De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/16.3.2.1:16.3.2.1 Wat onder "bekend is geworden" of "opeisbaarheid" moet worden verstaan, wordt niet nader aangeduid
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/16.3.2.1
16.3.2.1 Wat onder "bekend is geworden" of "opeisbaarheid" moet worden verstaan, wordt niet nader aangeduid
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS372578:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wij zien in de Nederlandse bepalingen uitsluitend staan dat het erom gaat wanneer de vordering "opeisbaar" is, en wanneer men met de feiten die de termijn doen aanvangen "bekend is geworden". Wat onder "opeisbaar" of "bekend is geworden" moet worden verstaan, wordt niet nader aangeduid.
In Duitsland is het een beetje anders, in Engeland totaal. Het Duitse artikel staat net als de Nederlandse artikelen op zichzelf. Het moment waarop "der Anspruch entstanden ist" wordt evenmin als de Nederlandse "opeisbaarheid" nader gedefinieerd. Ook het begrip "Kenntnis" wordt in de Duitse bepaling niet nader uitgewerkt, met die uitzondering dat daar wel, anders dan in Nederland, nader wordt bepaald dat het niet uitsluitend gaat om wat de crediteur wist, maar ook om wat hij "ohne grobe Fahrlssigkeit" had moeten weten.
In de draft Bill van de Law Commission worden de kernbegrippen wél verder gepreciseerd. Wat onder knowledge of the claimant moet worden verstaan — opeisbaarheid speelt in de Engelse bepaling geen rol — is in verschillende artikelen beschreven.
Voor welke benadering men kiest, lijkt mij in belangrijke mate een kwestie van wetgevingstraditie. Dat de Nederlandse bepaling meer in lijn met de Duitse dan met de Engelse is, verbaast in dat licht niet. De verjaringsregeling zou een FremdkOrper in het BW worden als wij in afwijking van de continentale traditie op Angelsaksische voet aan de kernbepaling een reeks definiërende bepalingen zouden toevoegen. In het bijzonder lijkt mij bovendien nadere bepaling van het begrip opeisbaarheid niet nodig, omdat de precieze betekenis daarvan ons dankzij de gelaagde structuur van het BW al bekend is — zie art. 6:38 BW.
Dat gezegd hebbende: de Engelse definiërende bepalingen over het begrip 'kennis' adresseren wél problemen waarover in Nederland herhaald tot aan de Hoge Raad geprocedeerd moest worden. Denk aan de vraag of kennis subjectief dan wel objectief moet worden opgevat1 en of kennis van het recht ook onder het begrip kennis valt.2 Ook worden vragen beantwoord die bij ons nog niet aan de orde zijn geweest, maar die naar alle waarschijnlijkheid nog wel aan de orde zullen komen. Te noemen is de vraag of een onderzoeksplicht bestaat.3 Het moet mogelijk zijn de oplossing van tenminste een aantal van die kwesties in de tekst van de wet tot uitdrukking te brengen, zonder wat hoeveelheid woorden betreft te vervallen in 'Angelsaksische toestanden'. Dat is in het BW ook niet zonder precedent; denk bijvoorbeeld aan art. 7:23 lid 1 BW, waar het erom gaat wat de koper heeft ontdekt, of "redelijkerwijs had behoren te ontdekken". Een subjectiverende formulering — mocht de wetgever daar de voorkeur aan geven — is eveneens te bedenken.
Dat de nieuw BW wetgever destijds niet preciezer is geweest, is misschien ook niet helemaal een kwestie van wetgevingstechniek. Wellicht speelt een rol dat de subjectieve termijn een nieuw concept was, en de wetgever zijn wenselijke uitleg nog onvoldoende kon overzien. De Engelsen hebben inmiddels langere ervaring met een subjectieve termijn. Een groot deel van de geciteerde bepalingen is codificatie van hun jurisprudentie. Zo zou het in Nederland ook kunnen gaan.