Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/5.5.7
5.5.7 De onderhandelingen
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS384951:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Met betrekking tot de indentieke bepaling in het SEBG Henssler (2013), p. 817 (§ 13, Rn. 2).
Met betrekking tot de identieke bepaling in het SEBG Henssler (2013), p. 827 (§ 17, Rn. 2); Freis (2009), p. 169 (§ 17, Rn. 3).
Zie de toelichting bij de identieke bepaling in het SEBG, BT-Drucksache 438/04 ((Begründung), p. 124. Habersack (2013), p. 874 (§ 34, Rn. 4) plaatst bij de wijze van implementeren vraagtekens. Volgens hem was de Europese wetgever zich bewust van de concernmedezeggenschap en zijn de werknemers van dochtervennootschappen doelgericht niet relevant geacht voor het percentage. Ik onderschrijf zijn standpunt niet (vgl. hoofdstuk 6.2.6.1).
BT-Drucksache 16/2922 ((Begründung), p. 25. In gelijke zin Behrens (2007), p. 186 en 200.
BT-Drucksache 540/06 (Beschluss Bundesrates), p. 3.
BT-Drucksache 16/3320 (Ausschussbericht und Beschlussempfehlung des Bundestag), p. 1-2.
Anders Habersack (2007), p. 640.
De onderhandelingsprocedure is neergelegd in de §§ 14 - 21 MgVG. Tijdens de onderhandelingen moeten beide partijen in goed vertrouwen met elkaar samenwerken (§ 15 Abs. 1 Satz 2 MgVG). De Duitse wetgever heeft het vage beginsel van de goede trouw geïmplementeerd naar vormgeving van het BetrVG. Dit houdt naar Duitse medezeggenschapsrecht in dat zowel de BOG als de deelnemende vennootschappen zich bij geschillen dienen in te zetten om tot een vergelijk te komen. De bepaling omvat geen plicht tot (door)onderhandelen of tot het komen van een overeenkomst. Wel is de vennootschap gehouden de BOG alle benodigde informatie en documenten over te leggen, met als doel van de BOG een gelijkwaardige onderhandelingspartner te maken.1
De onderhandelingen starten uiterlijk na tien weken nadat de werknemersvertegenwoordigers de benodigde informatie hebben ontvangen om te komen tot samenstelling van de BOG. De eerste vergadering vangt aan op initiatief van de besturen van de deelnemende vennootschappen. Deze vergadering kenmerkt de start van de onderhandelingstermijn (§ 21 MgVG). Dit is niet anders indien de BOG op dat moment nog niet voltallig is. Werknemers die (nog) geen BOG-lid hebben gekozen, gelden bij stemmingen binnen de BOG als niet vertegenwoordigd (§ 17 Abs. 1 MgVG). Op de eerste vergadering kiest de BOG uit haar midden de voorzitter en diens vervanger. De voorzitter heeft tijdens de onderhandelingsprocedure een aantal bevoegdheden. Hij kan de BOG bijeenroepen (§ 14 Abs. 2 MgVG). Ook ondertekent hij met een ander lid een aantal besluiten namens de BOG, zoals het besluit akkoord te gaan met een overeenkomst, het besluit af te zien van (verdere) onderhandelingen, alsmede de meerderheid waarmee beide besluiten zijn genomen (§ 19 MgVG). De Duitse wetgever tracht op deze wijze geschillen over de inhoud van verstrekkende besluiten te voorkomen. Deze aanvulling op de Tiende Richtlijn is toegestaan, nu een foutieve of ontbrekende verklaring niet leidt tot de nietigheid dan wel vernietigbaarheid van het besluit.2
Het besluit van de BOG om de onderhandelingen niet aan te gaan of de lopende onderhandelingen af te breken, vereist een dubbele gekwalificeerde meerderheid (§ 16 Abs. 1 MgVG). Dit geldt ook indien de BOG bij overeenkomst besluit tot een inperking van medezeggenschap en ten minste 25% van het totale aantal werknemers van de deelnemende vennootschappen recht heeft op enige vorm van medezeggenschap (§ 17 Abs. 3 en 4 MgVG). Voor het percentage van 25% zijn ook de werknemers van dochtervennootschappen relevant. De Duitse wetgever rechtvaardigt deze keuze met verwijzing naar het doel van de Tiende Richtlijn en het feit dat het Duitse medezeggenschapsrecht werknemers van dochtervennootschappen onder omstandigheden betrekt bij de medezeggenschap in de moedervennootschap.3 Opmerkelijk is de definiëring van het begrip ‘inperking’. Naast een procentuele vermindering van het aantal leden waarop de medezeggenschap betrekking heeft, verstaat § 17 Abs. 4 Nr. 2 MgVG onder inperking eveneens ‘das Recht (der Arbeitnehmer: FL), Mitglieder in das Aufsichts- oder Verwaltungsorgan zu wählen, zu bestellen, zu empfehlen oder abzulehnen, beseitigt oder eingeschränkt wird’. De memorie van toelichting maakt duidelijk dat gedacht is aan de situatie dat het benoemingsrecht van de Duitse werknemers door een indirect keuzerecht (via gedelegeerden) of een aanbevelingsrecht wordt vervangen.4 Met andere woorden: ook een kwalitatieve verslechtering van medezeggenschap valt onder het Duitse begrip inperking. Deze invulling wijkt af van de Tiende Richtlijn die met verwijzing naar art. 3 lid 4 laatste alinea SE-Richtlijn bij een inperking van een kwantitatieve benadering uitgaat. De Bundesrat heeft dit punt bij de eerste lezing van het wetsvoorstel aan de orde gesteld.5 Het wetsontwerp is echter ongewijzigd door de Bundestag aangenomen.6 Nu de Duitse wetgever bewust tot bovengenoemde formulering is gekomen, acht ik een richtlijnconforme interpretatie uitgesloten.7