HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1104.
HR, 06-09-2019, nr. 19/01923
ECLI:NL:HR:2019:1299
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-09-2019
- Zaaknummer
19/01923
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:1299, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 06‑09‑2019; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:568, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2019:568, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 27‑05‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1299, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑04‑2019
- Vindplaatsen
JGz 2019/38 met annotatie van Keurentjes, R.B.M.
Uitspraak 06‑09‑2019
Inhoudsindicatie
Wet Bopz. Omzetting door geneesheer-directeur van voorwaardelijke machtiging in voorlopige machtiging; art. 14d Wet Bopz. Beroep op de rechter; art. 14e Wet Bopz. Toetsing ex nunc; HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1104. Drugsverslaving. Kan verslaving op zichzelf leiden tot toepassing van de Wet Bopz? HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1936.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 19/01923
Datum 6 september 2019
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE BIJ HET ARRONDISSEMENTSPARKET LIMBURG,VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Betrokkene heeft tegen de beschikking in de zaak C/03/259534 / BZ RK 19/126 van de rechtbank te Roermond van 18 januari 2019 beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Limburg van 18 januari 2019 en tot terugwijzing.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
( i) De officier van justitie heeft de rechtbank op de voet van art. 14a Wet Bopz verzocht een voorwaardelijke machtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene, die op dat moment met een inbewaringstelling verbleef in een psychiatrisch ziekenhuis.
(ii) Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd van de psychiater [betrokkene 1], waarin als diagnose is vermeld: “Afhankelijkheid van meerdere middelen” en in een voorgedrukte lijst van diagnoses is aangekruist: “stoornissen door gebruik van middelen”. Verder was een behandelplan bijgevoegd. Daarin waren als voorwaarden onder meer opgenomen:
“- Pte is gedurende haar zwangerschap abstinent van alle middelen m.u.v. methadon en nicotine.
- Pte doet 3x per week onder toezicht van verslavingszorg een urinecontrole op alle middelen”.
(iii) Bij beschikking van 18 december 2018 heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend.
(iv) De geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis heeft bij brief van 10 januari 2019 aan betrokkene bericht dat hij had besloten de voorwaardelijke machtiging in te trekken en om te zetten in een reguliere Bopz-machtiging. Als reden werd vermeld dat betrokkene de voorwaarden niet was nagekomen aangezien zij meermalen cocaïne en andere drugs had gebruikt.
( v) Bij brief van haar advocaat van 16 januari 2019 heeft betrokkene bezwaar gemaakt tegen de hiervoor in (iv) genoemde beslissing van de geneesheer-directeur en heeft zij de officier van justitie op de voet van art. 14e lid 1 Wet Bopz verzocht de zaak aan de rechtbank voor te leggen.
(vi) De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht een beslissing te geven.
(vii) De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld in aanwezigheid van onder meer betrokkene en haar advocaat.
2.2
De rechtbank heeft bij beschikking van 18 januari 2019 het bezwaar afgewezen en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.
“1.4 De raadsvrouw van betrokkene heeft op een drietal punten bezwaar aangetekend tegen de conversie van de voorwaardelijke machtiging naar een voorlopige machtiging. Er zou geen sprake zijn van een stoornis van de geestvermogens, de noodzaak tot conversie is niet beoordeeld door een onafhankelijke psychiater en er is geen sprake van overtreding van de voorwaarden.
De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar tegen de conversie van de voorwaardelijke machtiging dient te worden afgewezen. Bij beschikking van 18 december 2018 heeft de rechtbank vastgesteld dat er sprake is van een stoornis van de geestvermogens en niet is gesteld of anderszins gebleken dat die stoornis thans niet meer bestaat. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat uit de ter beschikking staande stukken duidelijk blijkt dat de middelenafhankelijkheid samenhangt met dieper liggende persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene, dat echter door weigering van betrokkene zelf nimmer deugdelijke diagnostiek heeft plaatsgevonden naar de aard van die persoonlijkheidsproblematiek. Hetgeen niet betekent dat die niet aanwezig is.
De noodzaak tot conversie is beoordeeld door de psychiater [betrokkene 3], waarvan onbetwist is dat zij niet bij de behandeling van betrokkene is betrokken en derhalve in het kader van de Bopz heeft te gelden als een onafhankelijke psychiater.
Tenslotte zijn er een drietal positieve testen op het gebruik van verdovende middelen en is onvoldoende aannemelijk dat al die positieve scores het gevolg zijn van andere omstandigheden dan gebruik.”
3. Beoordeling van het middel
3.1.1 Onderdeel I van het middel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat bij betrokkene sprake is van een stoornis van de geestvermogens. Het onderdeel klaagt onder 1.1 dat ter zitting is aangevoerd dat op dat moment geen sprake was van een geestesstoornis en dat de rechtbank ex nunc moet toetsen. Volgens het onderdeel blijkt uit de verklaring van de geneesheer-directeur niets met betrekking tot een stoornis van de geestvermogens en is niet relevant dat de rechtbank in haar beschikking van 18 december 2018, waarbij de voorwaardelijke machtiging is verleend, heeft vastgesteld dat sprake was van een stoornis van de geestvermogens.
3.1.2 In een geval waarin een voorwaardelijke machtiging ingevolge art. 14a Wet Bopz is verleend en de geneesheer-directeur op de voet van art. 14d Wet Bopz besluit tot opneming van de betrokkene, kan de betrokkene overeenkomstig art. 14e lid 1 Wet Bopz een uitspraak van de rechter uitlokken met betrekking tot die beslissing van de geneesheer-directeur.
Wordt een verzoek als bedoeld in art. 14e lid 1 Wet Bopz aan de rechtbank gedaan, dan dient de rechtbank in volle omvang te onderzoeken of, beoordeeld naar de ten tijde van haar beslissing geldende omstandigheden, is voldaan aan de gronden voor vrijheidsbeneming (zie voor deze verplichting tot een toetsing ex nunc onder meer een uitspraak van de Hoge Raad van 16 juni 20171.).
3.1.3 De vaststelling van de rechtbank in haar beschikking van 18 december 2018 is niet voldoende om te worden aangemerkt als een toetsing ex nunc op 18 januari 2019. Voor zover de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op onderzoek door de psychiater [betrokkene 3], is het oordeel ontoereikend gemotiveerd, zoals hierna in 3.2.2 zal blijken. De klacht is dus gegrond.
3.1.4 Het onderdeel klaagt onder 1.2 dat een verslaving op zich geen stoornis van de geestvermogens is in de zin van de Wet Bopz. Het onderdeel betoogt dat de rechtbank weliswaar heeft overwogen dat de middelenafhankelijkheid samenhangt met dieper liggende persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene, maar dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
3.1.5 In een uitspraak van 12 oktober 20182.heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen.
“3.3.2 (…) Verslaving aan middelen als alcohol en drugs kan op zichzelf niet tot toepassing van de Wet Bopz leiden, ook niet indien wordt aangenomen dat deze verslaving een psychiatrische ziekte is. Er moet om tot toepassing van de Wet Bopz te komen sprake zijn van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.
Deze psychische stoornis kan voortvloeien uit of samenhangen met de verslaving aan middelen. Het kan ook gaan om een van de verslaving losstaande psychische stoornis van andere aard (`comorbiditeit`).”
