Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.I.D
D. WBR
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS472456:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Volgens Kamerstukken II 1969/1970, nr. 10560, p. 9 komt dit neer op ‘ een volledige herstructurering van die wetgeving’.
Wet van 2 juli 1959, houdende regelen, welke aan een aantal rijksbelastingen gemeen zijn, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2013, nr. 228.
Wet van 24 december 1970, houdende vervanging van de wetgeving betreffende de registratie- en de zegelbelasting door een nieuwe wettelijke regeling, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2013, nr. 413.
Wet van 24 december 1970, houdende regeling van de formaliteit van registratie van akten, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2012, nr. 648.
Zie artt. 20-31 WBR De belasting wordt geheven over de premie van verzekeringen waarvan het risico in Nederland is gelegen. Daarvan is sprake indien de verzekeringnemer in Nederland woont of, als de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de vestiging van die rechtspersoon waarop de verzekering betrekking heeft, in Nederland is gelegen. Het tarief van de assurantiebelasting bedraagt met ingang van 1 januari 2013 21%.
Bij Wet van 15 december 2005, houdende wijziging van enkele belastingwetten, Stb. 2005, 684.
Bij Wet van 21 juni 1990, Stb. 1990, 334
Kamerstukken II 1969/1970, 10560, nr. 3, p. 9. J.T. de Smidt, ‘Vier eeuwen overdrachtsbelasting?’, p. 158 wijst erop dat de hedendaagse overdrachtsbelasting ‘Treubse’ trekken vertoont.
Aldus A-G Wattel in onderdeel 8.6 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2013:BY0548) bij het arrest HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0548. Zie tevens W.J.M. Vennix, ‘De toekomst van de overdrachtsbelasting’, in: WFR 1995/994, die opmerkt dat tot in de twintigste eeuw eigendom van grond min of meer gelijk stond aan welvaart en dat een belasting die bij het bezit of de overdracht van onroerend goed aanknoopte in de toenmalige samenleving daarom uitstekend kon fungeren als een (primitieve) draagkrachtbelasting. Dat de ratio en de rechtsgrond van de Nederlandse overdrachtsbelasting weinig verfijnd zouden zijn, wordt in perspectief geplaatst wanneer men deze vergelijkt met de per 1 januari 2014 geldende situatie op de Balearen: aldaar dient per die datum een substantieel bedrag aan overdrachtsbelasting betaald te worden voor alle auto’s geregistreerd vóór 1 januari 2011, zo blijkt uit http://www.ibizavandaag.nl/overdrachtsbelasting~voor-auto~buiten-proportie-op-balearen/, datum inzage 15 januari 2014. Met dank aan Martin Schoenmaker, die mij op de hoogte bracht van deze ‘internationale rechtsontwikkeling’.
Aldus J.G van Straaten, Wegwijs in de overdrachtsbelasting, p. 1.
Zie J.G van Straaten, Wegwijs in de overdrachtsbelasting, p. 2.
Wet van 13 december 2012 tot wijziging van de Registratiewet 1970 en enige andere wetten, Stb. 2012, 648. Zie tevens G.J.C. Lekkerkerker, ‘De Registratiewet gewijzigd: naar een systeem van elektronische registratie’, in: FBN 2013/26.
Bij de Belastingdienst kunnen enkel nog die onderhandse akten worden geregistreerd, waarvoor registratie een wettelijk vormvereiste is. Denk bijv. aan het bezitloos pandrecht dat bij onderhandse akte wordt gevestigd.
Hierna tevens: CDR.
Aldus is te lezen op http://www.knb.nl/nieuwsberichten/eerste-kantoor-over-naar-centraal-digitaal-repertorium, datum inzage 2 december 2013. Zie tevens Notariaat Magazine 2013/11, p. 33.
J.C van Straaten, Wegwijs in de overdrachtsbelasting, p. 3. Zie tevens B.M.E.M. Schols, “Enige’ civielrechtelijke dogmatiek misstaat in een schenk(ings)- en erfbelasting niet!’.
