijn geweest dat de grote hoeveelheid door hen geslagen valse Britse 1 pond muntstukken uiteindelijk buiten Nederland een bestemming zou vinden, omdat Britse pond muntstukken in Nederland geen wettig betaalmiddel zijn. Dat zij daadwerkelijk op de hoogte waren van de uitvoer naar het Verenigd Koninkrijk, blijkt uit de eerder genoemde betaling van CCI, de afnemer van de valse munten, op de rekening van [A] voor het aan ECM geleverde metaal.
II.3
Met deze laatste overweging heeft het Hof de bewezenverklaring van het medeplegen van uitvoer van valse muntstukken ontoereikend gemotiveerd. Het Hof lijkt immers een verruimde definitie van ‘uitvoer’ te hanteren, die vergelijkbaar is met het ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ als bedoeld in art. 1 lid 5 van de Opiumwet. Die bepaling luidt:
‘Onder buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, is begrepen: het buiten het grondgebied van Nederland brengen van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn en het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden, het ten uitvoer dan wel ten wederuitvoer aangeven, daaronder begrepen het doen van een summiere aangifte bij uitgaan of het in kennis stellen van de wederuitvoer, in de zin van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269) of het in, op of aan een naar het buitenland bestemd vaar-, voer-of luchtvaartuig aanwezig hebben van die middelen, of van die voorwerpen of goederen.’
II.4
Dat, zoals het Hof heeft vastgesteld, requirant op de hoogte was van de uitvoer van muntstukken naar het Verenigd Koninkrijk maakt niet dat hij de uitvoer van die muntstukken heeft medegepleegd. Omdat art. 209 Sr geen ‘verlengde uitvoer’ kent, zal voor de bewezenverklaring moeten vaststaan dat requirant een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht aan de uitvoer van muntstukken heeft geleverd (vgl. o.a. HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:461).
II.5
Van zo een intellectuele en/of materiële bijdrage blijkt evenwel niet uit de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen voor wat betreft het medeplegen van uitvoer van muntstukken.
II.6 Gelet hierop is de bewezenverklaring van het tweede feit op de dagvaarding ontoereikend gemotiveerd te achten.
Maastricht, 27 november 2023
E. Maessen
advocaat
Beroepschrift 24‑11‑2023
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE EEN MIDDEL VAN CASSATIE
Inzake: [verdachte]/O.M.
[verdachte], requirant van cassatie van een te zijnen aanzien gewezen arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 30 juni 2023 (parketnummer: 23-002527-18).
Edelhoogachtbaar College,
Ondergetekende, E. Maessen, advocaat te Maastricht, die verklaart tot ondertekening en indiening van onderhavige schriftuur bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant van cassatie, heeft de eer aan uw Hoge Raad voor te dragen, het navolgende:
Middel van cassatie
I
Toelichting:
I.1
Het Hof heeft — voor zover hier van belang — ten laste van requirant bewezen verklaard dat (arrest, p. 14):
- 1.
hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 5 november 2013 te [a-plaats], tezamen en in vereniging met een mededader, hoeveelheden van ongeveer 690.969 en 450.000 en 7.450 Britse 1 pond muntstukken heeft nagemaakt, met het oogmerk om die Britse 1 pond muntstukken als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven;
- 2.
hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 5 november 2013 te [a-plaats] en [b-plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk hoeveelheden van ongeveer 690.969 en 450.000 en 7.450 Britse 1 pond muntstukken, die verdachte en een van zijn mededaders zelf hadden nagemaakt, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad en heeft vervoerd en heeft uitgevoerd.
