Achtergestelde vorderingen (O&R)
Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/6.2.1:6.2.1 Inleiding
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/6.2.1
6.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186495:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Sieburgh 6-I 2016/244 en HR 3 oktober 1980, NJ 1981/60 (Ontvanger/Schriks q.q.).
Zie over de uitleg van achterstellingsovereenkomsten algemener hoofdstuk 4.
Een vordering kan in theorie ook beide bevatten, vgl. Stolz 2015, p. 501.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
301. Om de rechtsgevolgen van een achterstellingsovereenkomst te bepalen moet eerst worden vastgesteld welke rechtsfiguren die bevat. Dat kan verschil maken voor de gevolgen van de achterstelling. Voorwaardelijke vorderingen worden bijvoorbeeld in faillissement anders behandeld dan niet-opeisbare vorderingen.
Zowel tijdsbepalingen als opschortende voorwaarden geven vorm aan de juniorvordering die de junior tegen de schuldenaar kan inroepen. Daarom kunnen tijdsbepalingen en voorwaarden alleen aan de juniorvordering worden verbonden in een overeenkomst waar op zijn minst de junior en de schuldenaar partij bij zijn.1 De senior kan daar ook partij bij zijn.
Als de schuldenaar en de junior partij zijn bij de overeenkomst van achterstelling kan die een opschortende voorwaarde bevatten, maar ook een tijdsbepaling. Overeenkomsten van achterstelling bepalen niet vaak expliciet welke figuur die bevatten. Bovendien kan zowel een voorwaarde als een tijdsbepaling impliciet worden overeengekomen.2 Of de achterstellingsovereenkomst überhaupt een tijdsbepaling of voorwaarde verbindt aan de juniorvordering hangt dus samen met de uitleg van die overeenkomst en met de aard van die rechtsfiguren. De uitleg hangt af van de omstandigheden van het concrete geval.3
In deze paragraaf wordt aangenomen dat de achterstellingsovereenkomst aan de juniorvordering ofwel een tijdsbepaling ofwel een voorwaarde verbindt.4 Om vast te kunnen stellen om welke van de twee het gaat wordt hieronder het onderscheid tussen vorderingen onder tijdsbepaling en voorwaardelijke vorderingen uiteengezet. In paragraaf 6.2.5 wordt uit deze algemene beschouwingen een vuistregel afgeleid voor oneigenlijk achtergestelde vorderingen.