3.1.6 De rechtbank heeft overwogen dat de afhankelijkheid van middelen samenhangt met dieper liggende persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene. Uit de beschikking blijkt niet hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen. In de geneeskundige verklaring (hiervoor in 2.1 onder (ii) genoemd) is alleen de diagnose “Afhankelijkheid van meerdere middelen” en “stoornissen door gebruik van middelen” vermeld. De gedingstukken houden niet in dat de diagnose “persoonlijkheidsstoornis” is gesteld. Ook heeft de rechtbank niet vastgesteld dat sprake is van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen van betrokkene daardoor ingrijpend worden beïnvloed als bedoeld in de hiervoor in 3.1.5 aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad. Ook deze klacht is dus gegrond.
3.2.1 Onderdeel 2.1 betoogt in de kern dat uit de beslissing van de geneesheer-directeur om de voorwaardelijke machtiging om te zetten in een voorlopige machtiging, niet blijkt op basis van welk onderzoek de geneesheer-directeur die beslissing heeft genomen.
3.2.2 Het besluit van de geneesheer-directeur houdt slechts in dat betrokkene de voorwaarden niet is nagekomen nu zij meermalen cocaïne en andere drugs heeft gebruikt. Uit het besluit valt niet op te maken dat de geneesheer-directeur zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele geestelijke gezondheidstoestand van betrokkene, zoals wordt voorgeschreven in art. 14d lid 1 Wet Bopz. Voor zover de rechtbank heeft bedoeld dat het besluit van de geneesheer-directeur is gebaseerd op onderzoek van de psychiater [betrokkene 3], is het oordeel van de rechtbank ontoereikend gemotiveerd, nu zich bij de stukken van het geding geen verklaring bevindt van laatstgenoemde psychiater (naar ook de rechtbank heeft vastgesteld in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling). Het onderdeel is dus terecht voorgesteld.
3.2.3 Onderdeel 2.2, dat ervan uitgaat dat de rechtbank beschikt over stukken met betrekking tot een door de psychiater [betrokkene 3] verricht onderzoek, kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.2, voorlaatste zin, is overwogen.
3.3.1 Onderdeel 3.1 klaagt over de overweging van de rechtbank dat er drie positieve testen zijn op het gebruik van verdovende middelen. Volgens het onderdeel heeft betrokkene in eerste aanleg aangevoerd dat geen sprake is van overtreding van de voorwaarden en dat bewijsstukken van de controles ontbreken. Onderdeel 3.2 voegt daaraan toe dat in de brief van 16 januari 2019 (hiervoor in 2.1 onder (v) genoemd) namens betrokkene is gevraagd om onafhankelijk onderzoek.
3.3.2 Blijkens de hiervoor in 3.3.1 genoemde brief heeft de advocaat van betrokkene onder meer aangevoerd dat de procedure voor de urinecontrole niet goed is nagekomen en dat betrokkene onafhankelijk onderzoek wenst. Tijdens de mondelinge behandeling is in het verlengde hiervan aangevoerd dat de urinecontrole niet eerlijk is verlopen. Gelet op deze stellingen, is het oordeel van de rechtbank dat er drie positieve testen zijn op het gebruik van verdovende middelen, onvoldoende gemotiveerd. De onderdelen zijn gegrond.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 18 januari 2019;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 6 september 2019.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑09‑2019
HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1936.
Conclusie 27‑05‑2019
Inhoudsindicatie
Wet Bopz. Omzetting door geneesheer-directeur van voorwaardelijke machtiging in voorlopige machtiging; art. 14d Wet Bopz. Beroep op de rechter; art. 14e Wet Bopz. Toetsing ex nunc; HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1104. Drugsverslaving. Kan verslaving op zichzelf leiden tot toepassing van de Wet Bopz? HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1936.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/01923
Zitting 27 mei 2019
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene] ,
(hierna: betrokkene),
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later
tegen
De Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Limburg zittingsplaats Roermond,
verweerder in cassatie,
niet verschenen
In deze Bopz-zaak heeft de rechtbank het bezwaar van betrokkene tegen de conversie van een op haar betrekking hebbende voorwaardelijke machtiging in een voorlopige machtiging afgewezen. Het cassatiemiddel komt in onderdeel I op tegen de door de rechtbank aanwezig geachte stoornis van de geestvermogens van betrokkene en klaagt dat een verslaving op zich hiervoor onvoldoende is. In onderdeel II wordt geklaagd dat de rechtbank haar oordeel mede baseert op een beoordeling van de actuele geestelijke gezondheidstoestand van betrokkene, (waardoor de geneesheer-directeur conversie kennelijk noodzakelijk achtte), die door de advocaat van betrokkene in eerste aanleg is opgevraagd maar niet is ontvangen. Onduidelijk is derhalve op basis van welk onderzoek de conversie heeft plaatsgevonden, terwijl de rechtbank daar haar oordeel wel mede op baseert. Voorts wordt in onderdeel II en in onderdeel III geklaagd dat de rechtbank op een aantal stellingen van betrokkene met betrekking tot de onafhankelijkheid van het onderzoek en van de deskundige niet is ingegaan.
1. Feiten en procesverloop
1.1
Betrokkene is op 6 december 2018 met een inbewaringstelling opgenomen in de Vincent van Gogh kliniek voor geestelijke gezondheidszorg te Venlo (hierna: de Van Gogh kliniek).
1.2
Bij verzoekschrift van 7 december 2018 heeft de officier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) verzocht een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te verlenen. De rechtbank heeft bij beschikking van 11 december 2018 de officier van justitie verzocht de rechtbank te berichten of een andere maatregel, met name een voorwaardelijke machtiging, naar zijn oordeel passender is en verder iedere beslissing aangehouden.
1.3
In de op 13 december 2018 door psychiater [betrokkene 1] opgemaakte en ondertekende geneeskundige verklaring is in rubriek 3.d als diagnose gesteld: “afhankelijkheid van meerdere middelen” (het vakje “stoornissen door gebruik van middelen” is aangekruist).
1.4
Op 13 december 2018 is voorts ten aanzien van betrokkene een behandelplan opgesteld dat op diezelfde datum door haar en haar psychiater is ondertekend. Hierin zijn de volgende voorwaarden bij voorwaardelijke machtiging opgenomen:
- Pte is gedurende haar zwangerschap abstinent van alle middelen m.u.v. methadon en nicotine.
- Pte doet 3x per week onder toezicht van verslavingszorg een urinecontrole op alle middelen.
- Pte komt afspraken na met haar gynaecoloog, verslavingszorg, begeleiding van Domus/Leger des Heils en Veilig Thuis.
- Pte neemt haar medicatie in volgens voorschrift, medicatiewijzigingen gaan in overleg met de behandelend artsen.
- De psychiatrische toestand van pte blijft dusdanig stabiel dat ambulante zorg haalbaar is.
- Pte blijft in Nederland.1.
1.5
Op 14 december 2018 heeft de officier van justitie een verzoek gedaan tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging. Bij beschikking van 18 december 2018 heeft de rechtbank een voorwaardelijke machtiging verleend voor de duur van maximaal zes maanden, ingaande op 18 december 2018 en eindigende op 18 juni 2019, (onder meer) onder voorwaarden overeenkomstig het behandelplan van 13 december 2018. De rechtbank heeft, voor zover thans relevant, het volgende overwogen:
“2.1 Uit de overgelegde stukken blijkt dat betrokkene gestoord is in haar geestvermogens, de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken en dat het gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis slechts door het stellen en naleven van voorwaarden kan worden afgewend.”