I.2
Voor wat betreft de door het Hof bewezenverklaarde feiten betrekking hebben op de 450.000 Britse 1 pond muntstukken heeft requirant's raadsvrouw ter terechtzitting van het Hof het volgende aangevoerd (overgelegde pleitnotities, p. 4–7):
‘450.000 ponden
Ik verzoek U cliënt vrij te spreken van de hoeveelheid van 450.000 ponden, de hoeveelheid die onder [getuige 9] in beslag is genomen. Cliënt heeft verklaard dat hij met deze ponden geen uitstaan heeft gehad. (…)
[getuige 9] is op of omstreeks 5 december 2012 benaderd door een Noord-lers zakenman genaamd [betrokkene 1], die werkt voor de firma EMC en gebruik maakt van het UK telefoonnummer [telefoonnummer 1]. [betrokkene 1] heeft hem gevraagd de volgende week een lading op te halen in [a-plaats] met zijn vrachtwagen. [getuige 9] heeft daarin toegestemd.
[getuige 9] heeft op 11 december 2012 om 14.44 uur (UK tijd) een sms ontvangen vanaf het Nederlandse nummer [telefoonnummer 2]. Op 12 december 2012 stopt [getuige 9] bij het Shell Service Station aan de [b-straat 01] in [a-plaats] van 09.47 uur tot 10.14 uur en wordt vandaar om 10.14 uur door een onbekende man geloodst naar een loods in de buurt van een fabriek binnen een groot bedrijventerrein. Ongeveer 5 kilometer noord west vanaf [b-straat 01] in de richting van de [c-straat]. [getuige 9] arriveert op die locatie om 10.25 uur waarna de vrachtwagen stil staat tot 12.40 uur. Op dat tijdstip verplaatst het voertuig zich een halve kilometer en blijft vervolgens stilstaan tot 13.36 uur om dan naar [c-plaats] te rijden.
De historische contactgegevens van het nummer [telefoonnummer 2] worden opgevraagd en er wordt vastgesteld dat er met het toestel met voornoemd 06 nummer:
- —
Op 11 november 2012 om 15.44 uur een sms wordt verzonden naar [getuige 9];
- —
Op 12 november 2012 om 09.56 uur een sms wordt verzonden naar [getuige 9] in verband met het rijden naar het Shell Service station en het opgehaald worden door de verzender van het berichtje;
- —
Op 12 november 2012 om 10.09 uur wordt gebeld naar [getuige 9] waarna [getuige 9] om 10.45 uur belt naar het nummer vermoedelijk met de mededeling dat hij is gearriveerd.
De mast die daarbij werd aangestraald, is geplaatst op een pand aan de [d-straat 01] in [a-plaats] (AH-04).
Vervolgens heeft de politie gerelateerd dat cliënt op 2 november 2013 om 11.11 uur een taxi heeft besteld met het nummer [telefoonnummer 3] en dat tijdens telefooncontacten met dat nummer hoofdzakelijk de mast werd aangestraald, die is geplaatst op een pand aan de [d-straat 01] in [a-plaats].
Afgezien van het feit dat in het dossier niet staat gerelateerd hoe groot het gebied is dat deze mast beslaat, is het ook nog zo dat gebruik maken van de mast aan de [d-straat 01] niet automatisch betekent dat de beller zich daar in de buurt bevindt. Als je iemand wilt bellen, maakte je telefoon eerst contact met het netwerk van GSM-masten. Hier wordt dan automatisch bepaald welke mast het dichtst bijstaat én welke mast nog ruimte heeft om een gesprek door te sturen. Het gaat in casu om [a-plaats], een stad met honderdduizenden inwoners. In 2022 telde [a-plaats] 882.633 inwoners. Nog daargelaten de miljoenen toeristen die [a-plaats] jaarlijks bezoeken. In 2019 heeft [a-plaats] 9,2 miljoen toeristen ontvangen. Dat blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor Statistiek. En al die inwoners én toeristen maken gebruik van het telefoonnetwerk.
Daar komt nog bij dat er een jaar verschil zit tussen het aanstralen van de mast door beide nummers: [telefoonnummer 2] in november 2012 en [telefoonnummer 3] in november 2013.
De conclusie dat cliënt dan ook de gebruiker moet zijn geweest van het nummer [telefoonnummer 2], is wat mij betreft niet terecht. Bovendien heeft niemand cliënt gevraagd waar hij woonde in die periode. Uw Hof niet. De Advocaat-Generaal evenmin. [betrokkene 2] heeft verklaard over het ophalen en afzetten van cliënt op verschillende locaties. Hij heeft daarbij niet verklaard over de [d-straat 01].
