Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.4.2.8
9.4.2.8 Gewichtige redenen
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS577566:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Par/. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 157.
HR 30 januari 1998, NJ 1998, 459 m.nt. JBMV (Interforce/Rosier's beleggingsmaatschappij). Zie ook Pitlo/Hidma & Rutgers 2004, nr. 68, p. 125.
Zie de aangehaalde jurisprudentie in Ekelmans 2007, p. 37.
Ekelmans 2007, p. 37; HR 21 januari 1994, NJ 1994, 473 m.nt. DWFV (Ferdi E.).
Ekelmans 2007, p. 37 en de daar aangehaalde rechtspraak en literatuur. Zie bijvoorbeeld HR 31 mei 2002, NJ 2003, 589 m.nt. JBMV (K./Aegon) en de rechtspraak besproken in Groen 1995.
Vgl. Ekelmans 2007, p. 39. Zie bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 25 januari 2006, NIP 2006, 230 (Van D/Van Schoenen p.o.»; Hof 's-Gravenhage 20 mei 2003, S&S 2004, 59(Pacelli). Zie ook Sijmonsma 2007, p. 52.
Ekelmans 2007, p. 38; Vgl. Sijmonsma 2007, p. 51-54; Vgl. ook J.B.M. Vranken in zijn annotatie bij HR 20 december 2002, NI 2004, 4 (Lightning Casino/Antillen); Van Nispen 1993, p. 23 e.v.
Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, PbEU 2004, L 157/45, PbEU 2004, L 195/ 16. Zie ook Haak & VerLoren van Themaat 2005, p. 17.
In mededingingszaken zou door de aangesprokene partij een beroep kunnen worden gedaan op gewichtige redenen in de zin van artikel 843a lid 4 Rv, zoals vertrouwelijke bedrijfsgegevens.1 Zo is het voorgekomen dat een schriftelijke koopovereenkomst met een derde niet in het geding hoefde te worden gebracht met een beroep op concurrentieoverwegingen en de vrees van degene die zich beriep op de geheimhouding voor verdere procedures.2 Een procespartij kan echter niet zomaar weigeren bescheiden te verstrekken. Er bestaat in het burgerlijk (proces)recht geen regel dat een partij niet gehouden is om aan bewijslevering tegen zichzelf mede te werken.3 Het horizontaal werkende recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zoals in artikel 8 EVRM neergelegd, is geen absoluut recht en staat niet per definitie aan het geven van bescheiden in de weg.4 Een belangenafweging zal nodig zijn om te bepalen of een inbreuk mag worden gemaakt op het grondwettelijke recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.5
De rechter honoreert het beroep op gewichtige redenen niet snel. Het feit dat bedrijfsinformatie of concurrentiegevoelige informatie in de openbaarheid komt, is niet voldoende om onder de exhibitieplicht uit te komen.6 De belangen die met geheimhouding zijn gediend, kunnen dan ook vaak gewaarborgd worden door verschillende constructies. Zo kunnen niet relevante delen van de bescheiden onzichtbaar worden gemaakt, kan gebruik worden gemaakt van de geheimhoudingsplicht ex artikel 29 Rv, kan gebruik worden gemaakt van de door Ekelmans genoemde special counsel voor wie beperkingen gelden bij de mogelijkheid om informatie aan de procespartijen zelf te verschaffen (de constructie waarbij bescheiden slechts mogen worden verstrekt aan iemand die informatie betreffende de bescheiden niet of slechts beperkt mag verschaffen aan een van de procespartijen) en kan door partijen worden afgesproken dat alleen de rechter van een stuk mag kennisnemen.7
Indien een mededingingsinbreuk reeds is vastgesteld door de Commissie of de NMa en de gelaedeerde een vordering tot vergoeding van schade voorbereidt, zal een beroep van de laedens op gewichtige redenen ex artikel 843a lid 4 Rv niet snel door de rechter worden gehonoreerd. Indien de mededingingsinbreuk nog niet is vastgesteld, zal de rechter het belang van de laedens bij inzage, afschrift of uittreksel van de bescheiden moeten afwegen tegen het belang van de vermeende laedens bij geheimhouding van de vertrouwelijke bedrijfsgegevens. Des te waarschijnlijker de inbreuk op het mededingingsrecht is, des te waarschijnlijker is het dat de rechter de laedens zal veroordelen tot het aan de gelaedeerde verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van mogelijk bedrijfsvertrouwelijke gegevens. Vergelijk artikel 8 van de Richtlijn Handhaving IE-rechten, waarin is bepaald dat de eiser bij een reeds vaststaande inbreuk recht heeft op informatie betreffende de naam, adres van de bij de inbreuk betrokken ondernemingen en inlichtingen waarmee de omvang van de inbreuk en de daarmee behaalde winst kan worden berekend.8 Zoals zojuist hiervoor gezegd, honoreert de rechter het beroep op gewichtige redenen niet snel.