Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/5.5
5.5 Ratio
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859052:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over afgeleide onwaardigheid nader par. 5.9.1.1.
Parl.St. Senaat 2010/11, nr. 5-550/1, p. 2-3, Barbaix 2018, p. 424, Casman 2013, p. 4, Coene, Not.Fisc.M. 1997, p. 137, Dillemans 1984, p. 78, Puelinckx-Coene 1996, p. 69 en 83, Puelinckx-Coene 2011, p. 77 en Vanwinckelen, Not.Fisc.M. 2003, 8, p. 221. De oorspronkelijke titel van het wetsontwerp uit 2010 tot onder meer hervorming van de onwaardigheidsbepalingen bevatte ook de term ‘onbetamelijk gedrag’. Uiteindelijk is gekozen het begrip ‘onwaardigheid’ te gebruiken, Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/8, p. 3.
Barbaix 2018, p. 424-425, Dekkers e.a. 2018, p. 14. Pintens e.a. 2010, p. 748, Puelinckx-Coene 1996, p. 69, Puelinckx-Coene, 2011, p. 77 en Vanwinckelen, Not.Fisc.M. 2003, 8, p. 221.
Vandenbogaerde, TPR 2021, p. 593-594.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/5, p. 3.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 26. Het zij opgemerkt dat het bij de herroeping van legaten wegens ondankbaarheid (m.u.v. de grove belediging ten aanzien van de nagedachtenis van de erflater) niet gaat om gevallen van ondankbaarheid in eigenlijke zin. Het begrip ‘ondankbaarheid’ veronderstelt dat de begiftigde kennis heeft van de testamentaire bevoordeling en niettegenstaande deze kennis, zich toch op een onbetamelijke wijze gedraagt. Veel groter is dan de gelijkenis met ‘onwaardigheid’, Coene, in: Comm. Erf., art. 1046, p. 41 (online, bijgewerkt tot 30 september 2015), Dekkers & Casman, 2010, p. 783 en 785, Dillemans, Van den Bossche & De Clercq 2012, p. 382 en 385, Dillemans, Puelinckx-Coene & Pintens, TPR 1985, nr. 142, p. 642 en Pintens e.a. 2010, p. 953-954. Zie daarover nader par. 5.11.
Barbaix 2016, p. 851-852, Coene, Not.Fisc.M. 1997, afl. 5, p. 144, Coene, in: Comm. Erf., art. 1046, p. 42 (online, bijgewerkt tot 30 september 2015) en De Vries & Leire, TE 2022/03, p. 66.
Debucquoy, TBBR 2004, p. 531.
Vgl. ook Vanwinckelen, Not.Fisc.M. 2003, 8, p. 226-227 en de aldaar genoemde literatuurverwijzingen.
Barbaix 2018, p. 425-426, Dillemans, 1984, p. 78, Pintens e.a. 2010, p. 749, Puelinckx-Coene 1996, p. 69. Vgl. ook Puelinckx-Coene 2011, p. 78. Bij de hervorming van de regeling van onwaardigheid in 2012 is er bewust voor gekozen de limitatieve lijst van gedragingen te handhaven, Barbaix & Verbeke, RW 2012-13/nr. 30, p. 1163, Barbaix & Verbeke, TEP 2013/3, p. 16, Casman 2013, p. 7 en Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/8, p. 24.
Coene, Not.Fisc.M. 1997, p. 138-139, Dekkers & Casman 2010, p. 271, Dillemans 1984, p. 78 en Puelinckx-Coene 2011, p. 78.
Barbaix 2016, p. 850 en Coene, in: Comm. Erf., art. 1046, p. 33 (online, bijgewerkt tot 30 september 2015).
Coene, in: Comm. Erf., art. 1046, p. 33 (online, bijgewerkt tot 30 september 2015), Dillemans, Van den Bossche & De Clercq 2012, p. 383, Dillemans, Puelinckx-Coene & Pintens, TPR 1985, nr. 143, p. 643 en Pintens e.a. 2010, p. 955.
Vgl. Coene, in: Comm. Erf., art. 1046, p. 33 (online, bijgewerkt tot 30 september 2015).
