Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/16.3.3.2
16.3.3.2 Het moment van opeisbaarheid als aanvangsmoment van de subjectieve termijn (art. 3:307 — 3:308 Bff)
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366533:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zo overweegt zij ten aanzien van leningen die slechts repayable on demand zijn het volgende: 'We therefore propose to provide that the cause of action in relation to the repayment of a Joan [repayable on demand — JLS] will not accrue until a written demand for repayment is made. In consequence, the fact that a written demand has been made will be one of the relevant facts which the claimant needs to know before the primary limitation period is triggered (...)'; Law Commission (2001), p. 99.
'Die Kommission für die zweite Lesung des BGB sprach daim von der Entstehung des Anspruchs statt von der Fälligkeit, um Definitionsschwierigkeiten zu vermeiden (vgl Prot I 210), dies aber ohne die Absicht einer Sachlichen Änderung'; Staudinger-Peters (2004), § 199 Rnr. 5.
Parl. Gesch. Inv., p. 1412.
Haug, diss., p. 55.
Part Gesch. Inv., p. 1412.
Art. 3:307 BW regelt de verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen. Anders dan in de art. 3:309 tot en met 3:311 is hier voor de aanvang van de subjectieve termijn niet maatgevend de bekendheid met de feiten waarop de vordering is gebaseerd, maar de opeisbaarheid van de vordering.
Die benadering komt niet helemaal overeen met de Duitse en de Engelse. De Engelse Law Commission volstaat zoals wij zagen met het kennisvereiste. Over de vereiste van opeisbaarheid laat zij zich niet met zoveel woorden uit. Wel zijn er passages in haar Report die de indruk wekken dat in de benadering van de Law Commission knowledge of the facts which give rise to the cause of action er niet kan zijn voordat de vordering, in onze termen, opeisbaar is.1
In de Duitse tekst staat weliswaar dat maatgevend is het moment waarop "der Anspruch entstanden ist". Dat criterium mag inhoudelijk gelijk worden geacht aan onze "opeisbaarheid". In het oorspronkelijk Duitse ontwerp stond dat de termijn aanvangt "wenn der Anspruch fällig ist". Met de uiteindelijke keuze voor het moment waarop der "Anspruch entstanden ist", is echter niet bedoeld een inhoudelijk ander criterium te kiezen dan het moment waarop "der Anspruch fällig ist".2
Het verschil tussen de Duitse bepaling en art. 3:307 BW is evenwel dat de Duitse voor de aanvang van de subjectieve termijn naast het ontstaan van de vordering tevens bekendheid vereist van de feiten waarop de vordering berust, terwijl art. 3:307 BW louter de vereiste van opeisbaarheid stelt.
Net als gold voor het kennisvereiste van de art. 3:307 — 3:311 BW, is wat mij betreft ook bij beoordeling van de opeisbaarheid als criterium voor het aanvangsmoment bepalend in hoeverre het een adequate wettelijke vertaling geeft van de rechtsverwerkingsgedachte. De wetgever schrijft het volgende:
"Tenslotte verdient nog aandacht dat artikel [het huidige 3:307 - JLS] geen rekening houdt met de mogelijkheid dat de schuldeiser onbekend is met het ontstaan van de vordering of de persoon van de schuldenaar. Vooropgesteld moet worden dat dit geval zich hier minder makkelijk dan bij de artikelen [de huidige 3:309-3:311 BW - JLS] kan voordoen. Wie een overeenkomst aangaat, kent zijn wederpartij, en pleegt ook te weten wanneer zijn recht op nakoming opeisbaar wordt. Er kunnen echter gevallen zijn, waarin dit laatste anders is, met name wanneer de opeisbaarheid afhankelijk is van een tijdsbepaling met onzeker tijdstip of van een opschortende voorwaarde. Ook voor deze gevallen is echter van een bijzondere regel afgezien. In beginsel is het aan de schuldeiser om ervoor te zorgen, dat hij van de verschijning van dit tijdstip of van de vervulling voor de voorwaarde tijdig op de hoogte is. Schiet hij daarin tekort, dan gaat het niet aan de daaruit voortvloeiende rechtsonzekerheid ten laste van de schuldenaar te brengen in dier voege dat de rechtszekerheid die de verjaring beoogt te bevorderen, voor hem verloren gaat."3
Deze passage lijkt mij overtuigend. De wetgever erkent dat niet gegeven is dat de crediteur met de opeisbaarheid van de vordering bekend is, maar objectiveert in zekere zin het kennisvereiste door te betogen, kort gezegd, dat van de crediteur redelijkerwijze verwacht mag worden dat hij met de opeisbaarheid bekend is.