1.6
Bij beschikking van (eveneens) 18 december 2018 heeft de rechtbank het verzoek van de officier van justitie van 7 december 2018 tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling afgewezen.
1.7
De geneesheer-directeur van de Van Gogh kliniek heeft bij brief van 10 januari 2019 aan betrokkene bericht de voorwaardelijke machtiging in te trekken en om te zetten in een reguliere Bopz-machtiging vanwege “het niet nakomen van de gestelde voorwaarden, m.n. geen gebruik anders dan methadon en nicotine. U heeft meermaals cocaïne en andere drugs gebruikt hetgeen nadelig is voor uw ongeboren kind.”2.
1.8
De advocaat van betrokkene heeft bij brief van 16 januari 2019 bezwaar gemaakt tegen de in 1.7 beschreven conversie en verzocht deze door de rechtbank te laten toetsen.
1.9
Bij verzoekschrift van 17 januari 2019 heeft de officier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg de rechtbank verzocht een beslissing te geven op het door betrokkene gemaakte bezwaar tegen conversie van de voorwaardelijke machtiging in een voorlopige machtiging.
1.10
Op 18 januari 2019 heeft de rechtbank het in 1.9 beschreven verzoek mondeling behandeld. Zij heeft blijkens het proces-verbaal gehoord: betrokkene, haar advocaat, psychiater [betrokkene 2] en de partner van betrokkene.
1.11
De rechtbank heeft op 18 januari 2019 mondeling uitspraak gedaan op het in 1.9 beschreven verzoek en deze uitspraak schriftelijk uitgewerkt op 21 januari 2019. Bij deze beschikking is het bezwaar tegen conversie van de voorwaardelijke machtiging in een voorlopige machtiging afgewezen. De rechtbank heeft onder meer het volgende overwogen:
“De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar tegen de conversie van de voorwaardelijke machtiging dient te worden afgewezen. Bij beschikking van 18 december 2018 heeft de rechtbank vastgesteld dat er sprake is van een stoornis van de geestvermogens en niet is gesteld of anderszins gebleken dat die stoornis thans niet meer bestaat. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat uit de ter beschikking staande stukken duidelijk blijkt dat de middelen afhankelijkheid samenhangt met dieper liggende persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene, dat echter door weigering van betrokkene zelf nimmer deugdelijke diagnostiek heeft plaatsgevonden naar de aard van die persoonlijkheidsproblematiek. Het geen niet betekent dat die niet aanwezig is.
De noodzaak tot conversie is beoordeel[d] door de psychiater [betrokkene 3] , waarvan onbetwist is dat zij niet bij de behandeling van betrokkene is betrokken en derhalve in het kader van de Bopz heeft te gelden als een onafhankelijke psychiater.
Tenslotte zijn er een drietal positieve testen op het gebruik van verdovende middelen en is onvoldoende aannemelijk dat al die positieve scores het gevolg zijn van andere omstandigheden dan gebruik.
Daarbij is uit de behandeling duidelijk geworden dat de woonsituatie van betrokkene buiten de kliniek risicovol is. Er wordt in het kader van de opname van betrokkene een breed overleg voorbereid[t] om op alle leefgebieden van betrokkene structuur aan te brengen zodat het voldoen aan de voorwaarden door betrokkene haalbaarder zal zijn. Hier zal naar worden toegewerkt. De conversie nu is ter afwending van gevaar noodzakelijk tot de randvoorwaarden steviger zijn ingevuld.”
1.12
Namens betrokkene is op 16 april 2019 (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking.
1.13
In cassatie is geen verweerschrift ingediend3..
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen. Onderdeel I klaagt dat in ro. 1.4 van de bestreden beschikking het bestaan van een stoornis onjuist althans onbegrijpelijk althans onvoldoende is gemotiveerd.
Ter toelichting wordt in subonderdeel 1.1 aangevoerd dat betrokkene heeft aangegeven dat er op dit moment geen sprake is van een stoornis en dat de rechtbank ex-nunc moet toetsen. Dat de rechtbank in de beschikking van 18 december 2018 (waarschijnlijk ten onrechte, want het ging slechts om een stoornis door gebruik van middelen) heeft vastgesteld dat sprake is van een stoornis van de geestvermogens, is derhalve voor de toetsing ex-nunc niet relevant. Uit de verklaring van de geneesheer-directeur van 10 januari 2019 blijkt dat de reden voor het intrekken van de voorwaardelijke machtiging is het niet nakomen van de voorwaarden, met name geen gebruik anders dan methadon en nicotine. Uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg blijkt dat de psychiater heeft verklaard dat (slechts) sprake is van een verslavingsstoornis en zwangerschap.
2.2
In subonderdeel 1.2 wordt geklaagd dat een verslaving op zich geen stoornis van de geestvermogens is in de zin van de Wet Bopz. De rechtbank heeft overwogen dat middelenafhankelijkheid samenhangt met dieper liggende persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene, dat door weigering van betrokkene geen deugdelijke diagnostiek daarnaar heeft plaatsgevonden maar dat dit niet betekent dat die problematiek niet aanwezig is. Niet blijkt hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat er discussie is over diagnostiek (“psychiater: […] Als betrokkene diagnostiek wil, willen wij daaraan meewerken, maar daarin is ze ambivalent.”4.). In het behandelplan van 13 december 2018 staat dat differentiaal diagnostisch gedacht kan worden aan PTSS en/of een persoonlijkheidsstoornis, maar dit is ter zitting niet aan de orde gekomen. Op dit punt wordt verwezen naar de uitspraken van uw Raad van 23 september 20055.en 12 oktober 20186..
2.3
In het hiernavolgende zal ik de klachten in de subonderdelen 1.1 en 1.2 gezamenlijk behandelen. Artikel 14a van de Wet Bopz bepaalt dat de rechter op verzoek van de officier van justitie een voorwaardelijke machtiging kan verlenen met betrekking tot een persoon die gestoord is in zijn geestvermogens en twaalf jaar of ouder is. Voorts moet de stoornis betrokkene gevaar doen veroorzaken en het gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis slechts kunnen worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden. Artikel 14d bepaalt dat de geneesheer-directeur de betrokkene doet opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis, indien buiten de inrichting het gevaar niet langer kan worden afgewend door de naleving van de voorwaarden. De geneesheer-directeur kan de betrokkene doen opnemen, wanneer deze de gestelde voorwaarden niet naleeft. Voorafgaand aan de opname stelt de geneesheer-directeur zich op de hoogte van de actuele geestelijke gezondheidstoestand van de patiënt. In de parlementaire geschiedenis is over dit laatste aspect, de actuele geestelijke gezondheidstoestand van de patiënt, het volgende opgemerkt:
“Het is aan de geneesheer-directeur om te bepalen hoe hij invulling geeft aan deze verplichting. Hij kan daartoe overleg plegen met de behandelaar, maar hij kan ook de patiënt zelf onderzoeken of hem laten onderzoeken. […] De eis strekt ertoe dat de geneesheer-directeur goed geïnformeerd en derhalve verantwoord zijn beslissing kan nemen. Daarmee voldoet de regeling aan de uit artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van het EVRM voortvloeiende eis dat de beslissing om iemand zijn vrijheid te benemen wegens een geestesstoornis ten minste gebaseerd is op een actueel medisch-deskundig oordeel.”7.
