De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken
Einde inhoudsopgave
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/9.2.2.1:9.2.2.1 Evaluatie van de wijzigingen in het Duitse procesrecht
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/9.2.2.1
9.2.2.1 Evaluatie van de wijzigingen in het Duitse procesrecht
Documentgegevens:
Janneke van der Linden, datum 14-04-2010
- Datum
14-04-2010
- Auteur
Janneke van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS371472:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Duitse procesrecht is op 1 januari 2002 gewijzigd. De wetgever heeft met deze zogenoemde ZPO-Reform een viertal doelen beoogd (box 40; Greger, 2004; Hommerich e.a., 2006).
Box 40: Vier doelen van de ZPO-Reform
1. Bevorderen van schikkingen zo vroeg mogelijk in de procedure.
2. Inhoudelijke versterking van de eerste aanleg.
3. Afschaffen van een aantal ‘misstanden’ in hoger beroep (bijvoorbeeld de afschaf van de prikkel voor partijen om het gewoon in hoger beroep nog een keer te proberen, ook als het vonnis in eerste aanleg geen fouten bevatte en van het gebruik van hoger beroep om de zaak te vertragen).
4. Verhoogde inzet van alleensprekende rechters.
In 2006 heeft een grootschalige evaluatie van deze wetswijzigingen plaatsgevonden waarbij onderzocht is of de wetswijzigingen het gewenste effect in de praktijk hebben gehad (Hommerich e.a., 2006). In deze paragraaf bespreek ik deze evaluatie voor zover deze betrekking heeft op de wetswijzigingen behorend bij het eerste hierboven genoemde doel, omdat dat stuk van de evaluatie mogelijk aanwijzingen bevat voor verbetering van zittingspraktijken.
Bij de ZPO-Reform is het bevorderen van schikkingen zo vroeg mogelijk in de procedure expliciet als doel opgenomen, omdat de wetgever constateerde dat er enerzijds in eerste aanleg te weinig schikkingen tot stand kwamen, ondanks de wettelijke plicht van de rechter om bij iedere stap in de procedure bedacht te zijn op schikkingsmogelijkheden. Anderzijds gaf de wetgever aan, dat een schikking tussen partijen in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure de efficiëntste en — voor partijen — de meest vriendelijke wijze van afdoening is (Foerste, 2001; Greger, 2004; Hommerich e.a., 2006). De wetgever heeft daarom bij de ZPOReform de volgende drie instrumenten ingezet om het aantal schikkingen te bevorderen:
de verplichting om in aanwezigheid van partijen een schikking te beproeven aan het begin van de zitting (§ 278 lid 2 en 3 ZPO);
de mogelijkheid de zaak aan te houden voor buitengerechtelijke geschiloplossing (§ 278 lid 5 ZPO);
de mogelijkheid om via schriftelijke weg schikkingsovereenkomsten tot stand te brengen (§ 278 lid 6 ZPO).
1. De verplichting om in aanwezigheid van partijen een schikking te beproeven aan het begin van de zitting (§ 278 lid 2 en 3 ZPO)
De rechter is sinds 2002 verplicht om aan het begin van de zitting (de Haupttermin) een schikking te beproeven, tenzij (1) partijen al eerder hebben geprobeerd om via een buitengerechtelijke geschiloplossingsprocedure het geschil op te lossen of (2) dit zinloos lijkt te zijn (§ 278 lid 2 ZPO). De rechter moet partijen gelasten om ter zitting te verschijnen (§ 278 lid 3 ZPO).
De evaluatie van de invoering van § 278 lid 2 en 3 ZPO brengt het volgende beeld naar voren (Hommerich e.a., 2006). Rechters beproeven in 64% van de zaken (bij Landgerichten) aan het begin van de zitting een schikking Als rechters hiervan afzien, is hun belangrijkste reden dat dit zinloos lijkt, wat zij vaak afleiden uit een verzoek van één van de partijen om van het beproeven van een schikking af te zien. De rechtbank gelast de persoonlijke verschijning van beide partijen in 73% van de zaken. Beide partijen verschijnen in 79% van de zittingen.
In 2004 eindigde 21.5% van de zaken bij Landgerichten op enig moment tijdens de procedure in eerste aanleg in een schikking. Dit percentage lijkt voor Nederlandse begrippen misschien wat aan de lage kant, maar daarbij moet bedacht worden dat ook slechts 23.9% van de zaken op tegenspraak wordt afgedaan1 Bij dat schikkingspercentage moet ook opgemerkt worden dat het voor Duitse advocaten wat betreft de proceskostenveroordeling aantrekkelijk is om de zaak uiterlijk tijdens de Haupttermin te regelen, omdat er slechts punten bij de proceskostenveroordeling zijn te verdienen tot en met die zitting en daarna (bij verdere proceshandelingen of verdere zittingen) niet meer. Het evaluatierapport geeft bij het schikkingspercentage van 21.5% aan, dat niet gezegd kan worden dat deze schikkingen zonder de invoering van het verplicht beproeven van een schikking aan het begin van de zitting niet tot stand zouden zijn gekomen (Hommerich e.a., 2006). De meeste rechters en advocaten gaan ervan uit, dat de kans op een schikking door deze wetswijziging niet is toegenomen, omdat rechters voor 2002 ook al in iedere fase van de procedure bedacht moesten zijn op schikkingsmogelijkheden. Wel vindt het beproeven van een schikking nu meer geconcentreerd plaats aan het begin van de zitting.
