Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.A.3
3. Onderdeel v (oud)
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS477372:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 18 december 1997, Stb. 1997, 731.
Kamerstukken II 1997/1998, 25688, nr. 6, p. 2. Zie tevens D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 24. en 28, alsmede S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998 (1)’, p. 128.
Zie tevens J.C. van Straaten, Wegwijs in de overdrachtsbelasting, onderdeel 7.25, alsmede S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998 (2)’, p. 149.
Aldus M.W.M. van de Leur, e.a., Omzetbelasting en overdrachtsbelasting in de onroerendgoedsector, supplement 52, deel AIII nr. 4, Deventer: Kluwer 2001, p. 233. Zie tevens M. Peels, ‘Nieuwe wetsvoorstellen’, in: FBN 1997/93.
Zie tevens onderdeel 3 hiervoor resp. onderdelen C.l.c en E.2 hierna.
Vgl. de in grenspost 1, hfdst, I, onderdeel G.6.j. opgenomen rechtspraak, waarbij vooral de uitspraak ‘kavelruil Teroelsterzypen’ in dit kader illustratief is.
Per 1 januari 19981 is, in het kader van de fiscale structuurversterking (en derhalve niet, zoals bij de meeste andere vrijstellingen het geval is, ter verbetering van de landbouwstructuur), 2 tegelijk met de aanvulling van artikel 15, lid 1, onderdeel q en de aanpassing van de onderdelen s en t, in onderdeel v van hetzelfde artikel een vrijstelling opgenomen voor verkrijging van landerijen alsmede van als kweek- of teeltmiddel gebruikte ondergrond van glasopstanden, waarop de Landinrichtingswet niet van toepassing is, indien die verkrijging plaatsheeft in het kader van de hervestiging van een land- of tuinbouwbedrijf van de verkrijger en landerijen of ondergrond van glasopstanden worden afgestaan waarop de Landinrichtingswet wel van toepassing is.3
De vrijstelling geldt alleen voor zover zonder vrijstelling geheven zou zijn over een bedrag, gelijk aan de waarde van de afgestane landerijen of ondergrond.4 Men ontware hier dezelfde techniek als bij de onderdelen q (oud), s (oud) en t gebruikt is.5 Desgevraagd heeft de staatssecretaris van Financiën de navolgende verklaring gegeven voor de gehanteerde maximering van de vrijstelling:
“Het antwoord op de vraag van de leden van de fractie van D66 waarom de vrijstelling wordt beperkt tot de waarde van de afgestane grond is, dat deze beperking overeenstemt met de reeds in artikel 15, eerste lid, onderdelen s en t, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer neergelegde faciliteiten. Ook daarbij is de vrijstelling beperkt tot de waarde van de afgestane grond, omdat ik het gewenst vind bedrijfsuitbreidingen te faciliëren. Ik zie geen reden om voor een grootschaliger opzet van een landbouwbedrijf op zich, te voorzien in een vrijstelling van overdrachtsbelasting.”6
De vrijstelling vormt het complement van artikel 15, lid 1, onderdeel 1 en beoogt eventuele belemmeringen bij de uitvoering van landinrichtingsprojecten weg te nemen. Laatstgenoemde vrijstelling werkt namelijk niet wanneer men zich, na de toepassing van een ruilverkaveling, herinrichting of aanpassingsinrichting, hervestigt buiten een landinrichtingsgebied. Voor deze situaties bevat artikel 15, lid 1, onderdeel v een aanvullende vrijstelling. Voor de kavelruil gaat deze redenatie niet op, aangezien fiscaal gefaciliteerde hervestiging buiten een landinrichtingsgebied via een kavelruil zeker tot de mogelijkheden behoort. De kavelruil is immers ‘gebiedsonafhankelijk’ en kan zich daardoor vrijelijk bewegen binnen en tussen landinrichtingsgebieden. Wel dient bedacht te worden dat ook de vrijstelling van onderdeel v enkel in de wet aanwezig is geweest gedurende het Landinrichtingswet-tijdperk. Fiscale afkeuring van de kavelruil op grond van het niet voldoen aan de objectieve verbeteringseisen ligt bij een dergelijke ‘gebiedsoverschrijdende kavelruil’ mogelijkerwijs dus op de loer.7