Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/12
12 Inzage en disclosure in de Nederlandse Antillen en Aruba
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS450401:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de vernieuwingen in de Wetboeken van Burgerlijke Rechtsvordering in beide Caribische landen J. de Boer, Burgerlijke Rechtsvordering in de West, NJB 2005, p. 1980-1984. Zie ook Hugenholz/Heemskerk/Groefsema, Hoofdlijnen van het burgerlijk procesrecht van de Nederlandse Antillen en Aruba, 2009, Elsevier Juridisch Amsterdam. In nummer 122, bewijs door derden, wordt art. 142 Rv-NA&A kort besproken, in nummer 201 wordt melding gemaakt van art. 843a RvNA&A.
Brief van Prof. Mr W.D.H. Asser aan prof. Mr J. de Boer, p.a. Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de NA en Aruba van 5 juli 1996.
Zie J. de Boer, Burgerlijke Rechtsvordering in de West, NJB 2005, p. 1982. Art. 29 lid 1 van de op 1 december 2001 ingevoerde Lar luidt als volgt: Het Gerecht kan de indiener van het beroepschrift, de andere partijen en andere natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen verzoeken binnen een door het Gerecht te stellen termijn schriftelijke inlichtingen te verschaffen en onder hen berustende of te hunner beschikking staande stukken over te leggen. Degene aan wie het Gerecht het verzoek richt, is verplicht tot het verschaffen van de gevraagde inlichtingen en het overleggen van de gevraagde stukken. Zie ook art. 8:45 lid 1 AWB:'De rechtbank kan partijen en anderen verzoeken binnen een door haar te bepalen termijn schriftelijk inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden.
Zie ook HR 30 januari 2004, NJ 2005, 455, m.nt. D.A.
Het tweede lid van dit artikel 198 Sr (lid 1 betreft kort gezegd het niet voldoen aan de wettelijke getuigplicht) luidt nu: Met dezelfde straf als genoemd in het eerste lid, onder 2°, wordt degene bedreigd die opzettelijk of wederrechtelijk weigert de gevraagde medewerking, bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, te verlenen.
De memorie van toelichting is abuis waar deze vermeldt dat de derde bij een toewijzende beslissing toestemming van het Hof nodig heeft om in hoger beroep te komen. Ten aanzien van hem is deze toewijzing immers een einduitspraak. Deze derde dient dezelfde rechten te hebben als bijvoorbeeld een getuige heeft wiens beroep op verschoning is verworpen en die getuige heeft geen toestemming van het Hof nodig om in hoger beroep te komen. Zo ook Lewin, par. 3.7, Tussentijds hoger beroep.
G.C.C. Lewin, Kroniek burgerlijk procesrecht van de Nederlandse Antillen en Aruba, TCR 2009, p. 89.
1112 18 februari 2000, NJ 2001, 259.
Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao 19 december 2005 (ik zal hierna nog slechts vermelden `GEA' en de zittingsplaats). Uit de vervolgbeschikking van 28 april 2006 (maar nu genummerd EJ 52A/2005) blijkt dat de huisarts in Nederland de vragen heeft beantwoord. Uit die antwoorden blijkt dat Martina niet volledig heeft verklaard tijdens de zitting bij het Gerecht, waaruit het Gerecht de gevolgtrekking maakt dat het verzoek van de werknemer moet worden afgewezen en zijn ontslag op staande voet terecht is geweest.
GEA Curaçao 22 maart 2006, ARnr. 1056/2001. De antwoorden komen en partijen mogen daarop reageren. Partijen doen dat ook, waarbij een partij zijn reactie 'conclusie na deskundigenbericht' noemt. In het daarop volgende vonnis van het Gerecht van 29 januari 2007, vermeldt het Gerecht zelf dat het bij tussenvonnis van 22 maart 2006 gevraagde deskundigenbericht is uitgebracht.
GEA Curaçao 18 december 2005, ARnr. 1453/2005.
GEA Curaçao 15 januari 2007, ARnr. 1358/2005. Uit het volgende vonnis in deze zaak, 12 november 2007, BG9118, blijkt dat de Banco di Caribe de gevraagde inlichtingen heeft verschaft.
GEA Sint Maarten 16 januari 2007, ARnr. 56/2004.
Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba 22 juni 2007, AR 497/94-H.79/02 (niet gepubliceerd).
Het op 1 augustus 2005 in werking getreden art. 843a in de Wetboeken van Burgerlijke Rechtsvordering in de Nederlandse Antillen en Aruba (hierna in enkelvoud Rv-NA&A te noemen) is niet helemaal gelijkluidend aan art. 843a Rv in Nederland. De Antilliaanse en Arubaanse tekst luidt als volgt:
1. Hij die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden of andere gegevensdragers aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden of andere gegevensdragers te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.
2. De rechter bepaalt, zo nodig, de wijze waarop en de voorwaarden waaronder inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft.
3. Hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien de bescheiden of andere gegevensdragers uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn.
4. Degene die de bescheiden of andere gegevensdragers te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.
De tekstuele verschillen zijn minimaal: in Nederland worden 'op een gegevensdrager aangebrachte gegevens' geacht tevens bescheiden te zijn; in de Nederlandse Antillen en Aruba is een `gegevensdrager' een zelfstandige bron en is geen onderscheid gemaakt tussen gegevens op de gegevensdrager en de gegevensdrager zelf. In Nederland kan de rechter op grond van lid 2 alleen de wijze waarop de inzage moet worden verschaft bepalen; in de Nederlandse Antillen en Aruba kan de rechter daarnaast nog 'de voorwaarden waaronder de inzage wordt verschaft' bepalen.
Bij de bespreking van art. 843a Rv-NA&A moet worden vermeld dat in die twee landen sinds 1 augustus 2005 nog twee andere artikelen bestaan waarin de overlegging van stukken wordt geregeld en wel de artt. 141 en 142 Rv-NA&A. De artikelen in beide landen zijn, met uitzondering van lid 1 van art. 141, gelijkluidend.
Art. 141 lid 1 Rv-NA luidt als volgt:
1. De rechter kan in de loop van een geding, op verzoek of ambtshalve, aan partijen of aan een van hen de overlegging bevelen van onder hen berustende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of voorwerpen.
Art. 141 lid 1 Rv-A luidt als volgt:
De rechter kan in de loop van een geding, op verzoek of ambtshalve, aan partijen of aan een van hen de overlegging bevelen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, die zij ingevolge de wet moeten houden, maken of bewaren.
De leden 2 en 3 van art. 141 in beide landen luiden als volgt:
2. Partijen kunnen dit weigeren indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffmg van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.
3. De rechter beslist of die weigering gerechtvaardigd is, bij gebreke waarvan hij daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.
Art. 142 in beide landen luidt als volgt:
1. De rechter kan op verzoek van een der partijen aan anderen dan partijen, na deze te hebben gehoord of daartoe de gelegenheid te hebben gegeven, bevelen binnen een door de rechter te stellen termijn schriftelijk inlichtingen te verschaffen en onder hen berustende boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of voorwerpen over te leggen. Degene tot wie de rechter het bevel richt, is verplicht tot het verschaffen van de gevraagde inlichtingen en het overleggen van de gevraagde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of voorwerpen.
2. De rechter bepaalt, zo nodig, de wijze waarop, en de voorwaarden waaronder de inlichtingen zullen worden verschaft, dan wel de boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of voorwerpen zullen worden overgelegd.
3. De rechter wijst het verzoek in elk geval af indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing der gegevens is gewaarborgd.
4. Het in artikel 144 omtrent het verschoningsrecht van getuigen bepaalde is van overeenkomstige toepassing, maar ook andere gewichtige redenen, waaronder een gevaar voor onevenredige schade aan zijn belangen of die van derden, kunnen een weigering rechtvaardigen.
