Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/2.4.2.5
2.4.2.5 Nawerkzaamheden
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652281:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover HR 8 april 2005 (r.o. 3.11), NJ 2006/443, m.nt. G. van Solinge; JOR 2005/119, m.nt. M. Brink (Laurus); HR 10 september 2010 (r.o. 3.5.2), NJ 2010/483; JOR 2010/304, m.nt. S.M. Bartman (LCI).
OK 11 mei 2016 (r.o. 2.6), ARO 2016/98 (De Jong).
HR 8 april 2005 (r.o. 3.11), NJ 2006/443, m.nt. G. van Solinge; JOR 2005/119, m.nt. M. Brink (Laurus).
HR 10 september 2010 (r.o. 3.5.2), NJ 2010/483; JOR 2010/304, m.nt. S.M. Bartman (LCI).
OK 11 mei 2016 (r.o. 2.4), ARO 2016/98 (De Jong). Anders nog Hepkema 2012, p. 734-735; Hermans 2017, p. 254, die schrijven dat de Ondernemingskamer in de praktijk niet vaak gebruikmaakt van deze bevoegdheid.
OK 11 mei 2016 (r.o. 2.6), ARO 2016/98 (De Jong).
Zie hierover ook Blanco Fernández 2022, p. 570.
Bults 2019, p. 27.
OK (vz.) 27 september 2019 (r.o. 2.5), JOR 2019/250, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Xeikon).
Met het deponeren van het onderzoeksverslag eindigt de onderzoeksfase. Een verhoging van het onderzoeksbudget kan na deponering van het onderzoeksverslag niet meer worden verzocht en het onderzoeksverslag is – behoudens heropening van het onderzoek1 – onveranderlijk, zo volgt uit De Jong.2
Toch kan de onderzoeker ook na deponering van het onderzoeksverslag nog kosten van het onderzoek maken. Zo kan de onderzoeker onkosten maken voor de bewaring (opslag) van het onderzoeksdossier, waarover ook par. 2.4.3.3, of kosten van verweer, waarover hoofdstuk 3. Goed mogelijk is dat de onderzoeker aansprakelijk wordt gesteld na deponering van het onderzoeksverslag, en dan nog kosten van verweer maakt, die mijns inziens kwalificeren als kosten van het onderzoek, zie par. 3.3.2.6.
Hiernaast kan in de tweede fase behoefte bestaan aan een toelichting van de onderzoeker op het onderzoeksverslag. In Laurus oordeelde de Hoge Raad:
‘Indien aan de ondernemingskamer uit het debat dat tussen partijen wordt gevoerd na deponering van het verslag van onderzoekers ter griffie, of ambtshalve, blijkt dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan zij partijen vragen op de zaak betrekking hebbende bescheiden in het geding te brengen, dan wel de onderzoeker(s) vragen aanwezig te zijn tijdens de mondelinge behandeling van de zaak om een toelichting te geven op het verslag of om een oordeel te geven over stellingen van feitelijke aard die partijen inmiddels naar voren hebben gebracht.’3
Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid van de Ondernemingskamer.4 De Ondernemingskamer vat haar bevoegdheid dienaangaande ruim op. In De Jong overwoog de Ondernemingskamer het doorgaans op prijs te stellen als de onderzoeker bij de mondelinge behandeling van een tweede fase verzoek aanwezig is om eventuele vragen te beantwoorden.5 In dezelfde beschikking overwoog de Ondernemingskamer dat de kosten die de onderzoeker hiertoe maakt kwalificeren als kosten van het onderzoek.
In De Jong hield de Ondernemingskamer de vaststelling van de kosten van het onderzoek mede om deze reden aan. Niet uit te sluiten viel immers dat als gevolg van de betrokkenheid van de onderzoeker in de tweede fase de kosten van het onderzoek hoger zouden uitvallen. De Ondernemingskamer hield de vaststelling van de kosten aan tot na ofwel de mondelinge behandeling in de tweede fase procedure, ofwel – indien geen tweede fase verzoek wordt gedaan – na ommekomst van de termijn waarbinnen een dergelijk verzoek kan worden ingediend.6 Tot een tweede fase verzoek kwam het uiteindelijk niet; ook de vaststelling van de kosten van het onderzoek bleef uit.
Ik vind het oordeel van de Ondernemingskamer in De Jong erg ongelukkig. Denkbaar is dat een onderzoeker na deponering van het onderzoeksverslag nawerkzaamheden verricht of onkosten maakt, die niet kunnen worden voldaan uit het onderzoeksbudget. De onderzoeker zou mijns inziens de bevoegdheid moeten toekomen ook na deponering van het onderzoeksverslag verhoging van het onderzoeksbudget te verzoeken. Zie hierover par. 2.6.2.
In de Leidraad wordt in bepaling 1.5 inmiddels ook tot uitdrukking gebracht dat de Ondernemingskamer de onderzoeker in het algemeen zal uitnodigen aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling van een verzoek tot vaststelling van wanbeleid.7 De daarmee gemoeide kosten mogen ook in de begroting van de kosten van het onderzoek worden opgenomen. Ik zie niet in waarom dit op gespannen voet zou staan met art. 2:350 lid 3 BW, zoals Bults schrijft.8
De onderzoeker kan ook na deponering van het onderzoeksverslag nawerkzaamheden verrichten die verband houden met een andere procedure. Ik wijs in dit verband op Xeikon, waarin de voorzitter van de Ondernemingskamer de onderzoeker naar analogie van art. 2:353 lid 3 BW machtigde enkele stukken te verstrekken aan Xeikon, opdat Xeikon deze stukken kan verstrekken aan de in de uitkoopprocedure benoemde deskundige. Op dat moment was het onderzoeksverslag al gedeponeerd. De voorzitter van de Ondernemingskamer overwoog daarbij:
‘Indien [de onderzoeker, PB] (…) in redelijkheid kosten maakt ter voldoening aan dit informatieverzoek, dienen die kosten aan hem te worden vergoed als onderdeel van de kosten van het deskundigenbericht in de uitkoopprocedure.’9
Het ligt mijns inziens meer voor de hand de hier bedoelde kosten op te vatten als kosten die verband houden met het onderzoek in de enquêteprocedure, dan als kosten die verband houden met de uitkoopprocedure.