Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.2.2:9.2.2 Vaste inrichting
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.2.2
9.2.2 Vaste inrichting
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS611439:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Loonbelasting / Artiesten, beroepssporters en buitenlandse gezelschappen
Loonbelasting / Inhoudingsplichtige
Loonbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voor een overzichtelijke beschrijving van deze problematiek wordt verwezen naar Kavelaars, De Graaf en Stevens (2007).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Evenals voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting en omzetbelasting is het begrip ‘vaste inrichting’ ook van belang voor de heffing van loonbelasting. Zonder aanwezigheid van een vaste inrichting in Nederland is een in het buitenland gevestigde werkgever in beginsel niet aan te merken als ‘inhoudingsplichtige’, zo volgt uit art. 6 lid 2 onderdeel a Wet LB 1964. Er bestaat dan geen onderworpenheid voor de loonbelasting, omdat een essentieel element in de definitie van het begrip ‘werknemer’ in art. 2 Wet LB 1964 ontbreekt. Dit is slechts anders indien de buitenlandse werkgever heeft verzocht om aanwijzing als bedoeld in art. 6 lid 2 onderdeel b Wet LB 1964.
Kavelaars, De Graaf en Stevens (2007) merken op dat het begrip ‘vaste inrichting’ voor de loonbelasting niet nader is gedefinieerd. Voor de invulling van dit begrip geldt in beginsel de eerdergenoemde definitie van art. 5 OESO als uitgangspunt:
‘... a fixed place of business through which the business of an enterprise is wholly or partly carried on.’
Het begrip ‘vaste inrichting’ ziet immers niet alleen op de winsttoerekening van art. 7 OESO, maar ook op de toerekening van arbeidsinkomsten in geval van detachering als bedoeld in art. 15 lid 2 onderdeel c OESO. Kavelaars, De Graaf en Stevens werpen wel de vraag op of de reikwijdte van dit begrip steeds gelijk is. Zij merken op dat het er bij art. 5 OESO met name om gaat of er voldoende ‘substance’ is voor de toerekening van een gedeelte van de winst. Voor de loonbelasting is het winstelement echter niet van belang; hierbij gaat het om de vraag of er sprake is van een organisatie of een persoon die de inhouding en afdracht van de belasting kan verzorgen. Kavelaars, De Graaf en Stevens menen daarom dat er eerder sprake kan zijn van een vaste inrichting voor de loonbelasting dan voor de winstsfeer. Dit blijkt ook uit art. 6 lid 3 Wet LB 1964, waarin het verrichten van werkzaamheden op het Continentaal Plat en arbeidsbemiddeling bij wijze van fictie als een vaste inrichting worden beschouwd.
De bepaling van art. 15 OESO, ook wel de ‘183-dagenregeling’ genoemd, behelst dat het heffingsrecht ter zake van arbeidsinkomsten die in de werkstaat zijn verricht, toch aan de woonstaat wordt toegewezen, indien cumulatief aan drie voorwaarden is voldaan. Deze voorwaarden zijn dat de genieter van de beloning gedurende een bepaalde referentieperiode niet langer dan 183 dagen verblijft in de werkstaat, dat de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner is van de werkstaat en dat de beloning ook niet ten laste komt van een ‘vaste inrichting’ die de werkgever in de werkstaat heeft. Met uitzondering van lid 2, onderdeel c, waarin de ‘vaste inrichting’ wordt genoemd, beschouw ik de detacheringsbepaling van art. 15 OESO niet als een uiting van ‘verbondenheid’. Hoewel moet worden erkend dat deze bepaling in de praktijk vooral een rol speelt bij uitzendingen binnen een internationaal concern, kan hierin als zodanig geen verbondenheidsbegrip worden herkend. Dit geldt in vergelijkbare zin voor de toewijzing van de verzekeringsplicht van internationaal mobiele werknemers.1