In 1959 is de overheid dan ook (eindelijk) overgegaan tot een algemene herzieningsoperatie van de rijksbelastingwetgeving.1 In dat jaar werd de Algemene wet inzake rijksbelastingen ingevoerd.2 Na wijziging en invoering van enkele andere fiscale wetten werden in 1970 de Registratie- en Zegelwet 1917 tezamen vervangen door de Wet op belastingen van rechtsverkeer3 en de Registratiewet 1970.4 Bij die gelegenheid zijn de registratierechten en de zegelrechten als zodanig (formeel) afgeschaft. Ook materieel zijn de meeste van deze heffingen niet gehandhaafd. De zogenaamde vaste registratierechten, die toen reeds in feite werden gezien als retributies, zijn bij de Registratiewet 1970 omgezet in een vergoeding voor het verrichten van de formaliteit van registratie. De formaliteit van registratie dient dus nu niet meer als middel van belastingheffing. Van de overige heffingen waren in de WBR nog slechts terug te vinden:
de overdrachtsbelasting, strekkende ter vervanging van het evenredige registratierecht op akten, houdende overdracht van binnen het Rijk gelegen of gevestigde onroerende zaken;
de assurantiebelasting, strekkende ter vervanging van het poliszegel;5
de kapitaalsbelasting, strekkende ter vervanging van het evenredige registratierecht op aandelenkapitaal van naamloze vennootschappen en dergelijke. Vanaf 1 januari 2006 is de kapitaalsbelasting afgeschaft;6
de beursbelasting, strekkende ter vervanging van het beurszegel. Vanaf 1 juli 1990 is de beursbelasting vervallen.7
De overdrachtsbelasting en de assurantiebelasting zijn derhalve de twee nog geldende belastingen van rechtsverkeer, zo blijkt uit artikel 1 WBR.
Met de WBR werd beoogd de tot aan de inwerkingtreding van die wet bestaande rechten op overdracht van onroerende zaken te vervangen door één overdrachtsbelasting.8 Overdrachtsbelasting is in de literatuur ook wel gekenmerkt als ‘een nogal botte belasting met een weinig verfijnde ratio casu quo rechtsgrond: geld in het laatje’.9 Transacties in onroerend goed zijn, als gevolg van de vereiste formaliteiten en notariële bemoeienis, voorts op eenvoudige wijze te controleren en te belasten.
De overdrachtsbelasting komt in grote lijnen overeen met het evenredige registratierecht op grond van de Registratiewet 1917. Belangrijk verschil is echter dat de heffing van registratierecht beperkt was tot gevallen waarin sprake was van overdracht onder bezwarende titel, terwijl het toepassingsgebied van de overdrachtsbelasting ruimer is, doordat wordt geheven ter zake van de verkrijging van onroerende zaken (artikel 2, lid 1, WBR). Ook verkrijgingen waaraan geen akte te pas komt (bijvoorbeeld eigendomsverkrijging krachtens natrekking, artikel 5:20 sub e BW) en verkrijgingen om niet kunnen dus met overdrachtsbelasting belast zijn.10
De eeuwenoude band tussen overdrachtsbelasting en de registratie van akten bestaat heden ten dage nog steeds: notariële akten (onder meer betreffende levering van onroerende zaken) moeten binnen tien kalenderdagen ter registratie aangeboden worden bij de Belastingdienst, voorzien van een voetverklaring met gegevens voor de heffing van overdrachtsbelasting. De aanbieding ter registratie geldt dan tevens als aangifte voor de overdrachtsbelasting.11 Op 1 januari 2013 is de Registratiewet 1970 gewijzigd.12 De nieuwe wet voorziet in een elektronische registratie van notariële akten, waarbij de KNB de taak van de Belastingdienst als registrerende instantie overneemt.13 De overgang van het huidige papieren naar het digitale stelsel krijgt vanaf eind 2013 zijn beslag. Op 21 oktober is het eerste notariskantoor overgegaan naar het Centraal Digitaal Repertorium.14 Doordat het kantoor nu akten, repertoriumregels en aangiften overdrachtsbelasting digitaal kan versturen, hoeven er niet langer originele akten op papier naar de Belastingdienst worden gestuurd. Halverwege 2014 moeten alle notariskantoren zijn aangesloten op het digitale systeem.15
Tot slot van dit beknopte historisch overzicht mag niet onvermeld blijven dat de overdrachtsbelasting een sterke civielrechtelijke inslag kent. Tenzij uit de wet anders blijkt, moet men voor de betekenis van termen en begrippen te rade gaan bij het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Koophandel, 16 De civielrechtelijke lessen uit de vorige hoofdstukken van dit onderzoek zullen in dit fiscale vervolg derhalve van pas komen.
De historie van de overdrachtsbelasting in het algemeen en de vrijstelling van zegelen registratierecht voor verkrijgingen op grond van de diverse ruilverkavelingswetten is voldoende geschetst. Tijd om over te stappen naar het heden: de huidige stand van zaken in fiscalibus. Hoe worden verkrijgingen van onroerende zaken krachtens kavelruil thans op fiscaal gebied behandeld? Heeft de Fiscus een zelfstandige beoordelingsvrijheid bij kavelruilprojecten? Of, om in de geest van de titel van dit onderzoek te spreken: waar lopen de (fiscale) grenzen?