2.4
De ‘geestvermogens’ worden in artikel 1 lid 1 Wet Bopz gedefinieerd en in de parlementaire geschiedenis omschreven als “de vermogens tot denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen.”8.Van een ‘ziekelijke stoornis’ van de geestvermogens is sprake zodra deze tijdelijk of blijvend gestoord raken.9.Een gedwongen opname op grond van de Wet Bopz is mogelijk “in die situaties waarin de stoornis van het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen zo ingrijpend is, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar als het ware niet kan worden toegerekend. De stoornis moet de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheersen.”10.
2.5
Ten aanzien van verslavingen is het volgende opgenomen in de parlementaire geschiedenis:
“Alhoewel verslavingen een sterke psychische en lichamelijke afhankelijkheid van de gebruikte stof meebrengen, leidt niet elke verslaving tot een stoornis van de geestvermogens. Gedurende de periode waarin het gebruikte middel werkzaam is kan echter een zodanige aantasting van de fysiologische integriteit van de hersenen optreden, dat van een stoornis van de geestvermogens moet worden gesproken.
[…]
Daarnaast kunnen ernstige en langdurige verslavingen een toestand doen ontstaan, waarin het voelen en doelgericht handelen met name ook buiten het terrein van de verslaving ernstig worden aangetast. Uit deze toestand zullen meeromvattende gedragsstoornissen voortvloeien, die niet beperkt blijven tot de periode waarin het middel werkzaam is.”11.
2.6
Uw Raad heeft in een uitspraak van 23 september 2005 (over een ernstige alcoholverslaving) het hierboven weergegeven citaat aangehaald en vervolgens overwogen:
“3.3.2 Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat naar de bedoeling van de wetgever ingeval van ernstige alcoholverslaving of afhankelijkheid van alcohol sprake kan zijn van een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz, zodat de daarin voorziene maatregelen kunnen worden getroffen indien ook aan de overige daartoe gestelde vereisten is voldaan. Bij dit laatste is in het bijzonder van belang dat de stoornis de betrokkene gevaar doet veroorzaken en dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend (art. 2 lid 2 Wet Bopz). Een individuele beoordeling aan de hand van de geneeskundige verklaring is steeds vereist (nota naar aanleiding van het eindverslag, Kamerstukken II, 1980-1981, 11 270, nr. 17, blz. 25):
“De rechter zal voor elk individueel geval opnieuw hebben vast te stellen of reeds van een zodanige stoornis sprake is dat de betrokkene in overwegende mate onder invloed van die stoornis tot zijn gevaarvolle handelen komt.
[…]
Dat de ter beschikking staande mogelijkheden tot intramurale hulpverlening door het ontwerp als het ware bij voorrang zouden worden toebedeeld aan de groep ernstig verslaafde patiënten, is dan ook niet juist. Op een zelfde wijze als voor andere categorieën patiënten en aan de hand van dezelfde criteria wordt slechts de mogelijkheid van een dwangopneming (en van daarmede gepaard gaande intramurale hulpverlening) geopend voor ernstig verslaafden. De totstandkoming van een rechterlijke machtiging is ook voor hen individueel bepaald.”
3.3.3
Ook thans huldigt de regering het standpunt dat in bepaalde gevallen ernstige verslaving kan worden aangemerkt als een geestesstoornis in de zin van de Wet Bopz en dat, wanneer tevens sprake is van gevaar veroorzaakt door die geestesstoornis de Wet Bopz toepassing kan vinden (antwoord van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij de evaluatie van de Wet Bopz, Kamerstukken II, 2004-2005, 25 763 en 28 950, nr 5, blz. 4).
[…]
3.3.5
Tegen de achtergrond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat alcoholverslaving, ook indien wordt aangenomen dat dit een psychiatrische ziekte is, niet tot toepassing van de Wet Bopz kan leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.”12.
Dit uitgangspunt is in de uitspraak van uw Raad van 12 oktober 2018 bevestigd:
“Verslaving aan middelen als alcohol en drugs kan op zichzelf niet tot toepassing van de Wet Bopz leiden, ook niet indien wordt aangenomen dat deze verslaving een psychiatrische ziekte is. Er moet om tot toepassing van de Wet Bopz te komen sprake zijn van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Deze psychische stoornis kan voortvloeien uit of samenhangen met de verslaving aan middelen. Het kan ook gaan om een van de verslaving losstaande psychische stoornis van andere aard (‘comorbiditeit’).”13.
2.7
Gelet op het hierboven in punt 2.3 weergegeven citaat is de bewering in subonderdeel 1.1 dat de aanwezigheid van een stoornis van de geestvermogens ‘ex-nunc’ getoetst moet worden, correct. De overweging van de rechtbank in ro. 1.4 “Bij beschikking van 18 december 2018 heeft de rechtbank vastgesteld dat er sprake is van een stoornis en niet is gesteld of anderszins gebleken dat die stoornis thans niet meer bestaat.” lijkt mij onvoldoende om te kunnen spreken van een toetsing ex-nunc. De rechtbank heeft echter verderop in ro. 1.4 overwogen “De noodzaak tot conversie is beoordeeld door de psychiater [betrokkene 3] […]”, hetgeen wel een afdoende beoordeling is in de zin van artikel 14d Wet Bopz. Daarmee is echter nog niets gezegd over de inhoud van het onderzoek door deze psychiater. Daarop hebben de klachten in onderdeel II betrekking, zodat ik op dit onderwerp bij de bespreking van dat onderdeel verder zal ingaan.
2.8
Gelet op hetgeen in de punten 2.4-2.6 is weergegeven, kan een verslaving op zichzelf niet tot toepassing van de Wet Bopz leiden, tenzij daardoor een toestand is ontstaan, waarin het voelen en doelgericht handelen met name ook buiten het terrein van de verslaving ernstig worden aangetast. Dat een dergelijke toestand is ontstaan heeft de rechtbank niet overwogen en blijkt overigens ook niet uit het dossier. Om tot een voor de Wet Bopz relevante stoornis te komen, moet derhalve sprake zijn van een van de verslaving losstaande psychische stoornis van andere aard. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank in dat kader overwogen dat de afhankelijkheid van middelen samenhangt met dieper liggende persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene, die door weigering van betrokkene zelf nimmer tot deugdelijke diagnostiek heeft geleid. Het onderdeel klaagt terecht dat niet blijkt hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen. Uit de geneeskundige verklaring van 13 december 2018 blijkt dat alleen de diagnose “afhankelijkheid van meerdere middelen” is gesteld. In het behandelplan van 13 december 2018 is onder het kopje ‘Hypothese en beschrijvende diagnose’ opgenomen: “Differentiaal diagnostisch kan gedacht worden aan PTSS en/of een persoonlijkheidsstoornis.” Niet blijkt dat voornoemde diagnose daadwerkelijk is gesteld. In voornoemde geneeskundige verklaring wordt erop gewezen dat betrokkene zwanger is en dat haar middelengebruik schadelijk is voor de gezondheid van haar ongeboren kind.14.Hoewel de zwangerschap van betrokkene blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg wel onderwerp van gesprek is geweest, blijkt uit de bestreden beschikking niet dat de rechtbank dit aspect bij haar beoordeling heeft betrokken en wordt hier overigens ook niet over geklaagd. Ik zal op deze plaats derhalve niet ingaan op de (on)mogelijkheden die dit zou kunnen bieden voor opname op grond van de Wet Bopz.
