Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.1:6.1 Inleiding
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS299219:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Gedoeld wordt vooral op de toelichting op het Gewijzigd Ontwerp van 1976, waarin art. 6:181 werd geïntroduceerd. Nadien werd aan art. 6:181 afzonderlijk nauwelijks nog aandacht besteed.
Het betreft het in 1989 vastgestelde vijfde gedeelte van de Invoeringswet voor de Boeken 3, 5 en 6 BW.
Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1386-1387; Kamerstukken II 1985/86, 17541, 12.
Zie nader par. 5.4.
Bijv. Klaassen e.a. 2003.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit hoofdstuk is gewijd aan de hoedanigheid van de op grond van art. 6:181 aansprakelijke persoon. Art. 6:181 doet de aansprakelijkheid rusten op degene die het bedrijf uitoefent waarin de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken en dieren worden gebruikt. De aansprakelijke persoon moet dus ‘bedrijfsmatig’ handelen. Wat hieronder moet worden verstaan is in de aanvankelijke, eigen wetsgeschiedenis van art. 6:181 niet uitgewerkt.1 Wel is op later moment tijdens de parlementaire totstandkoming van het NBW het bedrijfsbegrip van art. 6:181 nog samen met dat van andere bepalingen aan de orde gesteld, te weten art. 6:171 en art. 6:173.2 Laatstgenoemde bepaling legde in die tijd de aansprakelijkheid voor roerende zaken, anders dan het huidige art. 6:173, niet op de bezitter maar (enkel) op de bedrijfsmatige gebruiker. Dit omdat toentertijd een regeling van ‘productenaansprakelijkheid’ (afd. 6.3.3 BW) nog ontbrak en de wetgever particuliere bezitters wilde ontzien.3 Toen alsnog een regeling van productenaansprakelijkheid tot stand bleek te komen, werd de aanvankelijk al voorgestelde bezittersaansprakelijkheid in art. 6:173 hersteld.4 Het bedrijfsbegrip van art. 6:181 werd dus tezamen behandeld met een voorontwerp van art. 6:173, dat op het specifieke punt waarom het nu gaat nimmer werd ingevoerd. Voor art. 6:171, de andere bepaling waarmee art. 6:181 voor wat betreft het bedrijfsbegrip ook gezamenlijk werd behandeld, geldt dat deze mijns inziens nu juist niet als inspiratiebron voor de uitleg van art. 6:181 kan doorgaan.5 Aldus verdient hetgeen in de wetsgeschiedenis omtrent het bedrijfsbegrip van art. 6:181 naar voren is gebracht een kritische analyse. Daarbij valt alvast op te merken dat in diverse regelingen van het aansprakelijkheidsrecht wel wordt onderscheiden in ‘bedrijf’, ‘beroep’ en soms ook nog ‘de overheid’.6 Nu de leden 1 en 2 van art. 6:181 spreken van degene die een ‘bedrijf’ uitoefent, rijst de vraag of bijvoorbeeld ook een advocaat, notaris, architect (‘beroep’) dan wel een gemeente, provincie of waterschap (‘overheid’) onder de werkingssfeer van deze regelingen kunnen worden begrepen ingeval zij zich in het kader van hun activiteiten bedienen van de in art. 6:173, 174 of 179 bedoelde zaken. En wat geldt in relatie tot art. 6:181 voor organisaties die niet (goed) zijn te vangen in de traditionele termen bedrijf, beroep en overheid? Denk aan georganiseerde verbanden als ziekenhuizen, klinieken, onderwijsinstellingen, kerkelijke instellingen, verenigingen, stichtingen, etcetera. Van belang is nog dat, anders dan in de in 1992 ingevoerde oorspronkelijke leden 1 en 2 van art. 6:181, in het in 1995 aan deze bepaling toegevoegde lid 3 (gevaarlijke stoffen), naast de bedrijfsmatige gebruiker óók van de beroepsmatige gebruiker wordt gesproken. Al met al voldoende aanleiding derhalve om de hoedanigheid van de op grond van art. 6:181 lid 1-3 aansprakelijke persoon aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Gezien de bevindingen in de hoofdstukken 4 en 5 zal een ruime uitleg van het bedrijfsbegrip van art. 6:181 daarbij het uitgangspunt zijn.