Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/II.1
II.1 Inleiding
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178889:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dat ligt anders als de beslissing van het bestuur een besluit met direct externe werking betreft, waarover § IV.2.
Dit voorbeeld is in de literatuur veelgebruikt; zie o.m. Asser/Kroeze 2-I* 2015/292.
Uiteraard kan een beslissing (die geen besluit is) wel aan de orde komen in een enquêteprocedure, kort geding of een (bestuurders)aansprakelijkheidsprocedure. Het verschil met art. 2:14/15 BW is dat de rechter in die procedures oordeelt binnen een ruimer kader. Hij beslist niet over het besluit sec, maar hij weegt de belangen of beziet de aanwezigheid van gegronde redenen, wanbeleid of een ernstig verwijt.
In § XI komt de dogmatisch interessante figuur van het royementsberoep uitvoerig aan bod.
Beslist het bestuur van een BV om een machine te kopen, dan is daarmee de machine nog niet gekocht. Na het nemen van deze ‘beslissing’ moet de BV tegenover de machinefabrikant worden vertegenwoordigd. Pas met de vertegenwoordiging komt de aankoop tot stand.1 Om die reden wordt wel gezegd dat de aankoopbeslissing van het bestuur op zichzelf geen verandering brengt in de rechtspositie van de BV.2 Die beslissing heeft zogezegd geen rechtsgevolg en is dus geen rechtshandeling.3 En omdat ze geen rechtshandeling is, valt de beslissing evenmin als besluit aan te merken. Zonder rechtsgevolg ligt dus geen besluit voor, maar slechts een ‘feitelijke’ beslissing. Tenslotte is elk besluit een rechtshandeling met rechtsgevolg.
Het voorgaande is de lijn zoals die in de meeste handboeken is te vinden. Beslissingen kunnen niet aan de rechter worden voorgelegd, besluiten wel. Want de rechter kan langs de weg van art. 2:14 en 2:15 BW slechts een besluit voor nietig houden of vernietigen. Een beslissing zonder rechtsgevolg blijft zo buiten het bereik van de rechter, althans van de rechter die over de (on)geldigheid van een besluit heeft te oordelen.4 Dat geldt bijvoorbeeld wanneer de algemene vergadering een bestuurder niet dechargeert of wanneer de raad van commissarissen een aan het bestuur gericht advies vaststelt. Beide beslissingen missen rechtsgevolg, want juridisch veranderen ze niets. Een ander voorbeeld is het geval waarin een verenigingslid opkomt tegen het besluit om hem te royeren. Als de beroepsinstantie het royement bekrachtigt, is dat denkelijk geen besluit. Het lid is en blijft geroyeerd.5
Kan en moet het anders? Om dat uit te maken, is een studie naar het besluit en de rechtshandeling vereist. Welk rechtsgevolg is nodig om een beslissing aan te merken als rechtshandeling en dus als besluit? En wat zijn de consequenties van de kwalificatie als rechtshandeling? Ik probeer de heersende leer te doordenken (§ 2). Vervolgens wend ik de steven naar België, Duitsland en het bestuursrecht. Ook die stelsels zien het besluit als rechtshandeling, maar – zo zal blijken – die kwalificatie heeft er andere gevolgen (§ 3). Met name de Duitse doctrine bevat de dogmatische vondsten die het in zich hebben het besluit te bevrijden van de beklemmende houdgreep van de rechtshandeling. Een lossere omhelzing tussen besluit en rechtshandeling volstaat (§ 4). Maar wat levert zo’n ruimer besluitbegrip op? Wat betekent het als meer beslissingen als besluit aanvechtbaar zijn? Aan het slot bezie ik de praktische gevolgen (§ 5).