De exhibitieplicht
Einde inhoudsopgave
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/15.1:15.1 Het nieuwe evenwicht
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/15.1
15.1 Het nieuwe evenwicht
Documentgegevens:
mr. J. Ekelmans, datum 02-12-2010
- Datum
02-12-2010
- Auteur
mr. J. Ekelmans
- JCDI
JCDI:ADS378316:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag hoeveel informatie verstrekt moet worden is een vraag van alle tijden. Verschillend is slechts de beantwoording van die vraag. Evenzeer als thans werd die vraag immers onder meer gesteld ter gelegenheid van de totstandkoming van het BW in 1838 én ter gelegenheid van een voorziene herziening van het burgerlijk procesrecht in 1920. Anders dan in 1838, na 1920 en geruime tijd nadien wordt de vraag hoeveel informatie verstrekt moet worden bij ons inmiddels van een ruimhartig antwoord voorzien.
De basis van de uitbreiding van de exhibitieplicht is nauwelijks de tekst van de wet of de parlementaire geschiedenis. Doordat de exhibitieplicht niet in het centrum van de belangstelling stond, zijn zowel de wetgeving als de parlementaire geschiedenis een ondergeschoven kindje gebleken en is de tekst van de wet cryptisch en de parlementaire geschiedenis krakkemikkig. Nagenoeg telkens wanneer de wetgever regels over de exhibitieplicht vaststelde, liet hij dan ook steken vallen, doordat onderwerpen ondoordacht of niet geregeld werden. Dat gold, chronologisch, bijvoorbeeld bij de onduidelijke verwoording van het begrip gemene titel in de 19e eeuw, het nodeloos opnemen van aparte regelingen voor het opvragen van bescheiden in en buiten het geding, het nodeloos opnemen van de regeling voor verloren gegane bewijsmiddelen in 1953, het in 1992 toepasselijk verklaren van art. 843a Rv op onderhandse akten in plaats van bescheiden, het niet doordenken van de omschrijving op welke bescheiden de bepaling toepasselijk zou moeten zijn, het doen van ondoordachte uitlatingen of bescheiden in én buiten het geding opgevraagd zouden kunnen worden, het treffen van regelingen voor het door de rechter opvragen van bescheiden die los stonden van het bewijsrecht en het in 2002 ondoordacht aangeven dat bewijs in beginsel steeds met andere bewijsmiddelen geleverd zou moeten worden.
De basis van de ontwikkeling van de exhibitieplicht ligt dan ook niet bij de wetgever, maar in de rechtspraktijk die de ketenen van de zwakke wetsgeschiedenis van art. 843a Rv heeft afgeworpen en zich zelfstandig een weg heeft gezocht bij het invullen en uitwerken van de exhibitieplicht. De barrières tot toegang tot informatie zijn daarbij geslecht in een natuurlijke chronologie die gelijkenis vertoont met hetgeen in de VS is gebeurd. Die natuurlijke chronologie bestaat daaruit dat aansluiting wordt gezocht bij hetgeen voor andere bewijsmiddelen geldt waardoor de reikwijdte van de exhibitieplicht vergroot en de toegangsdrempels verlaagd worden. Wanneer die barrières eenmaal geslecht zijn, moet de vraag onder ogen gezien worden wanneer informatie met een beroep op vertrouwelijkheid geweigerd kan worden en volgt als vanzelf hoe de energie gestoken in bewijslevering in verhouding tot mogelijke opbrengst kan worden gehouden. Die thematiek wordt nu eenmaal meer prangend wanneer de mogelijkheden om informatie te vergaren groter worden.
Nadat wij eenmaal ontvankelijk werden voor de mogelijkheid om meer aanspraak op bescheiden te maken, zijn thema's die in de VS pas na verloop van soms tientallen jaren aan de orde kwamen, hier in veel kortere tijd de revue gepasseerd. Terwijl de eerste uitbreiding van de exhibitieplicht in de VS pas na circa 10 jaar vastgelegd werd, de aansluiting bij de regeling voor de overige bewijsmiddelen pas na circa 30 jaar werd vastgelegd, de proportionaliteitstoets pas na circa 40 jaar in de regeling terecht kwam en de spontane verstrekking na circa 50 jaar aan het firmanent verscheen, zijn al deze thema's bij ons vooral in de periode van (ruim na) 2002 langsgekomen. Het onder ogen zien van deze vragen én het in de praktijk werken met de beantwoording van deze vragen, heeft er toe geleid dat de exhibitieplicht tot wasdom is gekomen zoals in de vorige hoofdstukken uiteen is gezet.