Nu de rechtbank niet heeft aangegeven hoe zij tot het oordeel is gekomen dat “de middelen afhankelijkheid samenhangt met dieper liggende persoonlijkheidsproblematiek”15., waardoor zij een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz aanwezig acht, is haar oordeel onvoldoende gemotiveerd. De klachten in onderdeel I slagen derhalve.
2.9
Onderdeel II klaagt dat de overwegingen van de rechtbank, dat de noodzaak tot conversie beoordeeld is door psychiater [betrokkene 3] , waarvan onbetwist is dat zij niet bij de behandeling van betrokkene is betrokken en derhalve in het kader van de Bopz heeft te gelden als een onafhankelijk psychiater, onbegrijpelijk zijn, nu uit de beslissing van de geneesheer-directeur van 10 januari 2019 niet blijkt op basis van welk onderzoek hij besloten heeft de voorwaardelijke machtiging om te zetten in een reguliere Bopz-machtiging, althans heeft de rechtbank onvoldoende duidelijk gemaakt waaruit zij deze gegevens haalt.
Ter toelichting wordt in subonderdeel 2.1 aangevoerd dat de advocaat van betrokkene in eerste aanleg in het verweerschrift reeds heeft geklaagd over de onafhankelijkheid van de deskundige en het onderzoek (betrokkene is niet deugdelijk door de deskundige gehoord, er is niet ingegaan op het verzoek om haaranalyse dan wel nieuw urine-onderzoek en het standpunt van de geneesheer-directeur is onvoldoende onderbouwd). De advocaat van betrokkene in eerste aanleg heeft verzocht om de onderbouwing van het standpunt van de geneesheer-directeur, maar dit niet ontvangen. Evenmin bevindt zich een verklaring van psychiater [betrokkene 3] bij de stukken en ook de geneesheer-directeur verwijst niet naar psychiater [betrokkene 3] . Deze overweging van de rechtbank is dan ook onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd.
2.10
Subonderdeel 2.2 klaagt dat als de rechtbank wel stukken heeft met betrekking tot een onderzoek door psychiater [betrokkene 3] , het recht op hoor en wederhoor is geschonden door die stukken niet aan betrokkene te verstrekken.
2.11
De klachten in de subonderdelen 2.1 en 2.2 zal ik hieronder gezamenlijk behandelen. Zoals hierboven in 2.3 besproken stelt de geneesheer-directeur zich op de hoogte van de actuele geestelijke gezondheidstoestand van betrokkene. Hij is daarbij vrij om zelf invulling te geven aan dit vereiste. Uit het besluit van de geneesheer-directeur van 10 januari 2019 blijkt niet of en zo ja, hoe, de geneesheer-directeur zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele geestelijke gezondheidstoestand van betrokkene. Vermeld is slechts dat betrokkene de gestelde voorwaarden, met name geen gebruik anders dan methadon en nicotine, niet is nagekomen nu zij “meermaals cocaïne en andere drugs [heeft] gebruikt hetgeen nadelig is voor uw ongeboren kind.”16.De advocaat van betrokkene heeft in eerste aanleg reeds verzocht om de onderbouwing van de beslissing van de geneesheer-directeur17., maar deze blijkens het proces-verbaal18.niet ontvangen. De rechtbank heeft echter overwogen “De noodzaak tot conversie is beoordeeld door de psychiater [betrokkene 3] , waarvan onbetwist is dat zij niet bij de behandeling van betrokkene is betrokken en derhalve in het kader van de Bopz heeft te gelden als een onafhankelijke psychiater.” Volstrekt onduidelijk is waar de rechtbank dit op baseert. In het dossier bevindt zich geen verklaring van psychiater [betrokkene 3] , hetgeen de rechtbank zelf ook erkent blijkens het proces-verbaal (“Wij hebben verder ook geen stukken”19.). Dit leidt ertoe dat geen sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor doordat de rechtbank de stukken met betrekking tot het onderzoek door psychiater [betrokkene 3] niet aan betrokkene heeft verstrekt, zoals subonderdeel 2.2 betoogt, nu de rechtbank daar zelf ook niet over beschikte. De klacht in dit subonderdeel faalt derhalve.
2.12
Ter zitting in eerste aanleg is dus (kennelijk) wel aan de orde gekomen dat psychiater [betrokkene 3] als onafhankelijk psychiater de actuele geestelijke gezondheidstoestand van betrokkene heeft beoordeeld:
“Psychiater: […] Vorige week donderdag was er een onafhankelijke deskundige. Zij heeft besloten tot heropname.”20.
“Advocaat betrokkene: […] Daarnaast kan ik de medische verklaring niet toetsen.
Psychiater: [betrokkene 3] is niet betrokken bij de behandeling.”21.
Op geen enkele wijze blijkt echter hoe de geestelijke gezondheidstoestand van betrokkene is beoordeeld. Dit leidt ertoe dat het oordeel van de rechtbank op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Gelet op het hiervoor overwogene slaagt de hierop betrekking hebbende klacht in subonderdeel 2.1.
2.13
De klachten in subonderdeel 2.1 over de onafhankelijkheid van de deskundige en het onderzoek zal ik hierna bij onderdeel III bespreken.
2.14
Onderdeel III klaagt dat dat de overweging van de rechtbank, dat er een drietal positieve testen is op het gebruik van verdovende middelen en dat onvoldoende aannemelijk is dat deze het gevolg zijn van andere omstandigheden dan gebruik, niet juist is gelet op het ontbreken van bewijs althans onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is.
Subonderdeel 3.1 voert ter onderbouwing hiervan aan dat betrokkene heeft aangegeven dat geen sprake was van overtreden van de voorwaarden. Zij heeft het recht haar onschuld te bewijzen door middel van onafhankelijk onderzoek (haaranalyse of nieuw urineonderzoek), maar op haar verzoek is niet ingegaan. Bij de laatste urinecontrole is de begeleider met de buisjes weggelopen en heeft betrokkene het onderzoek niet kunnen controleren. Daarna heeft deze begeleider zich ziek gemeld in verband met stressklachten. Ook bewijsstukken van de andere twee, naar zeggen van de psychiater positieve, urinecontroles ontbreken.
2.15
Subonderdeel 3.2 klaagt dat betrokkene uitdrukkelijk heeft verzocht om onafhankelijk onderzoek door haaranalyse of nieuw urineonderzoek, waar niet op ingegaan is. De rechtbank is derhalve uitgegaan van gegevens waarvoor geen bewijzen zijn aangedragen. Op deze wijze wordt niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 5 lid 1a en onder e EVRM.
2.16
De advocaat van betrokkene heeft in eerste aanleg in het ‘Bezwaar tegen conversie’ van 16 januari 2019 aangegeven dat betrokkene niet deugdelijk door de onafhankelijk medisch deskundige is gehoord en dat zij onafhankelijk onderzoek door haaranalyse of nieuw urineonderzoek wenst, nu zij meent dat de afgesproken procedure – die een positief resultaat opleverde – voor de urinecontrole, in ieder geval de laatste keer, niet goed is nagekomen.22.Ook ter zitting in eerste aanleg heeft de advocaat van betrokkene aangevoerd dat geen sprake is geweest van hoor en wederhoor en dat de urinecontrole niet eerlijk is verlopen.23.De rechtbank kan niet tot het oordeel komen dat “er een drietal positieve testen op het gebruik van verdovende middelen [is] en [dat] onvoldoende aannemelijk [is] dat al die positieve scores het gevolg zijn van andere omstandigheden dan gebruik”24., zonder in te gaan op de hierboven weergegeven stellingen van betrokkene. Dit oordeel van de rechtbank is derhalve onbegrijpelijk. Het beroep op artikel 5 EVRM kan gelet hierop verder onbesproken blijven. Dit leidt ertoe dat onderdeel III eveneens slaagt.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Limburg van 18 januari 2019 en tot terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑05‑2019
Behandelplan 13 december 2018, p. 4.
