Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/3.4.2
3.4.2 Positie Nederlandse institutionele beleggers
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS389446:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Frentrop 2012, p. 22-23.
Rapport Commissie Beleggingsbeleid en Risicobeheer 2010, p. 35.
A. de Vos, ‘Riskante wereld voor ABP’, Binnenlands Bestuur januari 2009, bron:
Rapport Commissie Beleggingsbeleid en Risicobeheer 2010, p. 35.
Frentrop 2012, p. 22 noot 53 (verwijzend naar de column ‘ABP laat 12,5 miljard liggen’ van E.J. Bomhoff in de NRC van 19 juli 1997).
De privatisering van het ABP was geregeld in de Wet privatisering ABP van 27 december 1995, Stb 639. Het proces dat tot privatisering van het ABP zou leiden was in 1991 ingezet met het aannemen door de Tweede Kamer van de motie-Paulis van 6 februari 1991,Kamerstukken II, 1990/91, 21 515, nr. 11 (“overwegende, dat het in beginsel wenselijk is een grotere parallellie tussen de financieringswijze en organisatie van vergelijkbare voorzieningen in de overheids -en marktsector na te streven”).
Laatstelijk bij Verordening van de Raad van 24 juni 1988 ter implementatie van artikel 67 van het EG-Verdrag inzake het vrij verkeer van kapitaal, PbEG 8 juli 1988, L 178, p. 5-18.
W. Bolt & M. Peeters, ‘Corporate Governance in the Netherlands’ in M. Balling et al (reds.), Corporate Governance, Financial Markets and Global Convergence, London: Kluwer Academic Publishers 1998, p. 95-97.
Bolt/Peeters 1998, p. 96.
Ibid.
Ibid (“In none of the non-Dutch countries [Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Italië, Verenigde Staten, Japan] foreigners hold the majority of shares, which probably reflect the fact that these economies are less open than the Dutch one.”).
Ibid, p. 95.
Ibid, p. 96.
In vergelijking tot de Britse en Amerikaanse institutionele beleggers bleven de Nederlandse institutionele beleggers in dezelfde periode aanvankelijk achter wat betreft beleggingen in aandelen. Het grootste gedeelte van het beheerd vermogen van de Nederlandse institutionele beleggers was (en is nog steeds) ondergebracht bij pensioenfondsen.1 Het vermogen van pensioenfondsen werd van oudsher defensief belegd. Tot 1990 was de algemene opvatting in de Nederlandse pensioensector dat pensioengelden in hoofdzaak belegd moesten worden in vastrentende waarden (zoals obligaties) in eigen land.2 Begin jaren ’90 kwam een omslag waarbij pensioenfondsen zich meer op beleggingen in aandelen gingen richten. In een interview uit 2009 lichtte de toenmalig directeur beleggingen van het ABP Frijns deze omslag als volgt toe: “In de jaren tachtig was de rente twaalf procent. We konden de pensioenpremies verlagen en toch voldoende vermogen opbouwen. Toen de rente begon te dalen, waren er twee keuzes: of in weinig renderende obligaties blijven en de premies sterk verhogen of meer risico’s nemen zodat je meer rendement maakt.”3 In 2010 kwam de Commissie Beleggingsbeleid en Risicobeheer, waarvan Frijns de voorzitter was, met de volgende verklaring voor dit verschijnsel: “Vanaf 1990 kwam het accent in het beleggingsbeleid meer op aandelen te liggen en trad internationalisering op in de beleggingsportefeuille, waarschijnlijk mede om compensatie te bieden tegen het gestaag dalende rendement op vastrentende waarden. Dit werd versterkt door de gunstige resultaten op de internationale aandelenmarkten.”4
Ondanks de verschuiving in beleggingsbeleid van obligaties naar aandelen vanaf het begin van de jaren ’90 hebben Nederlandse pensioenfondsen in deze periode over het geheel genomen geen dominante positie verworven in het aandeelhoudersbestand van Nederlandse beursvennootschappen. Hiervoor zijn tenminste twee redenen aan te voeren. Ten eerste verliep de verschuiving in beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen in verschillende snelheden. Zo hadden de bedrijfspensioenfondsen van Shell, Unilever en IBM in 1997 al meer dan 50% van hun beheerd vermogen in aandelen belegd, maar bedroeg dit percentage voor het grootste pensioenfonds ABP op dat moment nog slechts 18%.5 Het heeft er alle schijn van dat het ABP vanaf begin jaren ’90 in ieder geval tot de privatisering van het fonds in 19966 haar aandelenportefeuille relatief behoedzaam heeft opgebouwd. Ten tweede heeft de hierboven genoemde internationalisering van de beleggingsportefeuille van Nederlandse pensioenfondsen waarschijnlijk een belangrijke rol gespeeld. Niet alleen was het niet langer vanzelfsprekend voor Nederlandse pensioenfondsen om hoofdzakelijk in Nederlandse effecten te beleggen, maar door innovaties in de beurshandel en – voor wat betreft beleggingen binnen de toenmalige EG – het vrijmaken van de Europese interne markt voor kapitaal7 was beleggen in buitenlandse aandelen ook beter toegankelijk (en goedkoper) geworden. Nederlandse pensioenfondsen waren derhalve niet aan hun thuismarkt gebonden en konden met buitenlandse beleggingen een grotere diversificatie in hun beleggingsportfolio opbouwen. Dit leidde ertoe dat zij vooralsnog geen grote belangen in Nederlandse beursfondsen opbouwden (zie ook §5.2 hierna).
