Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/17.8.6.1
17.8.6.1 Van Nederland naar Curaçao en terug?
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369779:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Eén van die methodes, een tijdelijke statutaire geschillenregeling, is reeds ter sprake gekomen in par. 13.5.9 en de andere, verkoop van de aandelen door de tijdelijke beheerder, in par. 17.8.5.
Zie p. 37 van de memorie van toelichting van 3 mei 2010 bij Landsverordening van de tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (Landsverordening herziening Boek 2 BW).
Art. 2:334cc BW.
A.F.J.A. Leijten, Lustrumbundel 1997, Vereniging voor effectenrecht, Serie Monografieën vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 58, Deventer: Kluwer 1997, p. 88.
Van Solinge, par. 7. Hij herhaalde dit standpunt in ‘Geschillen in de vennootschap’, inG. van Solinge e.a., Geschillen in de vennootschap, VHI-reeks nr. 105, Deventer: Kluwer 2010, par. 7. Instemmend ook Willems in dezelfde bundel, par. 6. Ook Veenstra (Diss., par. 4.6) pleit voor de codificatie van dit voorstel van Van Solinge en heeft dat procedureel meer handen en voeten gegeven. De procedurele hobbels die in het wetsvoorstel van Veenstra worden overwonnen, zijn volgens Schmieman (par. 4 t/m 6) reeds onder de huidige wettelijke regeling mogelijk.
Veenstra (Diss.), par. 4.6.
Schmieman, par. 4 t/m 6.
Art. 2:334cc lid 1 sub d BW.
Meer specifiek: het besluit tot splitsing kan worden genomen door een aandeelhoudersvergadering waarin de (doorslaggevende) meerderheid wordt gevormd door één of meer tijdelijke beheerders.
Art. 2:334f BW.
Zie art. 2:334u lid 1 sub c BW.
Art. 2:15 lid 1 sub b BW.
In par. 8.3.3.6 en 8.3.3.7 werd aangekondigd dat dit onderzoek drie methodes bespreekt om aandeelhouders definitief van elkaar te scheiden en uitgelegd waarom dat een goed idee is.1 Deze paragraaf bespreekt een methode die is ontleend aan het recht van Curaçao. Art. 2:283 sub d CBW noemt de juridische splitsing van de vennootschap als eindvoorziening. Deze voorziening komt in de plaats van het besluit tot splitsing. De overige bepalingen omtrent de splitsing moeten daarbij in acht worden genomen.2 Bij deze Curaçaose eindvoorziening zal met name gedacht zijn aan de zogeheten ruziesplitsing van art. 2:360 CBW. In het kader van zo’n splitsing worden ook de aandeelhouders gesplitst: de ene (groep) aandeelhouder(s) wordt dan aandeelhouder van de ene vennootschap en de andere van de anderen.
De ruziesplitsing is ook naar Nederlands recht mogelijk,3 maar is geen eindvoorziening. Het idee om een dergelijke eindvoorziening te introduceren, is echter wel uit de Nederlandse literatuur afkomstig. Leijten4 lanceerde dit idee en Van Solinge5 werkte het vervolgens uit. Veenstra6 pleit voor de codificatie van dit voorstel van Van Solinge en heeft dat meer handen en voeten gegeven. Veenstra richt zich met name op procedurele obstakels. Diezelfde procedurele obstakels worden in een ander verband door Schmieman7 besproken. Hij concludeert dat deze reeds onder de huidige wettelijke regeling zonder al te veel moeite kunnen worden overwonnen.
Leijten, Van Solinge en Veenstra pleiten voor de introductie van de ruziesplitsing als eindvoorziening, omdat een ruziesplitsing thans een aandeelhoudersbesluit vergt (waarbij een versterkt meerderheidsvereiste en quorum geldt).8 Hoewel Van Solinge de ruziesplitsing bij wijze van eindvoorziening zag als een alternatief voor tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer, trok hij niet de logische conclusie dat het vereiste aandeelhoudersbesluit kan worden genomen door een of meer tijdelijke beheerders.9 Hierna wordt deze mogelijkheid uitgewerkt.
Denkbaar is bijvoorbeeld een tijdelijke overdracht van de aandelen van aandeelhouder X aan beheerder X en een tijdelijke overdracht van de aandelen van aandeelhouder Y aan beheerder Y. Vervolgens wordt de vennootschap gesplitst in vennootschap X, waarvan de aandelen worden gehouden door beheerder X en vennootschap Y, waarvan de aandelen worden gehouden door beheerder Y. Na de splitsing wordt de (onmiddellijke) voorziening beëindigd en worden de aandelen in vennootschap X overgedragen naar aandeelhouder X en de aandelen in vennootschap Y aan aandeelhouder Y.
Denkbaar is ook dat met één beheerder wordt gewerkt en dat het splitsingsvoorstel inhoudt dat de houder(s) van aandelen 1 t/m 9.000 (die voor de (onmiddellijke) voorziening werden gehouden door aandeelhouder X) na de splitsing houders van aandelen in vennootschap X zijn en de houder(s) van aandelen 9.001 t/m 18.000 (die voor de (onmiddellijke) voorziening werden gehouden door aandeelhouder Y) na de splitsing houders van aandelen in vennootschap Y zijn. Vervolgens worden de aandelen in vennoot X “teruggeleverd” aan X en de aandelen in vennootschap Y aan Y.
De weg naar het splitsingsvoorstel, dat wordt opgesteld door het bestuur,10 kan zo nodig worden vrijgemaakt door het schorsen van alle dwarsliggende bestuurders en het tijdelijk aanstellen van een bestuurder. Desgewenst kunnen de tijdelijke bestuurder en beheerder dezelfde persoon zijn.
Een op dergelijke wijze tot stand gekomen juridische splitsing is niet nietig, nu alle besluiten door de bevoegde organen worden genomen. Wel kunnen deze besluiten, en daarmee de juridische splitsing,11 vernietigbaar zijn wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid.12 In dat kader kan ook aan de orde komen, of het nemen van het splitsingsbesluit in overeenstemming is met de taak van de tijdelijke beheerder (en eventueel tijdelijke bestuurder). Of een van deze strijdigheden zich voordoet, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hierop wordt teruggekomen in par. 17.8.6.4.