Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.5.7:4.5.7 Samenvatting
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.5.7
4.5.7 Samenvatting
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS501220:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf heb ik onderzocht wanneer een verrijking ongerechtvaardigd is. De paragraaf bouwt voort op de vorige paragraaf (4.4), waar is geconcludeerd dat het wenselijk is dat artikel 6:212 wordt beperkt tot inbreuken op exclusieve rechtsposities. Het gebruik, genot, exploitatie van en beschikking over dergelijke rechtsposities vormen voordelen dat in beginsel alleen aan de rechthebbende toekomt. Als een ander dan de rechthebbende deze handelingen verricht, geniet hij een voordeel dat voortvloeit uit het vermogen van de rechthebbende. Er vindt dus een vermogensverschuiving plaats. Voor elke vermogensverschuiving moet een rechtvaardiging bestaan, dus ook voor een vermogensverschuiving die het gevolg is van gebruik, genot, exploitatie en beschikking door een ander dan de rechthebbende. Zonder rechtvaardiging is de verrijking die ligt besloten in deze handelingen ongerechtvaardigd.
Een dergelijke verrijking kan worden gerechtvaardigd door (het systeem van) de wet. Het is gebleken dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen een rechtvaardiging voor een rechtsverkrijging en een rechtvaardiging voor een verrijking die het gevolg is van een rechtsverkrijging. Het stelsel van de wet kan namelijk een rechtsverkrijging meebrengen, terwijl de wetgever niet de verrijking die daarin ligt besloten heeft beoogd. Een voorbeeld: artikel 5:14 bepaalt dat de eigendom van een roerende zaak die een bestanddeel wordt van een andere, als hoofdzaak aan te merken roerende zaak overgaat op de eigenaar van de hoofdzaak. De wetgever heeft met deze bepaling een rechtsverkrijging beoogd om aldus een goederenrechtelijke ordening aan te brengen. Hij heeft echter niet gewild dat de eigenaar van de hoofdzaak de verrijking die deze daardoor geniet, in alle gevallen zou mogen behouden.
Of (het stelsel van) de wet een verrijking rechtvaardigt, is uiteindelijk een kwestie van uitleg. Ik heb geconcludeerd dat (het stelsel van) de wet in ieder geval een rechtvaardiging voor een verrijking vormt, als de verrijking het gevolg is van een beschermingsbepaling.
Een verrijking kan voorts worden gerechtvaardigd door een rechtshandeling. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een verrijking alleen wordt gerechtvaardigd door een rechtshandeling als de schuldeiser zelf de rechtshandeling heeft verricht jegens de verrijkingsschuldenaar. Op dit uitgangspunt bestaan twee uitzonderingen: (i) de verarmde wekt de gerechtvaardigde verwachting dat hij een rechtshandeling tegen zich laat werken, die betrekking heeft op het verrichten van voorbehouden handelingen en die door de verrijkte met of jegens een derde wordt verricht; en (ii) de verarmde wekt de gerechtvaardigde verwachting dat de verrijkte een beroep mag doen op een rechtshandeling die betrekking heeft op het verrichten van voorbehouden handelingen en die door de verarmde met of jegens een derde wordt verricht.
Ten slotte is geconstateerd dat een verarmde een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking kan hebben in gevallen waarin het feitencomplex meebrengt dat ook een derde aanspraken heeft tegen de verrijkte. Dit brengt mee dat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking de paritas creditorum kan doorbreken. Of een doorbreking (on)aanvaardbaar is, dient te volgen uit (een analoge toepassing van) het leerstuk van de pluraliteit van schuldeisers.