Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/14.4.2
14.4.2 De wetgever
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS364098:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader over de lengte van termijnen §§ 15.1-15.4.
Beekhoven van den Boezem, diss. p. 349. Zij meent op p. 304, evenals Huydecoper in zijn conclusie voor HR 11 juli 2003, NJ 2003, 551, dat de motivering van de zesmaandentermijn in de Toelichting op het Beneluxverdrag niet overtuigt. Die toelichting luidt: 'Het zou met de bedoeling van de dwangsom en met de billijkheid in strijd zijn, indien men aan de schuldeiser zou toestaan door stil te zitten de dwangsommen te laten oplopen totdat zij een onevenredige hoogte zouden hebben bereikt. Vandaar dat het wenselijk is ten aanzien van verbeurde dwangsommen een verjaringstermijn op te nemen, welke door artikel 7 lid 1 op zes maanden wordt gesteld.' Beekhoven van den Boezem en Huydecoper zijn van oordeel dat deze motivering alleen een rechtvaardiging biedt voor de korte zesmaandentermijn als de dwangsom periodiek of per overtreding wordt verbeurd en daardoor kan oplopen terwijl de crediteur stilzit; zij biedt geen rechtvaardiging voor die gevallen waarin de dwangsom eenmalig wordt verbeurd of het maximum aan verbeurde dwangsommen is bereikt voor de verjaringstermijn voltooid is. Op zichzelf ben ik het met deze kritiek eens. Ik zou zelfs geneigd zijn het nog harder te formuleren: als instrument ter voorkoming van het tot grote hoogte oplopen van dwangsomen is de verjaring volkomen ongeschikt, al was het maar omdat de verjaring veel te weinig precies is. Maar dat de motivering van een regel niet overtuigt, wil niet zeggen dat die regel op zichzelf niet juist zou zijn; wellicht fs er wel een overtuigende motivering, maar heeft de wetgever die niet verwoord. Waarom de zesmaandentermijn naar mijn oordeel wél deugt, heb ik geprobeerd in de hoofdtekst uiteen te zetten.
Ik onderken het lichtelijk provocatieve karakter van die opmerking, nu thans juist een langere termijn dan de vijfjaarstermijn geldt (art. 3:324BW), en ook de PECL en Duits recht in een langere termijn voorzien — anders overigens dan de Law Commission, die aanbeveelt claims on a judgment te onderwerpen aan the core regime met zijn termijn van drie jaar (Law Commission 2001, p. 159). Zie voor mijn betwisting van de twintigjaarstermijn hiervoor, § 14.2.3.
Een zeer voor de hand liggende gedachte is dat de wetgever alleen een bijzondere verjaringsregel in het leven roept als daartoe werkelijk de noodzaak bestaat.
Met betrekking tot de lengte van de termijn is er denk een belangrijke mogelijkheid tot behoud van samenhang. Die mogelijkheid is gelegen in de breed gedragen opvatting dat de lengte van een verjaringstermijn tot op zekere hoogte willekeurig is. Dat, om zo maar te zeggen, de rechtvaardigheid ons hier niet tot op de millimeter dicteert, vereenvoudigt het bewaken van de eenheid: als het er toch niet heel precies toe doet, kunnen we het net zo goed overal hetzelfde doen.
Uiteraard geldt dit argument niet grenzeloos. De noodzaak om tóch te differentiëren kan in verdragsrechtelijke verplichtingen gelegen zijn (denk aan bijvoorbeeld de WAM en de productenaansprakelijkheid) maar ook in inhoudelijke overwegingen.1 Ik noem twee voorbeelden, één waarin mij een bijzondere regel min of meer onontkoombaar lijkt (de dwangsom) en één waarin dat niet zo is (de in rechte vastgestelde vordering). Eerst de dwangsom.
Art. 611g Rv. bepaalt dat de dwangsom verjaart zes maanden na de dag waarop deze is verbeurd. Bepleit is dat die zesmaandentermijn ongelukkig is, en hier de algemene vijfjaarstermijn zou moeten gelden.2 In termen van overzichtelijkheid en eenvoud van het verjaringsrecht, is die suggestie zonder meer te omarmen. Toch zou ik daar uiteindelijk geen voorstander van zijn, om de volgende redenen.
Met name in die situaties waarin partijen geen relatie met elkaar hebben, is een verjaringstermijn van meerdere jaren te billijken. Er zijn daar over het algemeen geen redenen waarom de crediteur voortvarendheid zou moeten betrachten bij het innen van zijn vordering. Daar staat tegenover dat in de contractuele sfeer, met name in geval van wanprestatie, van de crediteur een vrij grote handelingssnelheid wordt verwacht. Volgens de art. 6:89 en 7:23 BW, moet hij binnen "bekwame tijd" tegen een gebrek in de prestatie protesteren. Dat betekent volgens de wetsgeschiedenis een reactie "op korte termijn" of "met spoed". Over het algemeen moet men dan denken aan een termijn van enkele maanden.
