Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.8.10:4.8.10 Het tenietgaan van het “recht van verwerving”
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.8.10
4.8.10 Het tenietgaan van het “recht van verwerving”
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644885:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De wegneemgerechtigde blijft wél gerechtigd om de zaak af te scheiden, want hij is de wegneemgerechtigde, maar, zoals gezegd, verkrijgt hij na de afscheiding de zaak niet in eigendom.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het “recht van verwerving” (“verwervingsrecht”) van de oorspronkelijke eigenaar kan op verschillende wijze teniet gaan. Het gaat allereerst teniet als het wegneemrecht teniet is gegaan. Dit is bijvoorbeeld het geval als de zaak niet meer bestaat. Het wegneemrecht vervalt ook als de eigenaar van de hoofdzaak aan de wegneemgerechtigde de waarde van de zaak heeft betaald ter voldoening van een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking die laatstgenoemde tegen hem heeft. Dit betekent dat de oorspronkelijke gerechtigde na afscheiding geen zakelijke rechten verkrijgt. Als de eigenaar van de hoofdzaak weet dat de toevoeging vóór de verbinding niet van de wegneemgerechtigde was, dan vervalt het “recht van verwerving” na de betaling niet. Te kwade trouw wordt immers niet beloond. De eigenaar kan zich tegen een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking van de wegneemgerechtigde weren, aangezien geen sprake is van een “verarming” aan diens zijde. De wegneemgerechtigde behoudt slechts een ius tollendi. Het “verwervingsrecht” van de oorspronkelijke eigenaar kleeft daaraan vast.1
Een uitzondering op deze regel is van toepassing als de wegneemgerechtigde vóór de verbinding eigenaar onder opschortende voorwaarde was. Stel, hij verbindt een zaak die onder eigendomsvoorbehoud aan hem is geleverd met andermans zaak en deze laatste zaak trekt eerstgenoemde na. Als de wegneemgerechtigde vergoeding van de eigenaar van de hoofdzaak vordert op grond van ongerechtvaardigde verrijking, dan is de eigenaar gehouden deze te vergoeden. Het opschortende eigendomsrecht van de wegneemgerechtigde is voldoende om te spreken over een “verarming” door de natrekking.
Het wegneemrecht gaat evenmin teniet in het volgende geval. De wegneemgerechtigde verbindt een zaak, die hij onder eigendomsvoorbehoud geleverd heeft gekregen, met een zaak die hij in vruchtgebruik heeft. Hij had de koopsom vóór de verbinding deels betaald, wat hem nog geen eigenaar maakt. Vervolgens heeft de bloot-eigenaar, die erg tevreden is met de toevoeging, na de verbinding het resterende deel van de koopsom aan de leverancier betaald. De wegneemgerechtigde behoudt desalniettemin zijn afscheidingsrecht en verkrijgt het “recht van verwerving” nadat de volledige koopsom is betaald, ook al is deze betaling gedaan door de bloot-eigenaar.
Heeft de wegneemgerechtigde de oorspronkelijke eigenaar van de nagetrokken zaak gecompenseerd, dan komt aan hem, naast het afscheidingsrecht, het “verwervingsrecht” toe. De betaling is te vergelijken met die van een koop van een (toekomstige) roerende zaak. De normale regels van overdracht van roerende zaken gelden dan, inclusief de regels over derdenbescherming. Daarbij geldt voor wat betreft eventuele beperkte rechten, dat zij komen te vervallen als de wegneemgerechtigde niet op de hoogte was van het feit dat de afgescheiden zaak vóór de verbinding bezwaard was. De wegneemgerechtigde kan zich dan tegen de beperkt gerechtigde verweren. Dit kan hij niet als hij op de hoogte was van het beperkte recht.