De hierboven geschetste ontwikkelingen zorgden samen voor wijzigingen in de samenstelling van het collectieve aandeelhoudersbestand van Nederlandse beursvennootschappen. De Nederlandse beursondernemingen trokken in de jaren ’80 via aandelenemissies nieuw kapitaal aan, waarbij de nieuwe aandelen – al dan niet gericht – bij internationale investeerders werden geplaatst. Ook verwierven internationale institutionele beleggers via handel op de beurzen als collectief steeds grotere aandelenpakketten in Nederlandse beursondernemingen. Mede omdat de Nederlandse pensioenfondsen in vergelijking met vooral Amerikaanse en Britse institutionele beleggers pas relatief laat de aandelenmarkten op grote schaal betraden en ook overigens hun beleggingen niet in hoofdzaak tot de thuismarkt van Nederland beperkten, ontstond in het kielzog van de verschuiving van particulier naar institutioneel aandelenbezit ook een verdere demografische verschuiving in het aandeelhoudersbestand van Nederlandse beursfondsen.
Een ander effect van de institutionalisering van aandelenbezit was een toename in handelsvolumes in Nederlandse aandelen en daarmee een sneller wisselend aandeelhoudersbestand. Met het plaatsen van aandelen bij institutionele beleggers kwamen ook meer verhandelbare aandelen in omloop. Anders dan de traditionele groep Nederlandse aandeelhouders van families, vermogende particulieren, verzekeraars en andere Nederlandse en buitenlandse ondernemingen hielden deze nieuwe aandeelhouders hun aandelen in Nederlandse beursfondsen hoofdzakelijk als verhandelbare beleggingsobjecten. Hiermee verschoof het karakter van Nederlandse beursaandelen in zekere mate van deelneming naar handelswaar.
Op basis van cijfers die medio jaren ’90 door DNB-economen Bolt en Peeters zijn verzameld kan het resultaat van de hierboven beschreven verschuivingen inzichtelijk worden gemaakt.8 Per ultimo 1995 was de structuur van het (gemiddelde) aandelenbezit in Nederlandse beursvennootschappen, uitgesplitst per categorie aandeelhouder als volgt:
24% werd gehouden door Nederlandse institutionele beleggers, waarvan 2% door banken en 22% door pensioenfondsen en verzekeraars. Het relatief belang van de banken is door de jaren heen stabiel geweest. Pensioenfondsen en verzekeraars hadden in 1980 nog een relatief belang van rond de 25%. In de jaren erna daalde dit relatieve belang met als dieptepunt een percentage van ongeveer 15% in de periode tussen 1986 en 1988. In de jaren erna stijgt het belang in stappen tot 22% in 1995. Deze opgaande beweging zou verklaard kunnen worden door de hierboven beschreven toename in aandelenbeleggingen van Nederlandse pensioenfondsen in deze periode. Bolt en Peeters wezen in hun toelichting op de cijfers in dezelfde richting, maar voegden hier wel aan toe dat de groei van het relatieve belang van de Nederlandse institutionele beleggers geen gelijke pas hield met de waardeontwikkeling van de aandelenmarkt (“But whereas the total value of shares, i.e. market capitalization, has been multiplied by as much as five during 1980-1996, funds do not have a strongly growing part of the total share stock.”)9 Dit achterblijvend marktaandeel wijst in de richting dat de Nederlandse pensioenfondsen terughoudend zijn geweest bij het opbouwen van aandelenbeleggingen in Nederlandse beursondernemingen.
