Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/5.4
5.4 Bevoegdheid om te erven
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859106:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl.St. Kamer 2019/20, nr. 55-1272/001, p. 62. Vgl. ook Barbaix 2018, p. 412 en Dekkers & Casman, 2010, p. 267.
Zie nader over de uitzonderingen Barbaix 2018, p. 413.
Parl.St. Kamer 2019/20, nr. 55-1272/001, p. 63-64.
Barbaix 2018, p. 412 en Dekkers & Casman 2010, p. 268.
Parl.St. Kamer 2019/20, nr. 55-1272/001, p. 64.
Barbaix 2018, p. 425, Coene, in: Comm. Erf., art. 1046, p. 39-40 (online, bijgewerkt tot 30 september 2015), Dekkers & Casman 2010, p. 783 en Pintens e.a. 2010, p. 749.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/8, p. 24, Barbaix 2018, p. 425-426, Barbaix & Verbeke, RW 2012-13/nr. 30, p. 1163 en Barbaix & Verbeke, in: Comm. Erf., art. 727, p. 11 (online, bijgewerkt tot 26 september 2013).
Barbaix 2018, p. 425-426 en Dekkers e.a. 2018, p. 14. Zie ook par. 2.7.
Barbaix 2016, p. 850, Coene, in: Comm. Erf., art. 1046, p. 39 (online, bijgewerkt tot 30 september 2015) en Dillemans, Van den Bossche & De Clercq 2012, p. 382. Vgl. ook Casman 2013, p. 51.
Barbaix & Verbeke, in: Comm. Erf., art. 727, p. 11-12 (online, bijgewerkt tot 26 september 2013).
Barbaix 2018, p. 434-435.
In Nederland kan wel worden ingegrepen op grond van de redelijkheid en billijkheid. Zie daarover par. 2.7.
Een natuurlijk persoon moet om te kunnen erven, erfgerechtigd zijn. Deze eis valt uiteen in twee voorwaarden. Ten eerste moet de persoon een roeping hebben tot de nalatenschap (art. 4.2 BBW). Deze roeping kan voortvloeien uit de wet, een testament of een contractuele erfstelling.1 Daarnaast brengt erfgerechtigheid mee dat de erfrechtelijke verkrijger – op een enkele uitzondering na – moet bestaan op het moment dat de nalatenschap openvalt (art. 4.4 BBW en 4.137 BBW).2 Deze bestaanseis werd tot de hervorming van het Belgische erfrecht in juli 2022 beschouwd als een vraag van erfbekwaamheid en niet van erfgerechtigheid (art. 725 Oud BBW). De wijziging op dit punt is doorgevoerd, omdat de vraag die hier rijst geen vraag omtrent bekwaamheid of onbekwaamheid is, maar een vraag omtrent het juridisch bestaan. De term ‘erfgerechtigde’ is hier consistent met de definitie in artikel 4.2 BBW.3
Tot de inwerkingtreding van Boek 4 BBW in juli 2022 is onwaardigheid in de rechtsleer eveneens geschaard onder erfonbekwaamheid. Een persoon is erfonbekwaam als hij onwaardig is.4 De wetgever lijkt deze redenering niet langer te volgen. Onwaardigheid is niet meer, zoals voorheen, ondergebracht in het hoofdstuk ‘hoedanigheden vereist om te kunnen erven’. In de memorie van toelichting bij Boek 4 BBW wordt opgemerkt dat onwaardigheid een sanctie is en dus afzonderlijk wordt behandeld van de voorwaarden om erfgerechtigd te zijn.5 Dit wijst erop dat de Belgische wetgever onwaardigheid niet ziet als eis van erfgerechtigheid en evenmin als erfonbekwaamheid, maar als losstaande sanctie.
De gedragingen die de sanctie onwaardigheid opleveren in het wettelijke erfrecht, zorgen niet van rechtswege voor verlies van andere voordelen toegekend bij bijvoorbeeld testament. In het testamentaire erfrecht bestaan zelfstandige gronden van verval van de voordelen. Legaten kunnen wegens ondankbaarheid worden herroepen.6
De gronden van onwaardigheid zijn limitatief.7 Valt de gedraging – hoe onbetamelijk ook – buiten artikel 4.6 BBW dan is van onwaardigheid geen sprake. Er bestaat geen mogelijkheid om in dergelijke situaties, zoals in Nederland, in te grijpen op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.8 Hetzelfde geldt voor de herroeping van legaten wegens ondankbaarheid.9 Wel geldt bij de herroeping van legaten dat de gronden minder afgebakend zijn geformuleerd, zodat er meer ruimte is voor rechtspraak.
Het uitgangspunt na de wetswijziging in 2012 blijft dat uitsluitend gedragingen tegenover de erflater zelf met onwaardigheid worden gesanctioneerd. De Belgische wetgever is van oordeel dat uitbreiding van onwaardigheid tot gedragingen tegenover naasten van de erflater niet past binnen de opzet van de hervorming in 2012.10 Dit uitgangspunt heeft niet tot gevolg dat onwaardigheid zich altijd beperkt tot een sanctie in één bepaalde nalatenschap. Artikel 4.9 lid 3 BBW behelst een zogeheten afgeleide onwaardigheid. In de situatie als genoemd in deze bepaling, blijft de onwaardigheid op de goederen van het slachtoffer rusten, ook bij verdere verervingen.11 Een wettelijke regeling die naar Nederlands recht onbekend is.12 Onwaardigheid krijgt in België hiermee als het ware zaaksgevolg in de Nederlandse zin van het woord.