De conclusie van het evaluatierapport is, dat het twijfelachtig is of de invoering van het verplicht beproeven van een schikking aan het begin van de zitting het gewenste effect (meer schikkingen) heeft gehad. In Duitsland bestaat veel kritiek op deze wetswijziging (Rauscher e.a., 2008; Stndigen Deputation des Deutschen Juristentages, 2004a, 2004b). De Juristentag, een belangrijk adviserend orgaan dat is samengesteld uit advocaten en rechters, heeft de regering dan ook aanbevolen om deze wettelijke bepaling weer af te schaffen (Stindigen Deputation des Deutschen Juristentages, 2004b).
2.De mogelijkheid de zaak aan te houden voor buitengerechtelijke geschiloplossing (§ 278 lid 5 ZPO)
De Duitse rechter heeft de mogelijkheid om de zaak aan te houden zodat partijen kunnen proberen hun zaak via een manier van buitengerechtelijke geschilbeslechting op te lossen (§ 278 lid 5 ZPO). Er wordt in de praktijk maar weinig gebruik gemaakt van deze mogelijkheid, slechts in ongeveer 1% van de zaken. Het aanhouden van zaken voor buitengerechtelijke geschiloplossing speelt in de praktijk dan ook nauwelijks een rol van betekenis (Hommerich e.a., 2006).
3.De mogelijkheid om via schriftelijke weg schikkingsovereenkomsten tot stand te brengen (§ 278 lid 6 ZPO).
Sinds de ZPO-Reform bestaat de mogelijkheid om schriftelijk een schikkingsovereenkomst tot stand te brengen (§ 278 lid 6 ZPO). Dit kan op de twee manieren gebeuren (box 41). De schikkingsovereenkomst komt uiteindelijk via een officieel besluit van de rechter tot stand.
Box 41: Twee manieren om via schriftelijke weg een schikkingsovereenkomst tot stand te brengen
1.De rechter doet op basis van de schriftelijke stukken een schriftelijk schikkingsvoorstel. Daarbij geeft hij partijen zijn visie op de zaak en doet vervolgens een concreet schikkingsvoorstel (Geimer e.a., 2009). Duitse rechters doen dit eerder als het nog lang duurt voordat er een zitting plaatsvindt of in complexe zaken op het moment dat de rechter ten aanzien van een aantal punten (bijvoorbeeld na een getuigenverhoor) meer duidelijkheid heeft. Gottwald en Treuer (2005) geven aan, dat het doen van een schriftelijk schikkingsvoorstel voor rechters vaak moeilijk is omdat de onderliggende belangen van partijen in veel zaken niet naar voren komen in de stukken. De rechter zal volgens hen dan ook vooral een dergelijk schriftelijk schikkingsvoorstel doen als hij sterk vergelijkbare zaken krijgt (denk voor ons land aan aandelenleasezaken bijvoorbeeld) en hij kan terugvallen op eerder gesloten schikkingsovereenkomsten. Hierbij moet echter wel opgemerkt worden, dat advocaten in Duitsland regelmatig hun eerdere onderlinge correspondentie aan de rechter overleggen — waar de rechter mogelijk aanwijzingen voor een schikking kan uithalen —, iets wat in Nederland in strijd wordt geacht met de gedragsregels voor advocaten.
2.Partijen zijn het samen eens geworden, maar willen graag een executoriale titel krijgen. Zij leggen de tekst van de schikkingsovereenkomst dan voor aan de rechter. De rechter kan de tekst accepteren, maar hij kan ook op basis van de tekst een gewijzigd schikkingsvoorstel aan partijen doen. Dit laatste zal de rechter niet zo snel doen, maar hij kan dit bijvoorbeeld doen als partijen iets over het hoofd hebben gezien, als er iets in hun voorstel staat wat problemen kan opleveren bij de uitvoering of als de inhoud in strijd met de wet is.
De ZPO-Reform evaluatie wijst uit dat in de praktijk bij Landgerichten in 10% van de zaken gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid om schriftelijk een schikkingsvoorstel te doen (Hommerich e.a., 2006). Daarbij is in het evaluatierapport geen onderscheid gemaakt tussen de twee — hierboven beschreven — manieren. In het evaluatierapport komt naar voren, dat de belangrijkste redenen voor rechters om zelf een schriftelijk schikkingsvoorstel te doen, de volgende zijn:
in de stukken is een schikking al zichtbaar;2
partijen hebben de rechter verzocht een schikkingsvoorstel te doen. Als de rechter een schriftelijk schikkingsvoorstel doet, nemen partijen dit in 67% van de gevallen één op één over en in 4% van de gevallen in gewijzigde vorm. De conclusie van het evaluatierapport is, dat het eerste doel van de ZPO-Reform
het bevorderen van schikkingen zo vroeg mogelijk in de procedure — vooral gerealiseerd wordt door dit instrument van schriftelijke schikkingsvoorstellen (Hommerich e.a., 2006).