Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/7.3.3
7.3.3 Liquidatie vennootschap
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS455358:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Aangezien in de systematiek van de oude aanmerkelijkbelangregeling cumulatie van belastingheffing kon plaatsvinden tussen de bron 'inkomsten uit vermogen' en de aanmerkelijkbelangheffing die in het verleden bij rechtsvoorgangers van de belastingplichtige had plaatsgevonden, voorzag art. 59 (oud) Wet IB in een afzonderlijke reductieregeling bij liquidatie van de vennootschap. Het verschil tussen de verkrijgingsprijs en het (lagere) gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal kon voor 20% in mindering worden gebracht op de over de liquidatie-uitkering verschuldigde inkomstenbelasting. In de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling is deze bijzondere belastingreductieregeling komen te vervallen.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 47-48.
Uiteraard is wel behoefte aan het dichten van het algemene sfeerovergangslek als aanmerkelijkbelangaandelen in het vermogen van een onderneming worden gebracht. Zie onderdeel 7.3.7 hierna.
Liquidatie van de vennootschap is geen vervreemding in de zin van de hoofdregel van art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB. Door de liquidatie doet de aandeelhouder immers geen rechten uit zijn vermogen overgaan in dat van een ander. Om dan toch tot belastingheffing te geraken op grond van de categorie vervreemdingsvoordelen van de bron winst uit aanmerkelijk belang, is in art. 20a, zesde lid, onderdeel c, Wet IB het betaalbaar stellen van liquidatie-uitkeringen uitdrukkelijk aangemerkt als een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling. Onder het tot 1 januari 1997 geldende regime - voor niet-aanmerkelijkbelanghouders geldt dit overigens nog steeds - werd liquidatie van de vennootschap niet aangemerkt als winst uit aanmerkelijk belang doch als inkomsten uit vermogen voor het verschil tussen de liquidatie-uitkering(en) en het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal.1 In het nieuwe aanmerkelijkbelangregime is de liquidatie van de vennootschap overgebracht van de met de inkomsten uit vermogen corresponderende categorie reguliere voordelen naar de categorie vervreemdingsvoordelen. Hiertoe is in art. 20a, zesde lid, onderdeel c, Wet IB het betaalbaar stellen van liquidatie-uitkeringen uitdrukkelijk onder het vervreemdingsbegrip gebracht. Dit betekent dat voor de belastingheffing niet langer het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal relevant is doch de (subjectieve) verkrijgingsprijs. De ten opzichte van art. 25, eerste lid, onderdeel e, Wet IB gewijzigde terminologie - het betaalbaar stellen van liquidatie-uitkeringen in plaats van hetgeen bij liquidatie op aandelen worden uitgekeerd - hangt samen met het feit dat liquidatie van de vennootschap een geruime tijd in beslag kan nemen en de liquidatie-uitkering niet in één keer behoeft te zijn uitgekeerd. Vaak zal er sprake zijn van verschillende uitkeringen in de tijd. De belastingheffing houdt hiermee rekening door de liquidatie-uitkeringen naar de mate waarin zij plaatsvinden in de belastingheffing te betrekken (art. 20c, vijftiende lid, Wet IB, zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.4.2.2). Om ter zake van elke liquidatie-uitkering tot aanmerkelijkbelangheffing te kunnen overgaan, is het betaalbaar stellen van elke afzonderlijke liquidatie-uitkering als een vervreemding aangemerkt.2
Dit betekent tevens dat de bijzondere bepaling van art. 31, derde lid, Wet IB, t.w. de vervreemding van aandelen in het zicht van liquidatie van de vennootschap aan een ander dan een binnenlandse belastingplichtige particulier, niet langer noodzakelijk is voor aanmerkelijkbelangaandelen. Deze bijzondere bepaling heeft als achtergrond te voorkomen dat de liquidatieheffing van art. 25, eerste lid, onderdeel e, Wet IB wordt ontlopen door de aandelen een zekere tijd vóór de liquidatie van de vennootschap uit de particuliere sfeer te doen overgaan naar het buitenland resp. de winstsfeer (zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.4.2). Onder de oude aanmerkelijkbelangregeling kon op deze wijze worden gepoogd om naar hoog bijzonder tarief belast inkomen - het liquidatiedividend - te transformeren in niet (buiten de sfeer van het aanmerkelijk belang) dan wel naar laag bijzonder tarief (in geval van een aanmerkelijk belang) belaste vervreemdingswinst. Aangezien onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling zowel de reguliere voordelen als de vervreemdingsvoordelen naar hetzelfde tarief van 25% worden belast, is in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling aan een met art. 31, derde lid, Wet IB vergelijkbare regeling niet langer behoefte. Iets soortgelijks geldt voor de bijzondere regeling van art. 31, vierde lid, Wet IB ingevolge welke bepaling de inbreng van aandelen in het vermogen van een onderneming in het zicht van liquidatie van de vennootschap eveneens wordt belast als inkomst uit vermogen. In de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling is ook aan een dergelijke regeling niet langer behoefte.3