5. Tegen een afwijzing van het verzoek staat geen hogere voorziening open.
6. Heeft de rechter het bevel gegeven, dan zijn de artikelen 152 en 152a van overeenkomstige toepassing.
Art.141Rv was in beide landen neergelegd in de artt. 6 en 7 Kh, waarbij de regeling in de Nederlandse Antillen bij de overplaatsing naar het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering iets is verruimd. Art.142 NA&A kent geen voorganger. De inhoud van art. 843a Rv-NA&A was min of meer wel bekend en neergelegd in art. 1904 en 1905 BW-NA&A. Deze artikelen in dit BW waren bijna gelijkluidend aan de hiervoor in par. 2.1.3 genoemde art. 1922 en 1923 BW.1
Zeker bij de invoering van art. 142 Rv-NA&A is niet over een nacht ijs gegaan. De eerste ontwerper van de vernieuwingen in Rechtsvordering in de twee Caribische landen, prof. mr. J. de Boer, heeft namelijk in 1996 over dit artikel gecorrespondeerd met prof. mr. W.D.H. Asser. In die correspondentie ontraadt Asser invoering van een dergelijk artikel.2 Hij geeft hiervoor meerdere redenen. Ten eerste ziet hij geen rechtsgrond. De civiele rechter staat volgens hem namelijk wel in een rechtsverhouding tot de procederende partijen, maar in het algemeen niet in een rechtsverhouding ten aanzien van derden. Een civiele uitspraak is volgens hem vooral ten behoeve van de procespartijen en niet ten behoeve van de niet bij die procedure betrokken gemeenschap, zodat willekeurige derden niet zomaar verplichtingen opgelegd kunnen worden. Hij vindt verder dat het artikel zich systematisch niet laat plaatsen. Het lijkt op de dwanguitgiften van akten, maar niet voldoende om het daar onder te brengen. Hij merkt verder op dat het onduidelijk is waarom de rechter ambtshalve dat verzoek zou kunnen doen. Ik concludeer uit die opmerking dat de tekst van het ontwerp in elk geval wat dat punt betreft is aangepast. Onder de huidige regeling dient immers een partij dit verzoek te doen. Asser wijst er verder op dat ook getuigen niet gedwongen kunnen worden om bescheiden aan de rechter af te geven. Hij wijst hierbij op het hiervoor in de paragrafen 3.3 en 8.4 al genoemde arrest HIR 11 maart 1994, NJ 1995, 3 (waarin hij zelf als AG concludeerde). Kortom, Asser zag in 1996 alleen maar beren, hele grote zelfs, op de weg naar de waarheidsvinding bij een door de rechter te geven bevel aan anderen dan de procespartijen om schriftelijk inlichtingen te verschaffen en onder hen berustende boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of voorwerpen over te leggen. Dezelfde Asser (samen met Vranken en Groen) laat tien jaar later in het rapport Uitgebalanceerd een ander geluid horen. Op p. 71 staat in par. 6.5.3.2, Disclosure of documents, het volgende:
`Naar aanleiding van wat hiervoor is gezegd in verband met de voorlopige bewijsmaatregelen en de wens van de Raad voor de Rechtspraak de toegang daartoe te beperken, willen wij beklemtonen dat het juist van belang is dat partijen over en weer en zo nodig ook ten opzichte van derden aanspraak kunnen maken op de informatie die nodig is om het proces goed voor te bereiden, te voeren en eventueel na een feitelijke goed gefundeerde inschatting van een toekomstige procespositie te voorkomen. ... Uiteraard moeten de sluizen niet worden opengezet naar kostbare bewijsverrichtingen en moet een excessieve `frontloading of costs' worden voorkomen. ... De vraag is actueel of ons procesrecht niet beter geëquipeerd dient te zijn ten aanzien van de gedwongen `disclosure of documents'. Dit houdt in dat een partij of een derde verplicht is ten aanzien van bepaalde stukken die `disclosable' zijn mee te delen dat hij ze in bezit heeft, wat als gevolg heeft dat de partij ten opzichte van wie de disclosure plaatsvindt het recht heeft de betrokken documenten in te zien.'