`Brief geneesheer-directeur van 10 januari 2019 aan betrokkene.
De verweertermijn liep af op 8 mei 2019.
Proces-verbaal zitting eerste aanleg p. 3.
HR 23 september 2005, BJ 2005/35.
HR 12 oktober 2018, NJ 2018/413.
Kamerstukken II, 2005-2006, 30 492 nr. 3, p. 7-8.
Kamerstukken II, 1979-1980, 11 270 nr. 12, p. 12.
Kamerstukken II, 1979-1980, 11 270 nr. 12, p. 13.
Kamerstukken II, 1979-1980, 11 270 nr. 12, p. 13.
Kamerstukken II, 1979-1980, 11 270 nr. 12, p. 14.
HR 23 september 2005, BJ 2005/35, ro. 3.3.2-3.3.5.
HR 12 oktober 2018, NJ 2018/413, ro. 3.3.2.
Geneeskundige verklaring van 13 december 2018 punt 4.
Bestreden beschikking p. 1.
Besluit geneesheer-directeur van 10 januari 2019.
‘Bezwaar tegen conversie en verzoek toetsing door rechtbank conversie voorwaardelijke machtiging’ van 16 januari 2019, p. 2.
Proces-verbaal zitting eerste aanleg; p. 1 voorlaatste alinea, p. 2 bovenaan, en p. 3 (“Daarnaast kan ik de medische verklaring niet toetsen”.
Proces-verbaal zitting eerste aanleg, p. 2 tweede alinea.
Proces-verbaal zitting eerste aanleg, p. 2 vijfde alinea.
Proces-verbaal zitting eerste aanleg, p. 3 onderaan.
‘Bezwaar tegen conversie’ van 16 januari 2019, p. 1 (bullet points 5, 6, 7).
Proces-verbaal zitting eerste aanleg, p. 1 voorlaatste alinea.
Bestreden beschikking p. 2.
Beroepschrift 15‑04‑2019
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen
[verzoekster], wonende te [woonplaats], te dezer zake te Den Haag woonplaats kiezende aan de Riouwstraat 131, ten kantore van de advocate bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. G.E.M. Later, die door verzoekster als zodanig wordt aangewezen om voor haar in dit rechtsgeding op te treden en die het verzoekschrift voor verzoekster ondertekent en indient en daartoe door verzoekster bepaaldelijk is gemachtigd;
1.
Bij beschikking van 18 januari 2019 onder nummer C/03/259534/BZ RK 19/126 heeft de Rechtbank Limburg zittingsplaats Roermond het bezwaar tegen conversie van de voorwaardelijke machtiging in een voorlopige machtiging afgewezen. Die beschikking met het bezwaar van 16 januari 2019 met achterliggende beslissing van de geneesheer-directeur van 10 januari 2019, het proces-verbaal van de zitting van 18 januari 2019 alsmede de achterliggende stukken te weten de beschikking met betrekking tot de voorwaardelijke machtiging van 18 december 2018, het verzoek van de Officier van Justitie van 14 december 2018, de geneeskundige verklaring van 13 december 2018, het behandelplan van 13 december 2018, de aantekeningen over de periode 7 september 2018 tot en met 13 december 2018, alsmede de beschikking van 11 december 2018 met betrekking tot voortzetting inbewaringstelling en verwijzing ex artikel 8A Wet Bopz en de beschikking van 18 december 2018 met betrekking van afwijzing van het verzoek voortzetting inbewaringstelling legt verzoekster hierbij over.
2.
Verzoekster kan zich met de onderhavige beschikking van 18 januari 2019 niet verenigen en stelt daarvan bij deze — derhalve tijdig — beroep in kassatie in onder aanvoering van het navolgende:
Middel van kassatie
Schending van het recht althans verzuim van vormen waarvan niet inachtneming nietigheid medebrengt, aangezien de Rechtbank Limburg zittingsplaats Roermond ten aanzien van het bezwaar tegen de conversie van de voorwaardelijke machtiging in een voorlopige machtiging van 16 januari 2019, heeft overwogen, zoals in de beschikking staat omschreven, welke overwegingen en beslissingen als hier herhaald en overgenomen dienen te worden beschouwd, zulks ten onrechte om de navolgende redenen.
I.
Naar uit de bestreden beschikking blijkt heeft de Rechtbank het volgende overwogen:
‘…De raadsvrouw van betrokkene heeft op een drietal punten bezwaar aangetekend tegen de conversie van de voorwaardelijke machtiging naar een voorlopige machtiging. Er zou geen sprake zijn van een stoornis van de geestvermogens, de noodzaak tot conversie is niet beoordeeld door een onafhankelijke psychiater en er is geen sprake van overtreding van de voorwaarden.
De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar tegen de conversie van de voorwaardelijke machtiging dient te worden afgewezen. Bij beschikking van 18 december 2018 heeft de rechtbank vastgesteld dat er sprake is van een stoornis van de geestvermogens en niet is gesteld of anderszins gebleken dat die stoornis thans niet meer bestaat. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat uit de ter beschikking staande stukken duidelijk blijkt dat de middelen afhankelijkheid samenhangt met dieper liggende persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene, dat echter door weigering van betrokkene zelf nimmer deugdelijke diagnostiek heeft plaatsgevonden naar de aard van die persoonlijkheidsproblematiek. Hetgeen niet betekent dat die niet aanwezig is…’.
Welke overwegingen met betrekking tot het bestaan van een stoornis naar de mening van verzoekster onjuist zijn althans onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting
(1.1) Stoornis van de geestvermogens en ex nunc toetsing
Zoals de advocaat ter zitting heeft aangevoerd, geeft verzoekster aan dat er op dit moment geen sprake is van een geestesstoornis en dat de rechtbank ex-nunc moet toetsen. Uit de verklaring van de geneesheer-directeur van 10 januari 2019 blijkt dat de reden voor het intrekken van de voorwaardelijke machtiging is het niet nakomen van de gestelde voorwaarden, met name geen gebruik anders dan methadon en nicotine. De geneesheer-directeur schrijft:
‘…U heeft meermaals cocaïne en andere drugs gebruikt hetgeen nadelig is voor uw ongeboren kind…’.
Uit deze verklaring blijkt dus niets met betrekking tot een stoornis van de geestvermogens.
Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de Rechtbank gevraagd heeft:
‘…Wanneer u zegt dat uw cliënt niet lijdt aan een geestesstoornis is de stelling dan dat er na 18 december 2018 iets is gewijzigd in de geestestoestand van uw cliënt? …’.
De reactie van de psychiater is de volgende:
‘…Er is sprake van een verslavingsstoornis en zwangerschap…’.
Blijkens het proces-verbaal heeft de advocaat van verzoekster nog aangevoerd:
‘…Ik vind dat de geestestoornis weinig is onderbouwd. Enkel de verslaving is niet voldoende. Er is geen andere stoornis…’.
De reactie van de psychiater is:
‘…Naar mijn mening is een verslaving wel een vorm van een geestesstoornis…’.
