Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.5.2:12.5.2 Motivering op het niveau van de getuigenverklaring
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.5.2
12.5.2 Motivering op het niveau van de getuigenverklaring
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit is bijvoorbeeld wel het geval bij verweren die zien op de betrouwbaarheid van deskundigenverklaringen, waarbij de rechter een aantal criteria dient langs te lopen. Dit betreft de zogenaamde schoenmakerscriteria neergelegd in het Schoenmakersarrest (HR 27 januari 1998, NJ 1998, 404).
Verheij 2011, p. 211.
Verheij 2011, p. 211.
Wevers 2012, p. 56-57.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat betreft de motivering op het niveau van de getuigenverklaring: rechters hoeven in beginsel niet uitdrukkelijk stil te staan bij de betrouwbaarheid van de door hen gebruikte getuigenverklaring(en). Uit het feit dat de rechter de desbetreffende verklaring heeft gebruikt, kan de lezer afleiden dat de rechter deze betrouwbaar heeft bevonden. Immers, alleen materiaal dat door de rechter als betrouwbaar is aangemerkt, mag ten grondslag aan de bewezenverklaring worden gelegd. Een nadere motivering is slechts vereist indien de verdediging de geloofwaardigheid van de gebezigde getuigenverklaring uitdrukkelijk heeft betwist (door het innemen van ‘een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’) én de rechter besluit de verklaring toch voor het bewijs te gebruiken. Met andere woorden, of er in het vonnis een toelichting valt terug te lezen op het gebruik van de getuigenverklaring voor het bewijs, is afhankelijk van de gevoerde verweren.
De wijze waarop op verweren omtrent de geloofwaardigheid/betrouwbaarheid van getuigenverklaringen dient te worden gerespondeerd en welke aspecten daarin dienen te worden belicht, is niet nader genormeerd.1 Zoals reeds eerder in dit hoofdstuk is opgemerkt, komt datgene wat rechters opschrijven omtrent de betrouwbaarheid in de praktijk niet in alle gevallen overeen met hun daadwerkelijke overwegingen. Rechters houden er rekening mee dat hun uitspraken kunnen worden gelezen door personen wiens verklaring als onbetrouwbaar zijn beoordeeld en dat zij er in hun oordeel over de verklaring mogelijk naast kunnen zitten.
Vanuit de praktijk is naar voren gebracht dat de beslissing om een getuigenverklaring al dan niet betrouwbaar te achten, zich ook niet in alle opzichten laat rationaliseren. Zo stelt Verheij, president van het Gerechtshof Amsterdam:
‘Veel rechters zullen met mij de ervaring hebben dat het in een aantal gevallen moeilijk is om de overtuiging dat een getuige (on)betrouwbaar is goed onder woorden te brengen (te rationaliseren). Niet voor niets wordt dat ook maar in beperkte mate van de feitenrechter gevraagd.’2
De vraag is of een beoordeling van de betrouwbaarheid/geloofwaardigheid niet altijd op rationele argumenten zou moeten berusten. Verheij lijkt deze vraag ontkennend te beantwoorden. Hij verwijst daarbij op het boek Het slimme onderbewuste van Dijksterhuis, waarin naar voren komt dat bewuste beslissingen niet altijd beter zijn dan onbewuste beslissingen en dat vaak achteraf rationalisering wordt gegeven terwijl dit met de feitelijke beslissing weinig te maken heeft.3 Dit is echter maar een deel van het verhaal. Uit onderzoek blijkt inderdaad dat het onbewuste een grote rol speelt bij het nemen van beslissingen. Het onbewuste kan grote hoeveelheden informatie tegelijkertijd verwerken omdat het een heel grote capaciteit heeft en relatief weinig aandacht vraagt, maar het onbewuste is ook gevoelig voor vertekening doordat ‘het onbewuste niet goed in staat is irrelevante informatie buiten beschouwing te laten’.4
Voorts moet worden opgemerkt dat betrouwbaarheidsproblemen in het vonnis niet altijd worden geëxpliciteerd, omdat rechters deze problemen soms op andere wijze trachten op te lossen. Soms is het makkelijker om in het vonnis een verklaring niet te gebruiken dan om expliciet aan te geven waarom een verklaring betrouwbaar wordt bevonden. Immers, een motivering is alleen vereist op het moment dat de getuigenverklaring ook als bewijsmiddel is gebruikt. Op deze manier kan in het vonnis worden omzeild om een expliciet standpunt in te nemen, terwijl deze problematiek bij de beslissing in raadkamer wel een rol heeft gespeeld en de verklaring mogelijk (onbewust) wel heeft meegespeeld in het vormen van de rechterlijke overtuiging. Een dergelijke ‘oplossing’ kan echter alleen worden gebruikt als er naast de betwiste getuigenverklaring voldoende ander bewijs voorhanden is om een bewezenverklaring op te doen steunen.