De bezwaren die Asser in 1996 zag, zijn niet gezien door de Commissie Ontwerp Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, ingesteld door de Algemene Ledenvergadering van de Orde van Advocaten op Curagao. De Commissie maakt namelijk geen opmerkingen over het ontwerp van art. 142 noch over art. 843a. Ook de Arubaanse Orde van Advocaten maakt geen op- of aanmerkingen. De Memorie van Toelichting, aangeboden aan de Staten van de Nederlandse Antillen, Zitting 2002-2003, vermeldt bij art. 142 het volgende:
`In dit artikel — dat in Nederland ontbreekt — wordt, in het belang van de waarheidsvinding, de mogelijkheid geopend dat de rechter, op verzoek, derden beveelt inlichtingen te geven dan wel stukken of voorwerpen over te leggen. Vooral aan de verplichte overlegging van stukken (`disclosure of documents') bestaat in de praktijk behoefte. De mogelijkheid van (voorlopig) getuigenverhoor komt aan deze behoefte slechts ten dele tegemoet. In het huidige recht is immers een getuige wel verplicht mee te delen wat in bepaalde documenten staat, maar hij kan niet verplicht worden om die documenten over te leggen (vergelijk HR 11-3-1994, NJ 1995, 3, r.o. 3.4, met noot van H.J. Snijders onder 4.) De bepaling is in hoofdlijnen ontleend aan artikel 29, eerste lid, van het ontwerp Landsverordening administratieve rechtspraak.3 Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Verwacht mag worden dat de rechter deze bevoegdheid met omzichtigheid hanteert. De derde kan gewichtige redenen hebben om de stukken of voorwerpen niet over te leggen, ook al zijn zij nodig voor een behoorlijke rechtspleging. De rechter dient te beoordelen of de aangevoerde redenen de weigering kunnen rechtvaardigen. De verschoningsgronden van artikel 144 leveren in elk geval een gewichtige reden op, maar de te honoreren gewichtige redenen zijn daartoe niet beperkt; men denke aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Ook bij twijfel kan -nu het hier een discretionaire bevoegdheid betreft- de rechter na weging der betrokken belangen ervan afzien om de derde tot overlegging te verplichten. Daartegen staat geen hogere voorziening open (vijfde lid). In verband met hoger beroep, indien het bevel is gegeven, zij opgemerkt dat de beslissing van de rechter een incidenteel vonnis is en dat de derde wiens bezwaren door de rechter ontoereikend zijn geoordeeld, partij in het incident is geworden. Wenst de derde tussentijds hoger beroep in te stellen, dan zal, ingevolge artikel 263a, wel verlof van het Hof van Justitie nodig zijn; het verzoek om verlof heeft echter schorsende werking (artikel 263a, vierde en vijfde lid). Weigert de rechter het bevel te geven, dan is daartegen, zoals al opgemerkt, ingevolge het vierde lid van het onderhavige artikel 142 geen hogere voorziening toegelaten.4 ... Bovendien wordt het opzettelijk of wederrechtelijk weigeren van de gevraagde medewerking, bedoeld in artikel 142, eerste lid, strafrechtelijk bedreigd in het nieuwe tweede lid van artikel 198 van het Wetboek van Strafrecht.5 In artikel 142, tweede lid, is bepaald dat de rechter zo nodig de wijze van en de voorwaarden voor de `disclosure' bepaalt. Men denke aan een beperkte inzage of voorinzage, alsmede aan een kostenvergoeding.'6
Het lijkt niet te gewaagd om te veronderstellen dat de geringe oppositie in de Nederlandse Antillen en Aruba bij het ontwerp van de artt. 141 en 142 Rv te maken heeft met het bestaan van art. 118 Rv-NA&A Dit sinds 1919 bestaande artikel luidt als volgt:
De rechter in eerste aanleg is bevoegd om, indien hij dit voor de goede en geregelde gang van zaken nodig acht, partijen bij de behandeling van de zaak de nodige voorlichting te geven, hen te ondervragen en zelfs opmerkzaam te maken op de rechts- en bewijsmiddelen, die zij kunnen aanwenden.7
Het artikel, door Lewin het paradepaardje van de rechterlijke vrijheid genoemd,8 wordt, zeker in eerste aanleg, met enige regelmaat gebruikt en partijen (in elk geval hun raadslieden) zijn min of meer gewend aan meedenkende (en soms zelfs mee-procederende) rechters die het vinden van de materiële waarheid hoog in het vaandel hebben. Juist gelet op dit art. 118 ligt het niet in de lijn der verwachting dat de rechter de regel van art. 142 niet ambtshalve mag toepassen, zoals het eerste ontwerp kennelijk nog wel bepaalde. De toelichting op art. 843a is heel kort:
`Artikel 843a correspondeert met de artikelen 1904 en 1905 uit het huidige vierde boek van het BW (van bewijs en verjaring), welk boek is komen te vervallen. De bepaling is echter uitgebreid tot alle bescheiden en andere gegevensdragers. Ook zijn de weigeringsgronden uitgewerkt.'
