Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/19.3.0
Inleiding
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS406946:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer 2-III 2000, nr. 621 gebruikt voor de eerste categorie de aanduiding “schijn van kredietwaardigheid”. Mijns inziens is het zuiverder om de daaronder geschaarde rechtspraak aan te duiden als “voortzetting van verlieslatende activiteiten”. Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe-Weme 2-II* 2009, nr. 841 e.v. maakt ten aanzien van de tweede categorie onderscheid tussen onttrekkingen door de moeder als crediteur en onttrekkingen in haar hoedanigheid van aandeelhouder, en voegen daarnaast een restcategorie toe. Lennarts onderscheidt in haar proefschrift een derde categorie, genaamd de “bodemloze put” (Lennarts 1999, hoofdstuk 4).
Ondanks het casuïstische karakter van de indirecte-doorbraak-rechtspraak, kan daarin enige ordening worden aangebracht. In de juridische literatuur wordt over het algemeen onderscheid gemaakt tussen twee (hoofd)categorieën van indirecte doorbraak: enerzijds de gevallen waarin een aandeelhouder toestaat dat een vennootschap die afkoerst op faillissement nieuwe verplichtingen blijft aangaan en de schijn van kredietwaardigheid ophoudt, en anderzijds die waarin een aandeelhouder ten onrechte vermogen aan de vennootschap onttrekt.1