Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/4.2.2.3
4.2.2.3 Beslissende tijdstip
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS476855:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
HR 14 oktober 1994, NJ 1995/447, m.nt. W.M. Kleijn (Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.). Zie ook HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265, m.nt. W.M. Kleijn (Solleveld II); en HR 16 juni 1995, NJ 1996/508, m.nt. W.M. Kleijn (Ontvanger/Rabobank IJmuiden).
MvA II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1248. Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 402, waar de kwestie aan het oordeel van de rechter wordt overgelaten.
Zie ook Verhagen & Rongen 2000, p. 91; en Rongen 2012/797.
Zie bijvoorbeeld Rb. Dordrecht 6 februari 2002, JOR 2002/36, m.nt. Faber onder JOR 2002/38.
In deze zin Reehuis 2004/91.
Westrik 2003, p. 123. In deze zin ook Rb. Leeuwarden 28 oktober 2009, JOR 2010/209 (Van der Veen/Groenius).
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 737; en HR 30 januari 1953, NJ 1953/578, m.nt. Ph. A.N. Houwing (Doyer & Kalff). Vgl. art. 3:260 lid 1 BW en MvA II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1350, ten aanzien van hypotheek.
Reehuis 2004/63 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/314b. Zie ook Peter 2007, p. 65 (voetnoot 15).
Vgl. Rongen 2012/795.
Vgl. HR 19 december 1997, JOR 1998/40, m.nt. J.J. van Hees, NJ 1998/690, m.nt. W.M. Kleijn (Zuidgeest/Furness); en HR 20 september 2002, JOR 2002/210, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2002/610, m.nt. C.E. du Perron (ING/Muller q.q.).
Zie ook Rongen 2012/795.
HR 19 december 1997, JOR 1998/40, m.nt. J.J. van Hees, NJ 1998/690, m.nt. W.M. Kleijn (Zuidgeest/Furness).
142. Uit de maatstaf volgt nog niet naar welk tijdstip de beoordeling zich dient te richten. In het bijzonder ten aanzien van de levering van toekomstige goederen kan het relevant zijn naar welk tijdstip uiterlijk de voldoende bepaaldheid van de levering – en daarmee van haar geldigheid – mag worden beoordeeld. Moeten de toekomstige goederen voldoende bepaald zijn op het moment dat de levering bij voorbaat wordt verricht, of mag worden aangeknoopt bij een later moment, zoals het moment waarop de goederen worden verkregen door de vervreemder? In de literatuur worden verschillende tijdstippen als doorslaggevend aangemerkt.
De rechtspraak van de Hoge Raad laat de kwestie ogenschijnlijk in het midden. In het arrest Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q. overweegt de Hoge Raad dat in het wettelijk stelsel van overdracht en verpanding van vorderingen op naam ligt besloten dat de vordering ten tijde van de levering of verpanding in voldoende mate door de akte wordt bepaald.1
Het is niet geheel duidelijk wat de Hoge Raad met de woorden “ten tijde van de levering of verpanding” heeft bedoeld. Uit de parlementaire toelichting volgt echter ten aanzien van de levering van toekomstige goederen dat voldoende is dat het goed identificeerbaar is op het tijdstip dat het wordt verkregen door de vervreemder.2 Het doorslaggevende tijdstip is dus het moment waarop de levering bij voorbaat een overdracht of bezwaring van het goed zou kunnen bewerkstelligen. Kort gezegd, het tijdstip waarop de levering haar werking verkrijgt is, beslissend.3 Deze benadering sluit nauw aan bij de identificatiefunctie van het bepaaldheidsvereiste. Pas bij de werkelijke overgang of bezwaring van een goed is immers nodig dat het betrokken goed kan worden geïdentificeerd.