Die objectivering is slechts verantwoord als wij een zekere onderzoeksplicht veronderstellen. Die lijkt mij er inderdaad te zijn. Wie een overeenkomst sluit, wil verbintenissen doen ontstaan. In dat eigen initiatief van de crediteur ligt ook het principiële verschil met de vorderingen die door de art. 3:309, 3:310 en 3:311 BW worden bestreken. De crediteur weet vanaf het moment van het sluiten van de overeenkomst dat hij een wederpartij heeft met wiens belangen hij rekening moet houden. Daarom mag mijns inziens inderdaad van hem verwacht worden dat hij het nodige doet om het tijdstip van opeisbaarheid te kennen. Opmerking verdient dat het een grond voor verlenging van de verjaring oplevert als de debiteur de opeisbaarheid van de schuld opzettelijk verborgen houdt (art. 3:321 lid 1 sub f BW).
Vanuit de rechtsverwerkingsgedachte is interessant de vraag hoe vaak het zich zal voordoen dat de crediteur het moment van opeisbaarheid niet kent, ondanks dat hij aan zijn `onderzoeksplicht' heeft voldaan. Als dat met regelmaat zou voorkomen, dan zou dat een zwaar argument tegen de opeisbaarheid als zelfstandig criterium opleveren. Haug schrijft: "Der Fall, daβ ein Anspruch zwar fällig ist, aber noch nicht im Wege der Klage geltend gemacht werden kann, ist ausgesprochen selten und rechtfertigt nicht ein Abgehen von der Fälligkeit als Zeitpunkt des Verjährungsbeginns."4 Dit is welbeschouwd een empirische kwestie. Mijn inschatting zou zijn dat een dergelijk geval inderdaad ausgesprochen selten is. Ik heb er in de rechtspraak ook niet één voorbeeld van gevonden. Het lijkt er op dat wij de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet overvragen door hem toe te passen in die gevallen waarin het moment van opeisbaarheid tóch niet zou samenvallen met (geobjectiveerde) bekendheid met dat moment.
Met de inschatting dat het zich zelden zal voordoen dat het moment van opeisbaarheid niet samenvalt met het moment van bekendheid met die opeisbaarheid, is gegeven dat het praktische verschil tussen de Nederlandse bepaling, die slechts opeisbaarheid eist, en de Duitse, die daarbij ook bekendheid eist, waarschijnlijk gering is. Temeer daar de Duitse wetgever de bekendheid ook nadrukkelijk objectiveert ("Kenntnis erlangt oder ohne grobe Fahrlssigkeit erlangen mBsste").
In het voorgaande stond art. 3:307 BW centraal. Gemotiveerd werd uitsluitend dat het moment van opeisbaarheid een gelukkig aanvangsmoment is bij de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst. Ook in art. 3:308 BW, dat de verjaring van periodieke vorderingen regelt, is evenwel het moment van opeisbaarheid doorslaggevend voor aanvang van de vijfjaarstermijn. Genoemd zijn daar de vorderingen tot betaling van renten van geldsommen, lijfrenten, dividenden, huren, pachten en voorts alles wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald.
Waar de wetgever in het kader van art. 3:307 BW vrij uitvoerig beargumenteert waarom opeisbaarheid een rechtvaardig criterium biedt (zie het citaat hiervoor), zwijgt hij op dit punt bij zijn toelichting op art. 3:308 BW. Ik vermoed evenwel dat hij desgevraagd een ongeveer gelijkluidende redenering zou voeren, omdat hij art. 3:308 BW weliswaar waarschijnlijk niet als specialis van art. 3:307 BW in strikte zin beschouwt, maar tussen deze artikelen wel een uitgesproken verwantschap ziet. Het volgende citaat gaf mij aanleiding tot die veronderstelling:
"De opsomming [van art. 3:308 BW — JLS] is enigszins aangepast, nu vorderingen tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen reeds krachtens artikel [3:307 — JLS] in vijf jaren verjaren. Renten zijn uitdrukkelijk vermeld, omdat het om wettelijk rente kan gaan, huren en pachten, omdat ook van deze soms betoogd kan worden dat zij geheel of ten dele uit de wet voortvloeien (huurbescherming) en overigens omdat het hier voor de praktijk zeer belangrijke gevallen betreft."5
Een principieel onderscheid tussen vorderingen als bedoeld in de art. 3:307 en 3:308 BW wordt niet gemaakt. Het lijkt er bijna op dat de wetgever zekere vorderingen `veiligheidshalve' expliciet in art. 3:308 BW heeft benoemd, om er zeker van te zijn dat, mochten zij niet gedekt worden geacht door art. 3:307 BW, toepasselijkheid van de subjectieve vijfjaarstermijn met opeisbaarheid als beginpunt toch verzekerd is.
Zelf zou ik inderdaad menen dat een redenering als die de wetgever voerde in het kader van art. 3:307 BW ook hier geldig is, en dat dus ook hier de opeisbaarheid voor het aanvangsmoment van de subjectieve termijn een juist criterium biedt.