Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/5.4.b
5.4.b Begrensde vrijheid?
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS604696:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover bijv. Cleiren 1989 en Teuben 2004, p. 90-92.
Teuben 2004, p. 7.
Teuben 2004.
Zo ook over het Hof Amsterdam Röttgering 2014, p. 501.
Paragraaf 5.4b.
Zie hierover ook de noten van Cleiren onder HR 25 mei 2010, NJ 2011/80 en HR 17 april 2012, NJ 2014/326.
Zie bijv. de conclusie van A-G Vegter voor HR 8 juni 2014, ECLI:1617.
Mevis meende eerder al zonder nadere toelichting dat de appelrechter “in voorkomende gevallen” artikel 416 lid 2 of 3 Sv buiten toepassing moet laten, zie HR 28 juni 2011, NJ 2013/531, m.nt. Mevis.
HR 20 mei 2014, NJ 2014/330, m.nt. Mevis.
HR 29 mei 2012, NJ 2012/353.
Pesselse 2015, met verdere verwijzingen.
Vgl. HR 14 juni 2016, NJ 2016/285 (evt. onjuiste betekening in eerste aanleg staat niet in de weg aan toepassing art. 416 lid 2 Sv); HR 26 april 2016, NJ 2016/251 (evt. overschrijding redelijke termijn in hoger beroep staat niet in de weg aan toepassing art. 416 lid 2 Sv).
Vgl. de discussie in Handelingen II, 22 maart 2006, 61, p. 3962.
De tussenconclusie luidt dat niet alleen het toezicht van de Hoge Raad op de toepassing van de beleidsvrijheid uit artikel 416 Sv beperkt is, maar dat daarnaast onder meer de wetsgeschiedenis de appelrechter zeer vrij laat in de invulling van deze beleidsruimte. Het zicht op artikel 416 lid 2 en 3 Sv is hiermee nog niet compleet. Er bestaan nog twee argumenten voor de opvatting dat de beleidsvrijheid uit deze bepaling toch is begrensd.
Ten eerste is er de grens van de beginselen van een goede procesorde. Algemeen wordt aangenomen dat ook (zittings)rechters de beginselen van een goede procesorde in acht moeten nemen.1 Anders dan ten aanzien van het openbaar ministerie is de betekenis van de beginselen ten aanzien van rechters diffuser, maar ook hier kan bijvoorbeeld concreet aan het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur worden gedacht. In de gepubliceerde rechtspraak komen geen gevallen voor waarin de toepassing van de beleidsvrijheid uit artikel 416 Sv aan de beginselen van een goede procesorde wordt getoetst. Sterker nog, de beginselen worden niet in de aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad benoemd en door geen enkel hof in gepubliceerde rechtspraak aangehaald. Dit neemt niet weg dat de toepassing van de toelatingsvrijheid van artikel 416 Sv in theorie wel door de beginselen van een goede procesorde wordt genormeerd.
In dit verband verdienen interne afspraken binnen een gerecht of zogeheten rechtersregelingen aandacht. Volgens de definitie van Teuben gaat het bij een rechtersregeling om een op schrift gestelde algemene regel die is vastgesteld door één of meer rechters, anders dan in de vorm van een beslissing in een concrete zaak, en die betrekking heeft op de invulling van een bepaalde vorm van beslissingsruimte die de rechter heeft ten aanzien van de behandeling of beslissing van zaken.2 Dit soort regelingen kan volgens Teuben onder bepaalde voorwaarden bindend zijn.3 Gelet op de wenselijkheid van gelijkwaardige, niet-willekeurige behandeling van verdachten, was het denkbaar geweest dat de gerechtshoven over de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv richtsnoeren of oriëntatiepunten hadden opgesteld. Dit is echter niet gebeurd. Wel heeft het LOVS in 2007 een niet-gepubliceerd Werkproces stroomlijnen hoger beroep vastgesteld, met daarin diverse afspraken over de praktische organisatie van de appelbehandeling en het verlofstelsel in hoger beroep. Dat document bevat echter geen handreiking voor de toepassing van artikel 416 lid 2 en 3 Sv. Hiernaast zijn mij evenmin afspraken bekend over de invulling van de toelatingsvrijheid van artikel 416 Sv.4
Mogelijk bestaat een tweede limiet op de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv in de systematiek van de wettelijke regeling van hoger beroep. De wetgever heeft de plicht grieven op te geven in 2007 nadrukkelijk niet met “automatische” niet-ontvankelijkheid willen handhaven.5 Anders dan in cassatie is aan de appelrechter juist met opzet de ruimte gegeven in deze situatie van toegangsweigering af te zien. Focus op grieven is binnen het voortbouwend hoger beroep weliswaar wenselijk, maar “[d]e appèlrechter afhankelijk te maken van de indiening van grieven zou onvoldoende recht doen aan de volledige, eigen verantwoordelijkheid die de strafrechter in het Nederlandse systeem heeft voor een juiste beantwoording van de kernvragen van het strafgeding (zie artikelen 348 en 350 Sv). De strafrechter heeft in Nederland geen lijdelijke maar een actieve rol […]. Met dit systeem is mijns inziens moeilijk te verenigen dat de rechter pas aan zijn onderzoek zou kunnen toekomen indien grieven zijn ingediend”, aldus de minister.6 Deze overweging roept de vraag op wat de genoemde ‘eigen verantwoordelijkheid’ inhoudt. Is de appelrechter, als geen grieven zijn opgegeven, toch in bepaalde gevallen verplicht het beroep ontvankelijk verklaren? En in welke mate moet hij de zaak onderzoeken of behandelen om deze verantwoordelijkheid waar te maken?