Tussen de spullen van cliënt wordt een Nokia 1280 telefoon aangetroffen met op de voorzijde een sticker met het opschrift I.R. Het IMEI nummer van deze telefoon is [nummer]. Op deze telefoon zijn sms berichten aangetroffen — afkomstig van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] — waarin het nummer van [getuige 9] wordt verstrekt en waar over de aanhouding van [getuige 9] lijkt te worden gesproken.
Cliënt heeft betwist dat dit zijn telefoon betreft. Hij heeft verklaard over Litouwse en Servische contacten. Er zijn meerdere telefoons van anderen bij cliënt achtergebleven. Dat blijkt wel uit het feit dat er 14 telefoons zijn gevonden. Hij heeft alle spullen in zijn woning in een tas gedaan en bij [betrokkene 2] afgegeven voor hij naar Brazilië is vertrokken.
Het meest doorslaggevende argument dat cliënt niet bij de valse ponden van [getuige 9] betrokken was, is gelegen in het feit dat er in die periode geen staal is geleverd aan de loods aan de [a-straat]! Afgezien van het feit dat cliënt de loods op dat moment nog niet huurde, is er in de periode geen staal geleverd. Geen staal betekent geen mogelijkheid om munten na te maken. Ik verwijs u dienaangaande naar hetgeen de Rechtbank hierover heeft opgenomen in haar vonnis.
Wat mij betreft is er onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van valsmunterij ter zake van voornoemde 450.000 ponden. Zeker nu het verzoek tot het horen van [getuige 9] als getuige, door Uw Hof is afgewezen. De Advocaat-Generaal verzette zich overigens niet tegen dit verzoek. Het horen van [getuige 9] was/is absoluut in het kader van de waarheidsvinding. De Rechtbank heeft immers aangegeven dat zij ervan uitgaat dat cliënt de persoon is geweest die op 12 december 2012 met [getuige 9] vanaf het Shell service station naar de loods aan de [a-straat] is gereden.
De Raadsheer-Commissaris had (zoals ik destijds heb aangegeven) [getuige 9] een foto van cliënt kunnen tonen met de vraag of dit de persoon was die met hem naar een loods is gereden. Er had [getuige 9] een foto van de loods aan de [a-straat] getoond kunnen worden met de vraag of dit de loods betrof waar hij naartoe is gereden.
Ik herhaal hierbij mijn verzoek [getuige 9] te horen als getuige. Het horen van [getuige 9] is absoluut noodzakelijk in het kader van waarheidsvinding. Hij en alleen hij kan verklaren wie hem op 12 december 2012 waar naartoe heeft gebracht. Ik verwijs U naar de inmiddels gewijzigde jurisprudentie betreffende het horen van getuigen.
Indien Uw Hof in raadkamer zou komen tot het oordeel dat er op basis van het dossier zoals het nu voorligt, voldoende wettig en overtuigend bewijs ligt tegen cliënt voor wat betreft de kwestie [getuige 9], verzoek ik U het onderzoek ter terechtzitting te heropenen en opdracht te geven [getuige 9] te horen als getuige. Dit klemt temeer nu cliënt in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld, en Uw Hof hem niet in de gelegenheid heeft gesteld zich te verweren tegen de beschuldiging betreffende de kwestie [getuige 9]. Een kwestie die hij nadrukkelijk ontkent. De hoger beroep fase is de laatste fase waarin er wordt opgetreden in de beoordeling van de feiten. De noodzaak om [getuige 9] te horen als getuige is derhalve onverminderd aanwezig.’