Nederlandse particulieren en bedrijven hielden elk 19%, samen 38%. Begin jaren ’80 stond het percentage van aandelenbezit van particulieren en bedrijven nog op een percentage rond de 20%, in 1981 zelfs even op 15%. Vanaf 1984 klom dit percentage geleidelijk omhoog om na een korte dip in 1988 (wellicht veroorzaakt door de beurskrach van oktober 1987 die veel particulieren uit de markt had gejaagd) in 1990 voor het eerst de grens van 30% te doorbreken. In 1994 steeg het percentage door naar 37-38%. Volgens Bolt en Peeters was de toename van dit percentage mogelijk toe te schrijven aan de opkomst van particuliere pensioenbeleggingen.10 Dit zou dan wel betekenen dat deze groep aandeelhouders als geheel diffuser moet zijn geworden door de toename van het aantal particuliere beleggers. Hierdoor zou deze toename van particulier aandelenbezit aan een verdere verspreiding van het totale aandelenkapitaal hebben kunnen bijdragen.
37% werd gehouden door buitenlandse investeerders. Hiermee waren buitenlandse investeerders de grootste individuele groep aandeelhouders in het aandeelhoudersbestand van Nederlandse beursvennootschappen. Hiermee bevond Nederland zich internationaal gezien in een unieke positie.11 Het dichtst in de buurt kwam Frankrijk, waar buitenlandse investeerders 20% van de aandelen in Franse beursgenoteerde bedrijven bezaten. Daar stonden blokken tegenover van 55% (Franse particulieren en bedrijven) en 23% (Franse institutionele beleggers). Ook in landen als Duitsland, Italië en de Verenigde Staten zorgden particulieren en nationale bedrijven voor grote meerderheidsblokken. Alleen in het Verenigd Koninkrijk was dit niet het geval, maar hier vormden Britse institutionele beleggers een blok van 60%.12
Alles overziende was Nederland het enige land zonder nationaal ‘blok’ in het aandeelhoudersbestand van haar beursvennootschappen. In de jaren ervoor was het relatief belang van buitenlandse investeerders in Nederlandse beursfondsen nog hoger geweest. Begin 1980 was het percentage meer dan 50%. In de jaren erna steeg dit percentage tot zelfs 60% in 1984 om daarna geleidelijk af te nemen tot wederom 50% in 1990. De stijging van het relatieve belang in de eerste jaren loopt ongeveer parallel met de gelijktijdige daling van het relatieve belang van Nederlandse institutionele beleggers. Deze bewegingen zijn in lijn met de hierboven beschreven aandelenemissies van Nederlandse beursondernemingen waarbij aandelen bij internationale beleggers werden geplaatst (onder meer gebruik makend van noteringen aan buitenlandse beurzen) en waarbij de zittende (Nederlandse) aandeelhouders verwaterden. De daaropvolgende neergang vanaf medio jaren ’80 loopt weer gelijkop met de gelijktijdige opkomst van Nederlandse bedrijven en particuliere beleggers, volgens Bolt en Peeters een gespiegelde beweging die zich tot medio jaren ’90 doorzet.13 Wanneer men in deze cijfers de toename van het uitstaande aandelenkapitaal van Nederlandse beursvennootschappen betrekt als gevolg van de vele aandelenemissies in dit tijdvak, dan kan worden geconstateerd dat buitenlandse investeerders als groep hun relatieve belang nog redelijk hebben geconsolideerd, waarschijnlijk door telkens in deze emissies te participeren. Ook doet de opkomst van met name de Amerikaanse en Britse institutionele beleggers vermoeden dat er zich in het relevante tijdvak ook binnen de groep van buitenlandse investeerders een verschuiving van strategische aandeelhouders (branchegenoten) naar financiële beleggers (beleggingsfondsen, pensioenfondsen) heeft voorgedaan.
Samengevat: de gemiddelde Nederlandse beursvennootschap had medio jaren ’90 met een wezenlijk veranderd aandeelhoudersbestand te maken. Het blok van 37% van buitenlandse aandeelhouders was weliswaar in relatieve omvang gekrompen ten opzichte van de jaren ’80, maar de groep buitenlandse investeerders als geheel was wel van gedaante verwisseld: van grote multinationals die hun belangen in Nederlandse beursondernemingen voor een lange periode als strategische deelneming aanhielden naar overwegend professionele money managers uit het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten die hun belangen in Nederlandse beursondernemingen als belegging hielden. De toename in Nederlands particulier aandelenbezit leidde tot een versnippering van het verdere aandelenbestand terwijl de Nederlandse pensioenfondsen zich vooralsnog niet tot grote aandeelhouders in Nederlandse beursvennootschappen hadden ontwikkeld. Tegen deze achtergrond zou midden jaren ’90 de politieke discussie over de toelaatbaarheid van beschermingsconstructies weer oplaaien. Dit keer zou de discussie alleen niet beperkt blijven tot het onderwerp beschermingsconstructies, maar zou het een vertrekpunt vormen voor een bredere politieke en beleidsmatige discussie over de positie van aandeelhouders in beursvennootschappen.