Een opmerking van de minister bij de behandeling van de Wet stroomlijnen hoger beroep in de Eerste Kamer maakt deze vragen nog pregnanter. De bevoegdheid buiten de grieven om het beroep te beoordelen “impliceert” volgens de minister “een verantwoordelijkheid om te zorgen dat op alle punten van de artikelen 348 en 350 Sv een juiste beslissing wordt genomen. Dit betekent dat de appèlrechter, wanneer hij constateert dat door de verdachte geen grieven zijn ingediend of geen grieven die hout snijden, niet kan volstaan met die constatering en ieder verder onderzoek van de zaak achterwege kan laten.”7 Uit de citaten wordt niet goed duidelijk hoe de minister meent dat de appelrechter zijn eigen verantwoordelijkheid moet verwezenlijken: door eigen onderzoek, ambtshalve behandeling ter zitting, ambtshalve beslissing, of alleen door nadere motivering van niet-ontvankelijkverklaring (‘niet volstaan met constatering’).
Zoals hiervoor is uiteengezet ademen de wettekst en de wetsgeschiedenis enerzijds uit dat de appelrechter de volle vrijheid heeft een beroep niet-ontvankelijk te verklaren als geen grieven zijn opgegeven.8 Anderzijds benadrukt de minister in bovenstaande citaten dat deze vrijheid een verantwoordelijkheid impliceert en de appelrechter dus juist niet volledig vrij is om zijn onderzoek, beslissingen etc. louter van (de indiening van) grieven te laten afhangen.9 Samengevat begrenst het systeem van de wet de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv in die zin dat de appelrechter bij de toepassing van die bepaling een zekere eigen verantwoordelijkheid op één of andere wijze moet uitoefenen.
Dat is een nogal vage begrenzing, die in de praktijk en literatuur dan ook verschillend wordt vertolkt. Velen oordelen, in lijn met de tekst van de wet, dat toepassing van artikel 416 Sv niet vraagt om inhoudelijke behandeling of beoordeling van het beroep.10 Vellinga meent evenwel in een conclusie uit 2014 met instemming van annotator Mevis11 dat “onder omstandigheden die verantwoordelijkheid kan meebrengen dat [de rechter] de zaak inhoudelijk ter terechtzitting moet behandelen, namelijk wanneer bedoeld [ambtshalve] onderzoek [naar de vragen van 348 en 350 Sv] hem aanwijzingen oplevert dat een of meer vragen van de artikelen 348 en 350 Sv door de rechter in het vonnis waarvan beroep in zijn ogen niet juist zijn beantwoord en hij daar zijn antwoord voor in de plaats zal moeten stellen”.12 Eerder oordeelde Vellinga dat de appelrechter onder omstandigheden (uitgebreid) moet motiveren waarom hij het beroep op grond van artikel 416 niet-ontvankelijk verklaart, maar leidde hij uit de wetssystematiek kennelijk nog geen verplichting af tot ambtshalve behandeling of beslissing.13
Deze opvatting van Vellinga en Mevis is betwistbaar. Dat de systematiek van de regeling van het hoger beroep in de weg staat aan de wens de wetgever het hoger beroep te stroomlijnen, staat volgens mij buiten kijf. De wens de behandeling van het beroep ter zitting in principe tot behandeling van de grieven te beperken, wordt namelijk gedwarsboomd door de eis aan de appelrechter in het arrest de volle verantwoordelijkheid te dragen voor de juiste beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv.14 De opvatting dat de verantwoordelijkheid van de appelrechter voor juiste inhoudelijke beoordeling en beslissing van het beroep óók impliceert dat bij de beantwoording van toegangsvragen hierop moet worden geanticipeerd, gaat echter een stap verder.15 Het gaat praktisch gezien ver om op grond van enkele passages uit de wetgeschiedenis aan te nemen dat de appelrechter niet alleen in bepaalde gevallen een toegangsbeslissing nader moet motiveren, maar ook ambtshalve onderzoek moet verrichten en de zaak voorts ambtshalve zou moeten behandelen indien geen grieven zijn ingediend. Een dergelijke verplichting ondermijnt ook de kern van de Wet stroomlijnen hoger beroep, namelijk de inrichting van het hoger beroep als een rechtsmiddel dat voortbouwt op de eerste aanleg waarin de grieven richtinggevend zijn. Bovendien benadrukt de toelichting op de Wet stroomlijnen hoger beroep naast de rechterlijke verantwoordelijkheid in minstens zo veel gevallen de rechterlijke vrijheid het beroep bij afwezigheid van grieven wel of niet toe te laten.16 Ik concludeer daarom dat de toelatingsvrijheid van artikel 416 Sv aan de appelrechter de ruimte geeft allerlei gezichtspunten in de toegangsbeoordeling te betrekken, waaronder anticipatie op de kans van slagen van het beroep, maar dat hij niet verplicht is bepaalde gezichtspunten daarbij een rol te laten spelen.