I.3
Het Hof heeft het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 9] in het arrest afgewezen en daartoe overwogen (p. 14):
‘Voorwaardelijk verzoek
De raadsvrouw heeft verzocht, in geval van bewezenverklaring van de hoeveelheden munten die in Engeland bij [getuige 9] en bij [getuige 7] en [getuige 8] zijn aangetroffen, deze personen als getuige te horen. Dat verzoek wordt afgewezen reeds omdat de genoemde personen geen de verdachte belastende verklaring hebben afgelegd (die in het vonnis als bewijs is gebezigd). De verdachte wordt hierdoor niet in enig te respecteren belang geschaad.’
I.4
Ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten, voor zover betrekking hebbend op de 450.00 Britse 1 pond muntstukken (die onder [getuige 9] in beslag zijn genomen) heeft het Hof — voor zover hier van belang — overwogen (arrest, p. 7–12, met weglating van voetnoten):
1.3.5. Eerdere inbeslagname Britse 1 pond muntstukken in het Verenigd Koninkrijk op 13 december 2012 en 30 juli 2013
Vrachtwagen [getuige 9] [d-plaats], Verenigd Koninkrijk
Uit informatie van de Britse opsporingsautoriteiten blijkt dat op 13 december 2012 in [d-plaats], Verenigd Koninkrijk, in een door [getuige 9] bestuurder vrachtauto een partij met 450.000 valse Britse 1-pondmuntstukken in beslag is genomen. De munten zaten in 18 vaten, geplaatst op drie pallets. Bovenop de munten zat steeds een 5 centimeter dikke laag van metalen ringen.
Op of omstreeks 5 december 2012 is [getuige 9] benaderd door een zakencontact, een persoon die werkt voor ECM. Deze persoon vroeg hem de volgende week een lading op te halen in [a-plaats]. Op 12 december 2012 is [getuige 9] naar aanleiding van via sms ontvangen aanwijzingen naar het Shell service station op het adres [b-straat 01] te [a-plaats] gereden. Daar heeft hij een man ontmoet, die bij hem in de vrachtwagen heeft plaatsgenomen. Vanaf het Shell service station is de auto ongeveer 5 kilometer noordwest gereden in de richting van de [c-straat]. De vrachtwagen heeft op 12 december 2012 van 10:25 uur tot 12:40 uur stilgestaan in de buurt van de [c-straat].
Bij een loods op een bedrijventerrein, in de buurt van een fabriek, laadde de man die bij hem in de vrachtwagen was ingestapt, met een vorkheftruck drie pallets in de trailer van [getuige 9]. Uit onderzoek van de FIOD volgt dat de [a-straat] naast de [c-straat] ligt en dat de afstand tussen [b-straat 01] te [a-plaats] en de loods waarin ECM is gevestigd 4,5 kilometer is.
Onder de goederen die [betrokkene 2] voor [verdachte] bewaarde, bevonden zich in een boodschappentas 14 mobiele telefoons ([betrokkene 2] heeft verklaard dat de zaken die bij hem zijn aangetroffen, aan [verdachte] toebehoren en [verdachte] heeft dit ter zitting in hoger beroep bevestigd. In één van deze telefoons (met imei-nummer eindigend op [nummer]) is een sms-conversatie aangetroffen, waarin op 11 december 2012 door een Engels telefoonnummer het telefoonnummer van [getuige 9] is gegeven. Op 14 december 2012 heeft het toestel met imei-nummer eindigend op [nummer] een bericht ontvangen waarin wordt gesproken over problemen op de dag ervoor. Dat de douane zijn computer en telefoons heeft en dat ze gaan onderzoeken waar hij heeft geladen. Voorgesteld wordt om alles te wissen.
Op de beschreven notitieblaadjes die [verdachte] in de woning van [betrokkene 2] heeft achtergelaten wordt het getal 450.000 genoemd en ook een datum in december 2012.
(…)
1.3.6. Onderzoek in beslag genomen Britse 1 pond muntstukken
Een deel van de Britse 1 pond muntstukken en stempels die op de genoemde locaties in beslag zijn genomen is door de FIOD voorzien van een SIN nummer en aangeleverd bij het NFI.