De identificatiefunctie van het bepaaldheidsvereiste dwingt niet tot het aannemen van een eerder gelegen moment dan het moment waarop de levering bij voorbaat tot een overdracht of bezwaring kan leiden. Zo dient de bepaaldheid van de levering bij voorbaat niet te worden beoordeeld naar het moment waarop de leveringsformaliteiten bij voorbaat zijn voltooid.4 Evenmin acht ik de opvatting juist dat al ten tijde van het opmaken van de eventuele akte voldaan moet worden aan het bepaaldheidsvereiste.5
De identificatiefunctie verhindert mijns inziens wel dat de bepaaldheid wordt getoetst naar een tijdstip dat later is gelegen dan het beoogde moment van overdracht of bezwaring. Zo is ten aanzien van de verpanding van toekomstige vorderingen – mijns inziens ten onrechte – betoogd dat het voldoende is dat kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat wanneer het op executie aankomt.6 Hier wordt bepaaldheid van de verpande vordering verward met de bepaalbaarheid van de vordering waarvoor het pandrecht is gevestigd. Deze gesecureerde vordering moet voldoende bepaalbaar zijn op grond van art. 3:231 lid 2 BW. In dit kader is bepaalbaarheid op het tijdstip van executie van het pandrecht echter voldoende.7 Deze maatstaf sluit aan bij het karakter van pand en hypotheek als zekerheidsrechten strekkende tot verhaal van een vordering. Deze vordering kan vooralsnog toekomstig zijn of anderszins naar haar inhoud niet volledig vaststaan ten tijde van de vestiging van het zekerheidsrecht (art. 3:231 lid 1 BW). Eerst wanneer het zekerheidsrecht wordt uitgeoefend, s noodzakelijk dat kan worden vastgesteld welke vordering verhaalbaar is op de opbrengst. Deze maatstaf leent zich echter niet voor toepassing op de bepaaldheid van de verpande vordering bij de vestiging.
Bij de levering bij voorbaat van één of meer toekomstige roerende zaken die bij verkrijging niet afgescheiden worden gehouden van één of meer andere zaken van dezelfde soort, kan het geval zich voordoen dat de zaak op het moment van verkrijging onvoldoende bepaald is en het pas door een latere (feitelijke) handeling kan worden geïndividualiseerd.
Reehuis geeft het voorbeeld van X die bij rijwielhandel Y een fiets van een bepaald merk, type en uitvoering koopt. De fiets is niet op voorraad, maar wordt verwacht bij de volgende zending van de groothandel. De gekochte fiets wordt bij voorbaat c.p. geleverd aan X. De volgende week arriveert bij Y een partij fietsen waarvan er vijf voldoen aan de omschrijving van de aan X verkochte fiets. De levering bij voorbaat heeft volgens Reehuis geen gevolg zolang Y niet één van de fietsen aanwijst als bestemd voor X.8 De levering bij voorbaat in dit geval is ongeldig wegens een gebrek aan bepaaldheid, nu op het moment van de verkrijging van de zaak door de vervreemder niet kan worden vastgesteld welke zaak in het vermogen van de verkrijger overgaat. De noodzakelijke individualisering van het goed door een latere aanwijzing of markering belet dat de levering voor dat moment als voldoende bepaald kan worden beschouwd.
De latere individualiseringshandeling kan mijns inziens worden beschouwd als een herstel van het gebrek aan voldoende bepaaldheid. De vervulling van dit wettelijke vereiste voor de geldigheid van de levering, kan dan leiden tot een bekrachtiging (met terugwerkende kracht) van de bij voorbaat verrichte levering c.p. (art. 3:58 BW). De feitelijke aanwijzing van een van de zaken kan op deze wijze alsnog leiden tot een overgang van de zaak krachtens de eerder bij voorbaat afgelegde houderschapsverklaring.
143. De voldoende bepaaldheid van een goed bij de leveringshandeling, kan “eventueel achteraf” worden vastgesteld. Deze beoordeling ex post brengt met zich dat ter bepaling van het geleverde goed mede betekenis kan toekomen aan gebeurtenissen en handelingen die hebben plaatsgevonden nadat de levering haar werking heeft verkregen.9 Uit de rechtspraak van de Hoge Raad lijkt te volgen dat in dit verband geen strenge eisen mogen worden gesteld aan de vaststelling van de geleverde goederen.10 Het acht slaan op latere gebeurtenissen en handelingen doet aldus niet af aan de voldoende bepaaldheid van de levering. Als voorbeeld noem ik een latere bijwerking van de administratie van de vervreemder. De administratie van de vervreemder kan in enige mate achterlopen op de feiten. Zo kunnen vorderingen reeds zijn verkregen, nog voordat zij hun neerslag hebben gevonden in een factuur of anderszins gedocumenteerd zijn. Een latere bijwerking van de administratie verhindert niet dat de vordering ten tijde van de levering voldoende bepaald was, indien achteraf mede aan de hand van de akte kan worden vastgesteld welke vordering is geleverd. Wat geldt voor de bijwerking van de administratie, geldt mijns inziens ook voor een latere correctie van administratieve gebreken.11 Uit het arrest Zuidgeest/Furness lijkt zelfs te volgen dat de bepaling van het voorwerp van een (partiële) cessie mede kan afhangen van de vorderingen die de cessionaris heeft geïnd.12 Het arrest illustreert in ieder geval de soepele benadering van de Hoge Raad op het punt van voldoende bepaaldheid.