Het verschil tussen die termijnen — de vijfjaarstermijn en de termijn van enkele maanden — is te verklaren doordat in contractuele relaties het niet-handelen kort na de wanprestatie veel betekenisvoller is dan het niet-handelen buiten contract. Als, kort gezegd, de crediteur het kort na de gebrekkige levering gelegen moment om te reageren mist, verwerkt hij zijn recht. Buiten contract is een zo uitgesproken moment er niet, en doet de rechtsverwerkingsgedachte pas na veel langere tijd opgeld.3
Wat is van dat alles de betekenis in het kader van de dwangsom? Ook bij de dwangsom zijn er, net als bij de wanprestatie, naar mijn mening redenen om van de crediteur een hogere handelingssnelheid te verwachten. Men mag aannemen dat de eiser scherpe aandacht heeft voor het al dan niet conform het rechterlijk oordeel handelen van de debiteur, gegeven (i) de hogelijk contentieuze sfeer waarin partijen, nu zij hun conflict tot voor rechter hebben gevoerd, per definitie verkeren en (ii) het feit dat er kennelijk termen aanwezig waren de hoofdveroordeling met een dwangsom-veroordeling te versterken. De debiteur zal op zijn beurt ook verwachten dat zijn handelen nauwlettend in de gaten wordt gehouden. Met dat gespannen momentum verhoudt zich niet dat de eiser rustig achterover gaat zitten en in plaats van binnen een aantal maanden na, zeg, drie jaar nog eens laat weten dat wat hem betreft de gedaagde in strijd met de veroordeling heeft gehandeld.
Gesteld in de schoenen van de wetgever zou ik hier dus inderdaad de bijzondere termijn van art. 611g Rv. handhaven. Belangrijke overwegingen zijn (i) de wat mij betreft nogal sterke rechtvaardiging voor het bestaan van een bijzonder regime en (ii) dat het begrip 'dwangsom' zich heel gemakkelijk laat definiëren waardoor nauwelijks verwarring met andere verjaringsregimes dreigt.
Tot die conclusie zou ik niet geneigd zijn ten aanzien van de in rechte vastgestelde vordering. Wat mij betreft zijn er op zichzelf wel redenen daarvoor een termijn korter dan vijf jaar te hanteren:4 de eiser heeft het nodig gevonden over zijn vordering te procederen en heeft een executoriale titel waarmee hij direct tot verwezenlijking van zijn recht kan overgaan. Gedurende de procedure zijn er zeer korte, van openbare orde geachte vervaltermijnen van toepassing. Onder die omstandigheden mag meen ik van de crediteur verwacht worden dat hij de ingeslagen weg vervolgt en zijn recht vrij spoedig geldend maakt.
Werkelijk al te klemmend lijkt het mij intussen niet als die vordering tóch aan de vijfjaarstermijn wordt onderworpen. Inderdaad zal nog tamelijk eenvoudig bewezen kunnen worden dat hij werkelijk bestaat, en de crediteur zal, mocht hij willen bewijzen het vonnis te hebben voldaan, daartoe waarschijnlijk ook nog wel in staat zijn — dat geldt overigens niet als een twintigjaarstermijn van toepassing is. Ook de mate waarin zijn rechtszekerheidspositie wordt gekrenkt is, beperkt. Zodoende lijkt mij het uniformiteitsstreven te prevaleren en zou ik een bijzondere termijn afwijzen.
Tot zover de vraag naar bijzondere termijnen. Belangrijker misschien nog dan terughoudendheid bij de introductie van bijzondere termijnen, is dat de wetgever ervoor zorgt, voor zover mogelijk, dat nieuwe verjaringstermijnen steeds zijn gebaseerd op hetzelfde normatieve uitgangspunt. Dat is bij de bevrijdende verjaring veelal heel goed te doen.
Immers, bij de verjaring hebben we tussen de zeer abstracte, onbepaalde billijkheid en de concrete door de wetgever te formuleren rechtsregel een bruikbaar tussenstation. Dat is de eerder geadstrueerde gedachte dat een vordering moet verjaren, (i) een bepaalde periode nadat van de crediteur redelijkerwijze verwacht mocht worden dat hij die vordering instelde — die notie biedt grond voor een korte subjectieve termijn of, als dat moment decennia op zich laat wachten, (ii) als de feiten waarop de vordering is gebaseerd wegens het bereiken van het bewijsrechtelijke nulpunt niet meer kunnen worden vastgesteld en/of nakoming de door tijdsverloop ontstane status quo nodeloos zou verstoren — die notie biedt grond voor een lange objectieve termijn. Uit die toch al tamelijk ver geconcretiseerde uitgangspunten moet de wetgever zijn nog weer nader op het betrokken vorderingsrecht toegespitste regels spinnen.
Die benadering verkleint het risico op `verbrokkelingsschade' als gevolg van de introductie van een nieuwe bijzondere regel. De kans immers dat verjaringstermijnen zich onderling moeizaam verhouden, is vanwege hun gemeenschappelijke oorsprong gering.
Ik geloof overigens niet dat de bovenstaande alinea's de wetgever vreemd zullen zijn. In feite komt wat ik hier zeg in hoge mate overeen met mijn eerdere opmerking dat titel 3:11 ogenschijnlijk bijzondere regels geeft, maar dat het vanwege hun gemeenschappelijke normatieve oorsprong en termijn met de differentiatie toch wel meevalt. Te zeggen is dus dat de wetgever de door mij voorgestane tactiek tot behoud van eenheid bij het ontwerpen van het BW, in ieder geval binnen titel 3:11, in zekere zin zelf ook al volgde.