[betrokkene 3], NFI-deskundige, heeft een forensisch onderzoek verricht naar de Britse 1 pond muntstukken en stempels die op de diverse locaties in beslag zijn genomen.
(…)
Daarbij blijkt uit het onderzoek nog het volgende.
Uit het onderzoek naar jaargang 2004 blijkt dat de matrijsstempel aangetroffen op de locatie [f-straat] te herleiden is naar alle onderzochte munten jaargang 2004 die werden aangetroffen:
(…)
- •
te [d-plaats];
(…)
De onderzochte gebruikte en ongebruikte werkstempels op de [a-straat], kunnen worden herleid naar de matrijsstempel ([f-straat]).
De onderzochte en ongebruikte werkstempels op de [a-straat], kunnen worden herleid naar de matrijsstempel ([f-straat]).
(…)
In het onderzoek naar jaargang 2006 is onder meer te lezen dat in de loods aan de [a-straat] aangetroffen werkstempels zijn te herleiden naar de onderzochte munten aangetroffen:
(…)
- •
te [d-plaats];
(…)
Het hof stelt op basis van de bevindingen van de deskundige [betrokkene 3] vast dat de onderzochte munten die in beslag zijn genomen (…) te [d-plaats] onder [getuige 9] (…) vals zijn en zijn te herleiden naar de stempels aangetroffen in de loods aan de [a-straat] en/of de matrijsstempel in de woning van [betrokkene 2], waarbij laatstgenoemde mattrijsstempel weer is te herleiden naar de werkstempels op de [a-straat].
(…)
Voor de lading munten die in december 2012 is onderschept in [d-plaats], de lading van [getuige 9], acht het hof bewezen dat deze afkomstig is van de productie op de [a-straat] in [a-plaats], evenals voor de munten die bij [getuige 7] en [getuige 8] zijn aangetroffen in Dover, nu de bij hen aangetroffen munten op basis van onderzoek zijn te herleiden tot de valse stempels die zijn gebruikt op de [a-straat] in [a-plaats] en alle drie de betrokkenen ook voorafgaand aan hun aankomst in Groot-Brittannië, zijn te plaatsen in [a-plaats]. Daarbij is (de levering aan) [getuige 9] bovendien blijkens de hiervoor weergegeven redengevende feiten en omstandigheden te linken aan [verdachte], gelet op aangetroffen sms-berichten op enkele van de telefoons die door [verdachte] aan [betrokkene 2] in bewaring zijn gegeven, in welke sms-berichten in de periode rondom het onderschepte transport van [getuige 9] in december 2012 het telefoonnummer van [getuige 9] wordt doorgegeven en wordt gesproken over onderzoek door de douane.
I.5
Het verzoek van requirant's raadsvrouw ter terechtzitting van het Hof tot het horen van de getuige [getuige 9] is een verzoek ex artt. 328 en 331 lid 1 Sv aan het Hof om gebruik te maken van zijn bevoegdheid van art. 315 lid 1 Sv. De beoordelingsmaatstaf voor het Hof is of het verhoor van deze getuige noodzakelijk is te achten (o.a. HR 01 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496).
I.6
Het Hof heeft evenwel overwogen dat het verzoek wordt afgewezen omdat de genoemde persoon geen requirant belastende verklaring heeft afgelegd (die in het vonnis [bedoeld zal zijn arrest; EM] als bewijs is gebezigd) zodat requirant hierdoor niet in enig te respecteren belang is geschaad. Daarmee lijkt het Hof het verzoek van requirant's raadsvrouw te hebben opgevat als een verzoek tot het horen van een Post-Keskin-getuige (o.a. HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1280). Dat is evenwel niet het geval. De raadsvrouw heeft immers onder meer aan het verzoek ten grondslag gelegd dat zij de getuige met een foto van requirant zou willen confronteren om hem dan te vragen of requirant betrokken was bij de overdracht van de valse Britse 1 pond muntstukken. De raadsvrouw heeft dus niet aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat het hier een getuige betreft die in een eerder stadium verklaringen met een belastende strekking hebben afgelegd die voor het bewijs zouden kunnen worden gebruikt en ten aanzien van wie het ondervragingsrecht nog niet kon worden uitgeoefend.