De parlementaire geschiedenis is verder stil over beide artikelen. Dat is wat merkwaardig. Art. 142 is een ingrijpende vernieuwing, die eigenlijk min of meer uit de lucht is gevallen. In de Antilliaanse noch in de Arubaanse literatuur heb ik enig verlangen naar een dergelijk recht kunnen vinden. Ik heb evenmin jurisprudentie kunnen vinden die een aanleiding kan hebben gevormd om tot een recht te komen als thans is verwoord in art. 142 Rv-NA&A. Een toelichting had verder kunnen verduidelijken hoe de verhouding tussen beide artikelen is.
Ik begin met hetgeen (min of meer) gelijk is geregeld in beide artikelen. Lid 2 van art. 843a Rv-NA&A is letterlijk gelijk aan lid 2 van art. 142 Rv-NA&A. Lid 3 van art. 843a Rv-NA&A kent hetzelfde verschoningsrecht als lid 4 van art. 142 Rv-NA&A. Het is jammer dat deze leden niet letterlijk gelijkluidend zijn gemaakt. De regeling van lid 4 van art. 843a Rv-NA&A wordt gedeeltelijk teruggevonden in de leden 3 en 4 van art. 142 Rv-NA&A. Ook hier is het jammer dat de leden niet zo veel mogelijk letterlijk gelijk zijn gemaakt. De plaatsing van de woorden `andere gewichtige redenen' in lid 3, waar ook het verschoningsrecht is genoemd, laat nu ruimte voor de vraag of met 'gewichtige redenen' in dit lid 3 van art. 142 Rv-NA&A misschien iets minder zwaarwichtige redenen worden bedoeld dan de `gewichtige redenen' zoals genoemd in art. 843a lid 4 Rv-NA&A.
Opvallend is dat in lid 1 van art. 142 Rv-NA&A geen enkel in art. 843a RvNA&A genoemd bestanddeel voorkomt. Het lijkt erop dat een verzoeker wat dat betreft, behoudens de beperkingen van art. 142 Rv-NA&A leden 2 tot en met 4, geen enkele beperking voor de voeten kan worden geworpen. Een verzoek zoals gedaan door NI c.s. aan de ABN9 zal in elk geval op grond van dit art. 142 RvNA&A zonder meer moeten worden toegewezen. Art. 142 Rv-NA&A kent immers niet het bestanddeel 'rechtsbetrekking'. Het vereiste dat het bij dit artikel om `bepaalde bescheiden' moet gaan, wordt evenmin gesteld. Het geeft dus, naar niet bij de procedure betrokken derden toe, een zeer ruim recht op inzage.
Het lijkt erop dat art. 843a Rv, 141 en 142 Rv-NA&A niet meteen in de juridische praktijk zijn ingedaald. Jurisprudentie is schaars en in een op 11 juni 2009 door het Hof gehouden comparitie in zaak AR 68/05-H-329/06 maakte het Hof op de voet van art. 118 Rv-NA&A de advocaat van de appellanten attent op het bestaan van art. 142 Rv.