De advocaat heeft daarop gereageerd:
‘…Maar geen stoornis in de zin van de BOPZ. Daarnaast kan ik de medische verklaring niet toetsen…’.
Voor de vraag of er sprake is van een stoornis van de geestvermogens zal de rechtbank moeten toetsen op de wijze zoals uw Hoge Raad dat heeft aangegeven. Uit de eerdere beschikking van 18 december 2018 blijkt dat de Rechtbank toen heeft vastgesteld dat er sprake is van een stoornis van de geestvermogens. Maar ook als daar naar de achterliggende stukken wordt gekeken gaat het feitelijk alleen om stoornissen door gebruik van middelen. Kennelijk is in het kader van de voorwaardelijke machtiging daar niet verder verweer over gevoerd.
Wanneer echter die voorwaardelijke machtiging omgezet wordt in een vrijheidsberoving via een voorlopige machtiging zal er toch ex-nunc moeten worden bekeken of er sprake is van een stoornis van de geestvermogens die relevant is in het kader van de Wet Bopz.
Dat de Rechtbank eerder — waarschijnlijk ten onrechte — heeft vastgesteld dat er sprake is van een stoornis van de geestvermogens doet daar niet aan af.
(1.2) Verslaving sec geen stoornis van de geestvermogens
De Rechtbank overweegt dat middelenafhankelijkheid samenhangt met dieper liggende persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene, dat echter door weigering van betrokkene zelf nimmer deugdelijke diagnostiek heeft plaatsgevonden naar de aard van die persoonlijkheidsproblematiek. Hetgeen niet betekent dat die niet aanwezig is. Waar de Rechtbank een en ander uithaalt wordt niet erg duidelijk.
Dat verzoekster niet zou meewerken aan de deugdelijke diagnostiek blijkt evenmin.
In tegendeel. In het proces-verbaal van de zitting staat daarover het volgende vermeld:
‘…Psychiater:
Wij hebben dinsdag besloten dat er een gesprek moet komen met alle partijen. Wij hebben niet als doel om betrokkene tot het einde van haar zwangerschap hier te houden. De Raad voor de kinderbescherming gaan een onderzoek doen.
De advocaat van betrokkene:
De vorige keer is het gesprek opgenomen. Toen zei u dat u niks van de voorwaarden af wist.
Psychiater:
Er is verschil tussen zorg en behandeling. Als betrokkene diagnostiek wil, willen wij daaraan meewerken, maar daarin is ze ambivalent.
Rechtbank:
Er zijn twee dingen. Waarom zijn we hier? En de ander: wat hebt u nodig om in uw kracht te komen. Er is meer nodig. U zit zelf aan het roer. Als de arts zegt dat diagnostiek nodig is, is dat denk ik een uitnodiging.
Betrokkene:
Nee, mijn vrijheden worden van mij weggenomen. Ze beloven mij dat ik naar buiten mag maar dat gaat dan niet door.
Psychiater:
Het gesprek moet nog gepland worden. Het mooiste zou zijn wanneer betrokkene weg zou kunnen uit de kliniek, maar een andere plek zou kunnen dan naar het Domushuis, en dat ze vanuit daar weer verder kan met de voorwaarden die zijn opgesteld…’.
Het blijkt dus dat er discussie is over diagnostiek maar niet dat er sprake is van een dieper liggende persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene. Integendeel, de psychiater zegt dat als verzoekster diagnostiek wil, zij daaraan willen meewerken, maar dat verzoekster ambivalent is.
In het behandelplan van 13 december 2018 wordt geschreven dat er differentiaal diagnostisch gedacht kan worden aan PTSS en/of een persoonlijkheidsstoornis. Wat men dan wel precies voor die mogelijke problematiek aan hulpverlening aanbiedt blijkt uit het behandelplan niet.
Nu ook de arts die ter zitting aanwezig is het slechts heeft over verslaving heeft de Rechtbank ten onrechte daarop niet geacteerd en aangenomen dat er een stoornis van de geestvermogens is.
Het feit dat de Rechtbank met betrekking tot een al dan niet bestaande persoonlijkheidsstoornis toevoegt ‘Hetgeen niet betekent dat die niet aanwezig is’, is een conclusie die uit de feiten niet getrokken kan worden. In ieder geval heeft de Rechtbank dusdoende miskend dat de Rechtbank niet zelfstandig stoornissen aanwezig kan achter zonder achterliggende stukken van ‘medical experts’.
Zoals uw Hoge Raad overwoog onder verwijzing naar de eerdere beslissing van 23 september 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AU0372) in de beslissing van 12 oktober 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1936) sub 3.3.2:
‘…In de hiervoor in 3.3.1 genoemde beschikking heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat verslaving aan middelen als alcohol en drugs niet tot toepassing van de Wet Bopz kan leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst (zie onder meer ook HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2630). Hiermee heeft de Hoge Raad het volgende tot uitdrukking gebracht. Verslaving aan middelen als alcohol en drugs kan op zichzelf niet tot toepassing van de Wet Bopz leiden, ook niet indien wordt aangenomen dat deze verslaving een psychiatrische ziekte is. Er moet om tot toepassing van de Wet Bopz te komen sprake zijn van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.
Deze psychische stoornis kan voortvloeien uit of samenhangen met de verslaving aan middelen. Het kan ook gaan om een van de verslaving losstaande psychische stoornis van andere aard (‘comorbiditeit’)…’
De Rechtbank heeft dus niet vastgesteld op de wijze zoals uit de jurisprudentie van uw Hoge Raad volgt, dat er in casu ten tijde van de beslissing sprake zou zijn van een stoornis van de geestvermogens, die reden zou kunnen zijn de conversie in stand te laten en verzoekster van haar vrijheid beroofd te laten.
II.
Naar uit de bestreden beschikking blijkt heeft de Rechtbank overwogen:
‘…De noodzaak tot conversie is niet beoordeeld door een onafhankelijke psychiater (…).
De noodzaak tot conversie is beoordeelt door de psychiater [betrokkene 3] [betrokkene 3], waarvan onbetwist is dat zij niet bij de behandeling van betrokkene is betrokken en derhalve in het kader van de Bopz heeft te gelden als een onafhankelijke psychiater…’,
Welke overwegingen onbegrijpelijk zijn nu uit de beslissing van de geneesheer-directeur van 10 januari 2019 niet blijkt op basis van welk onderzoek hij besloten heeft de voorwaardelijke machtiging om te zetten in een reguliere BOPZ-machtiging, althans heeft de Rechtbank onvoldoende duidelijk gemaakt waaruit de Rechtbank deze gegevens haalt.