Onwaardigheid is een civiele straf voor onbetamelijk gedrag van de potentiële erfgenaam tegenover de erflater en als sprake is van afgeleide onwaardigheid1 ook tegenover een derde.2 De wetgever acht de gedragingen opgesomd in artikel 4.6 BBW dermate ernstig dat het niet langer moreel of verantwoord zou zijn dat degene die zich daaraan schuldig heeft gemaakt nog als erfrechtelijke verkrijger kan opkomen in de nalatenschap van de erflater.3
Artikel 4.6 BBW bevestigt daarbij de gedachte dat de bloedige hand niet erft. Het plegen van misdrijven mag niet lonen, hetgeen een algemeen rechtsbeginsel zou zijn.4 Met andere woorden: een doelstelling van onwaardigheid is dat de dader geen voordeel mag behalen uit het begane misdrijf.5
Artikel 4.6 BBW steunt volgens de Belgische wetgever niet op de vermoedelijke wil van de erflater, maar op grond van hetgeen maatschappelijk het meest aanvaardbaar is. Volgens de wetgever ligt daar het grote verschil met de regeling met betrekking tot giften (schenkingen en legaten), die de erflater heeft gewild en die door individuele beweegredenen en met de intentie om te begunstigen is ingegeven. Miskenning van de terechte verwachtingen van degene die geeft ten aanzien van het gedrag van de begunstigde mag daarom anders en ruimer worden opgevat dan bij onbetamelijk gedrag van hen die de wet als erfrechtelijke verkrijgers aanduidt, aldus de wetgever. Er is daarom geen noodzaak gezien om de onwaardigheidsgronden in het versterferfrecht en de gronden voor herroeping van legaten wegens ondankbaarheid gelijk te schakelen.6 Met andere woorden: een persoon is met betrekking tot schenkingen en legaten volgens de wet in meer gevallen ondankbaar in vergelijking tot onwaardigheid in het versterfrecht, hetgeen door de wetgever wordt verantwoord doordat er bewust extra is begiftigd en er daarom ook meer dankbaarheid mag worden verwacht.7 Van een legataris wordt niet geëist dat hij actief zijn dankbaarheid betuigt, maar verwacht wordt dat hij zich van bepaalde gedragingen onthoudt.8
Dat de onwaardigheidsregeling volgens de wetgever niet is ingegeven door de vermoedelijke wil van de erflater, neemt niet weg dat de wil van de erflater over het algemeen zal stroken met hetgeen maatschappelijk het meest aanvaardbaar is. Onwaardigheid geeft daarmee naar mijn mening veelal ook uitdrukking aan de wil van de erflater.9 In situaties waarin de wil van de erflater afwijkt van het algemeen belang, heeft de erflater bij sommige gedragingen de mogelijkheid tot het schenken van vergiffenis (art. 4.7 BBW). Het individuele belang van de erflater kan daarmee in die gevallen zelfs prevaleren. Had de erflater de onwaardige willen vergeven voor een gedraging waarvoor de wet die mogelijkheid niet biedt, dan steunt de wet inderdaad niet op de wil van de erflater, maar enkel op hetgeen maatschappelijk verantwoord wordt geacht.
Nu het bij onwaardigheid gaat om een civiele straf, wordt gesteld dat de onwaardigheidsgronden uit artikel 4.6 BBW limitatief moeten worden opgevat.10 Naast het feit dat onwaardigheid dus beperkt is tot de in de wet opgesomde gevallen, brengt de kwalificatie van civiele straf volgens sommigen ook mee dat de gronden eng moeten worden uitgelegd.11 Zoals in de vorige paragraaf opgemerkt is er geen ruimte om buiten de in de wet opgesomde gronden aanspraken te onthouden op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.
De herroeping van legaten wegens ondankbaarheid is een civiele sanctie voor onbetamelijk gedrag van de legataris tegenover de erflater.12 Als gezegd, is de regeling ruim van opzet omdat van de begiftigde een grotere dankbaarheid mag worden verwacht dan bij onwaardigheid het geval is. De ratio is dat de erflater, als hij nog geleefd had en de gedraging kende, het legaat zou hebben herroepen.13 De regeling is dus ingegeven door de vermoedelijke wil van de erflater.14