Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/5.5.3
5.5.3 (Objectieve) onpartijdigheid versus onafhankelijkheid
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702080:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Exemplarisch bijvoorbeeld De Graaf & Marseille 2011, p. 18, voetnoot 4. Zie over het niet altijd duidelijke verschil tussen onpartijdigheid en onafhankelijkheid voorts ook: Van Orshoven 2001, p. 79; Smits 2008, p. 265-266.
Zie als voorbeeld: Van Dijk 2008, p. 20.
Zie als voorbeeld: De Bock 2011, § 7.7.2; Sluysmans 2017, p. 105.
ABRvS 13 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:50; ABRvS 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4148; ABRvS 13 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3015; ABRvS 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0802; ABRvS 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2477; ABRvS 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:914; ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3120; ABRvS 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2100.
Van Ravels, O&A 2015/88, p. 167-168.
ABRvS 27 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1868.
EHRM 12 december 1983, (Bramelid & Malmström/Zweden), D&R 38, p. 18, appl. no. 8588/79; 8589/79, § 33.
Van den Eijnden 2011, p. 127.
Zie ook: B.J. van Ettekoven, O&A 2016/29, p. 58.
EHRM 5 juli 2007, ECLI:NL:XX:2007:BB5086, NJ 2010/323, § 48 (Sara Lind Eggertsdóttir/IJsland; EHRM 28 augustus 1991, 11170/84, 12876/87, 13468/87, § 44 (Brandstetter/Oostenrijk).
EHRM 5 juli 2007, ECLI:NL:XX:2007:BB5086, NJ 2010/323 (Sara Lind Eggertsdóttir/IJsland), § 46-48; EHRM 12 mei 2016, appl. nrs. 26711/07, 32786/10 en 34278/10 (Poletan en Azirovik/Macedonië) § 94. Zie ook: Ouwehand, JBPlus 2019/4, § 2.1.1.
EHRM 12 mei 2016, appl. nrs. 26711/07, 32786/10 en 34278/10 (Poletan en Azirovik/Macedonië).
EHRM 5 juli 2007, ECLI:NL:XX:2007:BB5086, NJ 2010/323 (Sara Lind Eggertsdóttir/IJsland); EHRM 11 december 2008, 34449/03 (Shulepova/Rusland).
In de rechtspraak en in de literatuur wordt het onderscheid tussen onpartijdigheid en onafhankelijkheid niet altijd even zuiver gemaakt.1 In veel gevallen leidt dat niet tot problemen omdat ‘onpartijdigheid’ of ‘onafhankelijkheid’ niet de centrale thema’s in die rechtspraak of literatuur zijn.2 Ter discussie staat bijvoorbeeld de vraag of bij de schadebegroting van de juiste juridische of taxatietechnische uitgangspunten is uitgegaan en terloops wordt daarbij opgemerkt dat de deskundige diens taak ‘onafhankelijk’ heeft verricht. Het maakt dan niet zoveel uit of daarmee wordt bedoeld dat de deskundige formeel onafhankelijk is ten opzichte van procespartijen of juist dat het advies op onpartijdige wijze tot stand is gekomen. Bedoeld wordt dat de focus kan liggen op de ter discussie staande schadebegroting, omdat het met de integriteit (als verzamelbegrip) van de deskundige wel goed zit.
Wanneer daarentegen in de rechtspraak of in de literatuur specifiek de vraag naar de ‘onafhankelijkheid’ of ‘onpartijdigheid’ van de deskundige centraal staat, is een zuiver onderscheid tussen beide begrippen wél van belang. Blijft een dergelijk onderscheid uit, dan verliest de redenering aan correctheid of is die redenering niet goed meer te volgen.3 In de nadeelcompensatie- en planschaderechtspraak is daar een aantal voorbeelden van. Appellanten concluderen bijvoorbeeld tot een gebrek aan onafhankelijkheid, maar voeren daarvoor louter argumenten tegen de onpartijdigheid aan.4 Ook de rechter zelf maakt niet altijd een even zuiver onderscheid tussen de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid.5 Zo pareerde de Afdeling bestuursrechtspraak een onafhankelijkheidsklacht met betrekking tot een gemeentelijk secretaris met de overweging dat niet van partijdigheid was gebleken.6
Bron voor de verwarring tussen de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid is het onderlinge verband tussen beide. Een verband dat een voorganger van het EHRM – de Europese Commissie voor de rechten van de mens – wel eens als causaal heeft aangemerkt:
“The Commission observes that there is a functional relationship between independence and impartiality, the former being essentially a precondition to the latter.”7
Het ‘probleem’ met onafhankelijkheid als voorwaarde voor onpartijdigheid is dat deskundigen die niet onafhankelijk zijn ook niet onpartijdig kunnen zijn.8 Zulks zou een bom leggen onder de deskundigenprocedures – met name in bestuurlijke besluitvormingsprocedures – van tal van lidstaten.9 Binnen de eigen landsgrenzen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de deskundigenprocedure bij het UWV, waar ondergeschikte (en dus niet onafhankelijke) verzekeringsartsen de advisering verrichten.
‘Gelukkig’ is het zover nooit gekomen; het EHRM heeft het verband tussen onafhankelijkheid en onpartijdigheid nooit als causaal aangemerkt. Hij beschouwt (een gebrek aan) onafhankelijkheid veeleer als een indicator voor de schijn van partijdigheid. Het EHRM overweegt namelijk dat een gebrek aan onafhankelijkheid – bijvoorbeeld doordat de ingeschakelde deskundige onder de verantwoordelijkheid werkt van een der partijen – een zekere schijn van partijdigheid oproept.10 Zoals eerder vermeld, is de enkele schijn van partijdigheid echter niet voldoende om een gebrek aan onpartijdigheid aan te nemen. Beslissend is of de gewekte schijn naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. Over wat er onder die objectieve maatstaven moet worden verstaan, kan eveneens inspiratie worden ontleend aan de rechtspraak van het EHRM. Het EHRM heeft factoren geformuleerd aan de hand waarvan de onpartijdigheid van deskundigen kan worden beoordeeld.11 Relevant acht het Hof de aard van de aan de deskundige opgedragen taak, zijn plaats in de procedure en de zwaarte die door de rechter aan het deskundigenadvies wordt toegekend. Zo achtte het EHRM het aanvaardbaar dat een politieambtenaar als rechtbankdeskundige werd aangesteld in een strafzaak, ondanks zijn band met de vervolgende partij,12 maar onaanvaardbaar dat een rechtbankdeskundige een rechtstreekse collega is van de aangesproken partij.13