Ik heb de volgende jurisprudentie gevonden. In zaak ARnr 129/2005 is Martina door zijn werkgeefster Banco di Caribe (BdC) op staande voet ontslagen omdat hij op 10 oktober 2005 niet op het werk is verschenen. Martina zegt dat hij op vakantie was in Nederland en op 9 oktober 2005, de dag van zijn geplande terugreis, te ziek was om te reizen. Tijdens de mondelinge behandeling stemmen partijen in met toepassing van art. 142 Rv, voor zover dit artikel de mogelijkheid biedt om derden te bevelen schriftelijke inlichtingen te verschaffen. Het gerecht beveelt vervolgens de huisarts in Nederland tot wie Martina zich had gewend toen hij in oktober 2005 in Nederland was, om antwoord te geven op een aantal vragen, waaronder de vraag wanneer de huisarts Martina op consult heeft gehad, of de huisarts Martina heeft afgeraden om naar Curaçao terug te vliegen en of de ontlasting van Martina inderdaad is onderzocht, en, zo ja, wat de uitslag daarvan is geweest. Bij deze vragen van het gerecht wordt een bericht gevoegd van Martina, waarin Martina de arts ontslaat uit zijn geheimhoudingsplicht.10
In de zaak Lubbers-Maduro & Partners NV zijn de procespartijen het eens geworden dat het Gerecht krachtens art. 142 Rv nadere inlichtingen zal vragen aan Fatum (een verzekeringsmaatschappij). Het Gerecht stelt vervolgens negen vragen betrekking hebbend op de inhoud van een eventuele pensioenverzekering die de werkgever Maduro & Partners NV voor onder andere haar werknemer Lubbers bij Fatum zou hebben gesloten.11
Buleen Holding Inc (hierna Buleen) stelt een bankrekening te hebben bij de Banco Provincial Overseas NV (hierna Banco) en vordert betaling van het saldo, $ 1.700.000,- althans de som die thans op de rekening staat. In het bij inleidend verzoekschrift (de Nederlandse Antillen en Aruba kennen geen dagvaardingsprocedure) ingestelde incident verzoekt zij het Gerecht Banco te bevelen om over te leggen 'alle stukken, bescheiden, gegevens en gegevensdragers die Banco onder zich heeft, althans behoort te hebben althans kan hebben inzake Buleen'. Het Gerecht wijst de vordering af omdat niet gezegd kan worden dat zonder de verlangde stukken geen behoorlijke rechtsbedeling kan plaatsvinden. Daar komt bij, aldus het Gerecht, dat de omschrijving van de verlangde stukken veel te ruim is.12
In een scheiding- en delingsprocedure tussen twee voormalige echtgenoten die in algehele gemeenschap waren getrouwd, beveelt het Gerecht op verzoek van de vrouw de Banco di Caribe op de voet van art. 142 Rv om schriftelijk inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen met betrekking tot de vraag wat de eindopbrengst was van de door de man bij de Banco di Caribe aangehouden investeringsrekening en wat er met de opbrengst is gebeurd.13
Het Gerecht op Sint Maarten beveelt in een scheiding- en delingsprocedure tussen twee voormalige echtgenoten die in algehele gemeenschap waren gehuwd, eigenlijk ambtshalve en zonder vermelding van enige rechtsgrond, de man om binnen 1 maand na betekening van het vonnis aan de vrouw schriftelijk een deugdelijke en met bewijsstukken onderbouwde verantwoording af te leggen omtrent de vervreemding van bepaalde aandelen onder verbeurte van een dwangsom van $ 10.000,- per dag.14
Notaris X maakt een akte van levering op waarin A hypotheek op zijn woning geeft aan de Chase Manhattan Bank. Achteraf blijkt dat de woning de echtelijke woning betreft en dat de echtgenote van A geen toestemming heeft gegeven voor deze hypotheekverlening. De hypotheekverlening wordt vernietigd en de Bank spreekt X aan voor de door die vernietiging ontstane schade. X stelt, voor zover van belang, dat de Bank hoogstwaarschijnlijk geen schade zal lijden. De leningsovereenkomst met A is namelijk geldig, de hypotheek is weliswaar nietig, maar de Bank kan de woning als niet bevoorrecht crediteur executeren. Er is weliswaar beweerdelijk een wel bevoorrechte crediteur, en wel de Eilandsontvanger, maar de vordering(en) van die Ontvanger is/zijn om verschillende redenen, waaronder verjaring, niet (meer) inbaar. Om die laatste stelling te onderbouwen, verzoekt X het Hof om art. 142 Rv toe te passen en de Eilandsontvanger in het geding te roepen, hem te horen en te bevelen bepaalde inlichtingen te verschaffen en stukken over te leggen. Het Hof overweegt dat art. 142 Rv de rechter een ruime discretionaire bevoegdheid geeft, waarvan het Hof vooralsnog onvoldoende aanleiding ziet om daarvan gebruik te maken. Meer voor de hand ligt, aldus het Hof, dat de Bank tracht tot executoriale verkoop te komen.15
De enige conclusie die ik uit dit kleine aantal uitspraken durf te trekken is dat er in de Nederlandse Antillen en Aruba nog weinig gebruik wordt gemaakt van het recht op inzage of disclosure. Er kan zelfs nog geen antwoord worden gegeven op de vraag of de rechter het artikel omzichtig hanteert. Hij hanteert het zelfs daarvoor te weinig.