Met de overweging dat het verzoek om de getuigen [getuige 9] te horen moeten worden afgewezen omdat hij geen belastende verklaringen heeft afgelegd die in het arrest tot het bewijs zijn gebruikt, heeft het Hof een onjuiste, te beperkte, maatstaf aangelegd.
1.7
Het verzoek van requirant's raadsvrouw is dus aan te merken als een ‘normaal’ verzoek op basis van artt. 328 en 331 lid 1 Sv jo. 315 lid 1 Sv. Requirant's raadsvrouw heeft het verzoek bovendien, zoals door uw Raad in deze situatie wordt geëist, gemotiveerd (vgl. HR 04 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, r.o. 3.6).
I.8
De afwijzing van het verzoek om de getuige [getuige 9] als getuige te horen is niet zonder meer begrijpelijk te achten. Anders dan in de periode van de observaties van de loods aan de [a-straat 01] te [a-plaats] van juni-november 2013, zijn omstreeks de onderschepping van de valse Britse 1 pond muntstukken bij [getuige 9] in eerste helft van december 2012 geen visuele waarnemingen gedaan. In dit licht beschouwd, is het verzoek van requirant's raadsvrouw om de getuige [getuige 9] te horen en de reden die daaraan ten grondslag is gelegd, alleszins begrijpelijk te achten.
I.9
Het Hof heeft een juridisch relevante relatie tussen requirant en de overdracht van valse Britse 1 pond muntstukken aan [getuige 9] mede gebaseerd op de omstandigheid dat op 05 november 2013 in een tas, die in de woning van [betrokkene 2] is aangetroffen, een mobiele telefoon (met imei-nummer eindigend op [nummer]) is aangetroffen waarmee communicatie heeft plaatsgevonden over [getuige 9]. Het Hof heeft daaromtrent overwogen dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat (o.a.) die mobiele telefoon aan requirant toebehoorde en dat requirant dit op de terechtzitting van 21 april 2023 heeft bevestigd (arrest, p. 7–8). Anders dan het Hof, kan ondergetekende uit de verklaring van requirant op die terechtzitting als getuige in de zaak van [naam] (p. 3), die hij tijdens zijn verhoor als verdachte in zijn eigen zaak heeft bevestigd (p. 6), niet opmaken dat requirant zou hebben bevestigd dat de betreffende mobiele telefoon aan hem zou toebehoren. De verklaring van requirant ter terechtzitting van het Hof van 21 april 2023 waaraan het Hof refereert luidt immers: ‘Het klopt dat ik in de woning van [betrokkene 2] een plastic tas van Albert Heijn met als inhoud Britse ponden en stempels heb achtergelaten.’
I.10
Hoewel dit punt niet de toereikendheid van de bewijsvoering in zijn geheel zal raken, is het wel van belang te achten voor het verzoek van requirant's raadsvrouw om [getuige 9] als getuige te horen. Zonder deugdelijke vaststelling dat requirant de mobiele telefoon met imei-nummer eindigend op [nummer] feitelijk heeft gebruikt voor de door het Hof bedoelde communicatie over [getuige 9], resteert immers in essentie de vaststelling van het Hof dat de onder [getuige 9] in beslag genomen munten zijn te herleiden tot de stempels die zijn gebruikt in de loods aan de [a-straat] in [a-plaats]. Dat betreft echter wel een periode, zoals gesteld, dat er nog geen observaties plaatsvonden en requirant dus ook niet is waargenomen door opsporingsambtenaren. Vandaar dat het verzoek van requirant's raadsvrouw om [getuige 9] als getuige te horen (en hem te confronteren met een foto van requirant) noodzakelijk is te achten.
I.11
Omdat het Hof het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 9] op ontoereikende gronden heeft afgewezen, kan de bestreden beslissing niet in stand blijven (vgl. HR 10 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1410).
Maastricht, 24 november 2023
E. Maessen
advocaat