Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/8.3.4.2.1
8.3.4.2.1 Bruto– of nettovrijstelling?
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS398316:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
StBereinG 22 december 1999, BGBl I, S. 2601.
BFH, 29.05.1996, BStBl. II 1997, blz. 57, 60 en 63.
Winsten werden dus opgepot in de dochtermaatschappij en eens in de zoveel tijd werd een (super)dividend uitgekeerd. Dit werd ook wel het “ballooning-concept” genoemd. Vergelijk H. Lohuis, Het Duitse holdingregime en zijn eigenaardigheden, WFR 2001/1715, paragraaf 4.2.1.
HvJ EG 18 september 2003, nr. C-168/01, BNB 2003/344 (Bosal) en HvJ EG 18 september 2003, nr. C-471/04 (Keller Holding). Zie ook BFH, BStBl. 2007,279.
Zie bijvoorbeeld Watermeyer in Hermann/Heuer/Raupach, §8b KStG, Anm.7 en J. Hey in Tipke/Lang19, Steuerrecht, §11, Rz. 42.
J. Hey in Tipke/Lang22, Steuerrecht, §11, Rz. 15 en Rz. 42.
Zie voor een overzicht W. Kessler/ C. Spengel, Checkliste potenziell EU-rechtswidriger Normen des deutsches direkten Steuerrechts, Der Betrieb, Beilage 01 zu Heft Nr. 05, 3 februari 2017, blz. 26.
Zie bijvoorbeeld Krug: Die steuerliche Abziehbarkeit von tatsächlich angefallenen Veräußerungskosten im Rahmen von § 8b Abs. 2 und 3 KStG - Anmerkungen zum Beschluss des Bundesverfassungsgerichts vom 12. 10. 2010, 1 BvL 12/07, DStR 2011, 598 en Oldiges, Wirkungen und Rechtfertigung des pauschalen Abzugsverbots gemäß § 8b Abs. 5 KStG, DStR 2008, 533.
Bij invoering van §8b KStG in 1993 gold in eerste instantie de hoofdregel dat kosten die verband houden met het verkrijgen van belastingvrije inkomsten niet in aftrek zijn toegestaan. Dit betekent mijns inziens dat de deelnemingsvrijstelling oorspronkelijk bedoeld is als nettovrijstelling. In 1999 koos de Duitse wetgever er voor om een fictieve 5% kosten toerekening in te voeren en gelijktijdig te bepalen dat de daadwerkelijke kosten volledig aftrekbaar waren.1 Reden hiervoor was onder andere dat in de praktijk de aftrekbeperking werd omzeild door dividenduitkeringen in een bepaald jaar kunstmatig laag te houden. Het Bundesfinanzhof had namelijk bepaald dat kosten die verband houden met belastvrije inkomsten slechts dan niet aftrekbaar zijn indien er een directe band bestaat tussen de kosten en de belastingvrije inkomsten.2 Als in een bepaald jaar geen vrijgestelde voordelen worden genoten, zijn de (rente)kosten in dat jaar volgens deze rechtspraak volledig aftrekbaar.3
Tot en met 2003 gold de fictieve kostentoerekening alleen voor buitenlandse deelnemingen, hetgeen Europeesrechtelijk niet door de beugel kon. De Duitse wetgever heeft – mede gezien het Bosal-arrest en Keller Holding-arrest de ongelijke behandeling weggenomen door het forfait (vanaf 2004) ook van toepassing te verklaren op binnenlandse dochtermaatschappijen.4
Er is kritiek op deze fictieve 5% kosten toerekening, omdat er geen relatie is met de daadwerkelijke kosten. De fictieve kosten toerekening leidt er toe dat er in de praktijk op zoek wordt gegaan naar structuren (bijvoorbeeld het aangaan van een fiscale eenheid) om dubbele belasting tegen te gaan.5 Hey geeft aan dat het (fictief) niet in aftrek toelaten van 5% van de kosten die verband houden met de dochtermaatschappij een inbreuk maakt op het Nettoprinzip6 en ook zijn er de nodige EU-rechtelijke bedenkingen.7 Hoewel het Bundesverfassungsgericht deze forfaitaire regeling niet als een grondwettelijke inbreuk aanmerkte is er veel kritiek op deze zienswijze en het forfait.8