Toelichting
(2.1) Onafhankelijk psychiatrisch onderzoek
Uit het verweerschrift van verzoeksters advocaat blijkt dat onder meer geklaagd is als volgt:
‘… Zij geeft aan dat haar actuele geestelijke gezondheidstoestand niet voldoende is onderzocht;
- •
Zij geeft aan dat er geen sprake is geweest van een medische onderbouwing die aan de vereisten van art. 5 EVRM ten aanzien van een onafhankelijke medisch deskundige voldoet. Met name is cliënte van mening dat er geen sprake is geweest van een onafhankelijke deskundige. Cliënte geeft aan dat de deskundige (voor zover bekend mevrouw fonetisch [betrokkene 3]) al voordat zij gesproken had met cliënte aangaf dat cliënt opgenomen moest worden op grond van hetgeen de verslavingsarts had aangenomen;
- •
Cliënte geeft aan dat zij niet deugdelijk gehoord is door de onafhankelijk medisch deskundige;
- •
Cliënte heeft gevraagd om onafhankelijk onderzoek door haaranalyse of nieuw urine onderzoek waar niet op in gegaan werd. Cliënte meent dat zij het recht heeft om haar onschuld te kunnen bewijzen en dat het haar moet worden toegestaan om een onafhankelijk deskundigen onderzoek aan te vragen;
- •
Cliënte geeft aan dat de afgesproken procedure voor urinecontrole niet juist is nagekomen. Zo zouden de urinemonsters niet in bijzijn van cliënte zijn gesloten(…)
- •
Zij geeft aan dat er geen ambulante behandeling heeft plaatsgevonden of is aangeboden ten tijde van de periode van de voorwaardelijke machtiging terwijl zij daartoe wel bereid is (…);
- •
Zij heeft aan dat het standpunt van de geneesheer-directeur onvoldoende is onderbouwd dat zij zich niet aan de gestelde voorwaarden gehouden heeft;…’.
Uit het verweerschrift blijkt eveneens dat verzocht is om de onderbouwing van de beslissing van de geneesheer-directeur te doen toekomen.
Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt eveneens dat de advocaat van verzoekster heeft aangevoerd:
‘…Daarnaast heb ik geen verslag gezien en dus ook geen onderbouwing van de geneesheer-directeur. Er is dus geen sprake van hoor en wederhoor. Hoe zit het nou met de urinecontroles? In de geneeskundige verklaring staat dat mijn cliënt 4 dagen van te voren op de hoogte is gesteld dat zij moest worden opgenomen. Maar mijn cliënt begreep al twee weken eerder dat ze moest worden opgenomen, hier is dus onduidelijkheid over…’.
De advocaat van verzoekster heeft ook nog aangevoerd blijkens het proces-verbaal van de zitting:
‘…Ik heb het verslag van de onafhankelijk medisch deskundige niet ontvangen. Ik kan niet toetsen of deze onafhankelijk is. Mijn cliënt heeft haar zien eten met personeel van de afdeling…’.
Later in het proces-verbaal wordt door de psychiater gezegd:
‘…Mevrouw [betrokkene 3] is niet betrokken bij de behandeling…’.
De overweging van de Rechtbank dat de noodzaak tot conversie beoordeeld zou zijn door de psychiater [betrokkene 3] [betrokkene 3], waarvan onbetwist is dat zij niet bij de behandeling van betrokkene is betrokken en derhalve in het kader van de Wet Bopz heeft te gelden als een onafhankelijk psychiater is een overweging die niet gestaafd wordt met bewijsstukken. Nergens bevindt zich bij de stukken enige verklaring van deze psychiater.
Ook de geneesheer-directeur verwijst niet naar deze psychiater.
Dat er dan ook sprake zou zijn van noodzaak tot conversie volgens deze psychiater blijkt uit de stukken niet. De overweging van de Rechtbank is dan ook onbegrijpelijk nu enig bewijs van die beoordeling door die psychiater ontbreekt.
De Rechtbank heeft een en ander ook onvoldoende gemotiveerd omdat de Rechtbank kennelijk geen stukken heeft over de beoordeling door deze psychiater en dus ook niet kan zien of deze psychiater inderdaad heeft geoordeeld dat er sprake is van een noodzaak tot conversie.
(2.2) Of heeft de Rechtbank wel stukken? Recht op hoor en wederhoor.
Indien de Rechtbank wel stukken heeft met betrekking tot een onderzoek door deze psychiater, heeft de Rechtbank het recht op hoor en wederhoor geschonden door die stukken niet aan verzoekster ter beschikking te stellen teneinde daarop te reageren.
III.
In de beschikking overweegt de Rechtbank:
‘…Ten slotte zijn er een drietal positieve testen op het gebruik van verdovende middelen en is onvoldoende aannemelijk dat al die positieve scores het gevolg zijn van andere omstandigheden dan gebruik…’,
Welke overweging niet juist is gelet op het ontbreken van enig bewijs althans onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting
(3.1) Geen overtreding van de voorwaarden
Verzoekster heeft uitdrukkelijk aangevoerd dat er geen sprake is van overtreding van de voorwaarden. Ook in het verweer wordt uitdrukkelijk aangevoerd dat verzoekster geen andere middelen heeft gebruikt dan enkel methadon en nicotine zoals in het behandelplan is opgenomen. Zij heeft ook gevraagd om onafhankelijk onderzoek door haaranalyse of nieuw urineonderzoek maar daar is niet op ingegaan. Zoals zij uitdrukkelijk heeft aangevoerd heeft zij het recht om haar onschuld te kunnen bewijzen en dat het haar moet worden toegestaan om een onafhankelijk deskundigenonderzoek aan te vragen. Zij heeft ook aangegeven dat het standpunt van de geneesheer-directeur onvoldoende is onderbouwd dat zij zich niet aan de gestelde voorwaarden zou hebben gehouden.
Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de partner van verzoekster met betrekking tot de laatste urinecontrole uitdrukkelijk heeft aangevoerd dat die keer de begeleider is weggelopen met de buisjes urine en verzoekster die niet heeft kunnen controleren. De begeleider die de urinecontrole heeft uitgevoerd heeft zich daarna ziek gemeld in verband met stressklachten.
De psychiater zegt volgens het proces-verbaal dat de voorwaardelijke machtiging is geconverteerd omdat er drie positieve urinecontroles zouden zijn geweest.
Van enige achtergrondinformatie blijkt niet. De psychiater meent dat onwaarschijnlijk is dat er drie keer iets fout is gegaan met de controle, maar bewijsstukken van de controles ontbreken net als onderzoeksgegevens van de deskundige die bij een en ander betrokken zou zijn geweest.
(3.2) Onafhankelijk deskundigen onderzoek
Naar uit het verweer blijkt heeft verzoekster ook uitdrukkelijk gevraagd om onafhankelijk onderzoek door haaranalyse of nieuw urineonderzoek waar echter niet op ingegaan is. Verzoekster moet in staat gesteld worden haar onschuld te bewijzen en haar had dus moeten worden toegestaan om een onafhankelijk deskundigenonderzoek te laten doen.
Uit de beschikking blijkt dus dat de Rechtbank uitgaat van gegevens waarvoor geen bewijzen zijn aangedragen en geheel voorbij gaat aan het uitdrukkelijk verzoek van verzoekster in het verweerschrift om een onafhankelijk onderzoek.
Een en ander is onbegrijpelijk en in ieder geval onvoldoende gemotiveerd. Voldaan moet worden aan de voorwaarden van artikel 5 lid 1a en onder e EVRM. Dat kan niet als de achterliggende informatie ontbreekt en de Rechtbank desalniettemin beslist alsof die achterliggende informatie wel aanwezig zou zijn en — indien die achterliggende informatie aanwezig zou zijn — niet ingaat op het verzoek om een onafhankelijk deskundigen onderzoek.
dat verzoekster meent dat de bovenstaande redenen grond zijn om de bestreden beschikking te vernietigen;
Weshalve
Het de Hoge Raad der Nederlanden moge behagen te vernietigen de beschikking van de Rechtbank Limburg zittingsplaats Roermond van 18 januari 2019 met zodanige beschikking als Uw Hoge Raad in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Den Haag, 15 april 2019
mr. G.E.M. Later
advocaat