Achtergestelde vorderingen (O&R)
Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/6.2.4:6.2.4 Partijbedoeling
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/6.2.4
6.2.4 Partijbedoeling
Documentgegevens:
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186649:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 21 juni 1918, NJ 1918/790 (Rohatin/Van den Muysenberg). Vgl. ook HR 30 september 2016, JOR 2016/354 (Schonk-Hooghuis/Bijlhout), r.o. 3.6.2.
TM, Parl. Gesch. BW Boek 6 p. 170.
Vgl. Hofmann/Van Opstall 1976, p. 364.
HR 30 september 2016, JOR 2016/354 (Schonk-Hooghuis/Bijlhout), r.o. 3.6.2 en Hof ‘s-Gravenhage 28 maart 1958, NJ 1959/228 (De Vries/Leinhas).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
304. Voor de vraag of een verbintenis als voorwaardelijke verbintenis of als verbintenis onder opschortende tijdsbepaling heeft te gelden is de bedoeling van partijen doorslaggevend. In het arrest Rohatin/Van den Muysenberg overwoog de Hoge Raad:
“dat, ook wanneer partijen de nakoming van een verbintenis hebben afhankelijk gesteld van een toekomstig feit, dat uit zijn aard onzeker is, het mogelijk is, dat zij desniettemin in een bepaald geval dit onzeker feit enkel als tijdsbepaling hebben bedoeld, uitgaande van de veronderstelling, dat het stellig zal voorvallen en het als zeker denkende, zoodat indien het niet mocht plaats grijpen, de verbintenis daardoor niet zou komen te vervallen maar het tijdstip der opeischbaarheid, overeenkomstig het beginsel van art. 1374 B.W. derde lid [huidig art. 6:248 lid 1 BW, NP], zou moeten worden vastgesteld.”1
Ook de Toelichting Meijers acht de partijbedoeling beslissend:
“Hebben partijen bepaald, dat nagekomen zal worden na het plaatsvinden van een toekomstige gebeurtenis (b.v. het meerderjarig worden van A), dan kan het twijfelachtig zijn of men met een voorwaardelijke verbintenis dan wel met een verbintenis onder tijdsbepaling te doen heeft. De bedoeling van partijen is beslissend; bedoelden zij dat de verbintenis in ieder geval zou worden nagekomen, dan is de verbintenis onvoorwaardelijk.”2
Bij de vaststelling of partijen een tijdsbepaling of een voorwaarde overeen zijn gekomen moet dus op twee dingen worden gelet. Ten eerste, hoe zeker waren partijen dat de toekomstige gebeurtenis ooit plaats zou gaan vinden? Ten tweede, hebben partijen bedoeld dat bij het uitblijven van de toekomstige gebeurtenis de verbintenis toch nagekomen moest worden?3 De Hoge Raad ziet het betreffende beding als een tijdsbepaling als partijen zeker waren dat de relevante gebeurtenis ooit plaats zou gaan vinden en niet hebben bedoeld dat bij het uitblijven daarvan de verbintenis ook niet nagekomen hoefde te worden. In dat geval kan het uitblijven van de gebeurtenis worden opgelost door op basis van de redelijkheid en billijkheid een ander tijdstip voor nakoming vast te stellen.4