De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.6.5:3.6.5 Academische vrijheid en artikel 23 van de Grondwet
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.6.5
3.6.5 Academische vrijheid en artikel 23 van de Grondwet
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949541:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de memorie van toelichting bij de Wwo 1986 blijkt dat er voor docenten aan bijzondere universiteiten een bijzondere beperking van de academische vrijheid kan gelden.1 Deze docenten hebben zich verbonden tot een bepaalde gedragswijze in verband met de grondslag en identiteit van de bijzondere instelling. De wetgever merkt op dat binnen de kaders van deze gedragswijze de docent aanspraak kan maken op ruimte voor eigen inzichten en creativiteit. Deze ruimte is nodig zodat hij onderwijs kan geven dat voldoet aan de standaarden die horen bij zijn professie en zodat hij geen compromissen hoeft te sluiten ten aanzien van zijn wetenschappelijke en morele integriteit.
Ook bij de totstandkoming van de Whw ontstond discussie over de verhouding tussen de bijzondere instelling en de academische vrijheid.2 Kamerlid Schutte diende zelfs een amendement in om de bepaling over de academische vrijheid te schrappen uit het wetsvoorstel.3 Het zou onwenselijk zijn als een wetenschapper op basis van de academische vrijheid zou kunnen opkomen tegen de besluitvorming van het bevoegd gezag van een bijzondere hoger onderwijsinstelling, aan wie de vrijheid van onderwijs toekomt. Minister Ritzen gaf aan dat of het nou wel of niet in de wet staat, er sprake is van academische vrijheid.4 De academische vrijheid komt voort uit de in de Grondwet verankerde vrijheid van meningsuiting. Hiermee kan de docent naar eigen inzicht verantwoord onderwijs geven, ongeacht een bepaalde ideologie of bepaalde aanwijzingen. Ook is de student, volgens Ritzen, vrij om wetenschappelijke opvattingen aan te hangen of te verwerpen. Door het opnemen van de academische vrijheid wordt het spanningsveld tussen de vrijheid van richting van de bijzondere instelling en de academische vrijheid niet groter of kleiner. Wel zou dit de helderheid bevorderen. Het spanningsveld zou volgens de minister juist bewust ervaren en beleefd moeten worden. Tegelijkertijd vraagt de academische vrijheid, volgens Ritzen, om een grote mate van prudentie bij het handelen van vooral docenten bij bijzondere instellingen.5 Deze prudentie bestaat er mijns inziens uit dat de onderzoeker en de docent zich in beginsel dienen te bewegen binnen de kaders die de instelling heeft gesteld ten aanzien van haar religieuze of levensbeschouwelijke richting. De docent kan bijvoorbeeld niet op eigen houtje afwijken van het onderwijsprogramma en de daarin vervatte leerdoelen die bijvoorbeeld raken aan de richting van de instelling. Dit is overigens niet anders bij een openbare hogeronderwijsinstelling, ook daar is de docent gebonden aan het onderwijsprogramma. De academische vrijheid is immers niet onbegrensd, voor het bijzonder hoger onderwijs vormt de vrijheid van richting echter een extra begrenzing waar het de religieuze of levensbeschouwelijke richting van de instelling betreft.