Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.3.7
3.3.7 Introductie van het enquêterecht in de jaren ’90
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS392038:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 8 november 1993 tot wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête, Stb. 1993, 597.
Kamerstukken II 1991-1992, 22 400, nr. 3, p. 4 en 5. De SER wees overigens ook toekenning van de bevoegdheid een enquête te verzoeken aan de ondernemingsraad af. Later, in 2006, werd in de Wet toelating zorginstellingen (WTZi) aan de cliëntenraad van een zorginstelling alsnog de bevoegdheid tot het instellen van een enquête toegekend (artikel 9 WTZi en artikel 6.2 van het Uitvoeringsbesluit WTZi). Het toekennen van dit recht hield verband met de wens om de positie van cliëntenraden verder te versterken.
Kamerstukken II 1991-1992, 22 400, nr. 3, p. 3 en 12.
Mogelijkheid om een enquête in te stellen
Op 1 januari 1994 werd het enquêterecht geïntroduceerd, waarmee de mogelijkheid werd geopend om bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken binnen een rechtspersoon.1 De mogelijkheid om een enquête in te stellen werd niet alleen geboden aan profit-ondernemingen maar ook aan stichtingen “die een onderneming in stand houden waarvoor ingevolge de wet een ondernemingsraad moet worden ingesteld” (zie het thans nog bestaande artikel 2:344 BW). Ten aanzien van stichtingen betekende dit een extra wettelijke mogelijkheid om via de rechter op te treden tegen het bestuur, naast de mogelijkheid van artikel 2:298 (ontslag van bestuurders door de rechtbank in geval van wanbeheer). De bevoegdheid tot het instellen van een enquête werd toegekend aan: (a) degenen aan wie daartoe bij de statuten of bij overeenkomst met de stichting de bevoegdheid is toegekend (bijvoorbeeld subsidieverstrekkers); en (b) een vereniging van werknemers.
Evenmin als de SER voelde de toenmalige Staatssecretaris van Justitie voor toekenning van enquêtebevoegdheid aan alle rechtstreeks belanghebbenden bij de onderneming of aan de ondernemingsraad, aangezien “lichtvaardige enquêteverzoeken en rechtsonzekerheid daarover” moesten worden voorkomen.2 De Staatssecretaris achtte het wel denkbaar dat in bijzondere sectorale wetten aan bepaalde duidelijk omschreven groepen en/of organisaties van belanghebbenden een bijzondere enquêtebevoegdheid wordt gegeven, maar pleitte daarbij, evenals de SER, voor terughoudendheid. Hij zag vooralsnog geen aanleiding om de enquêtebevoegdheid in een algemene wettelijke regeling aan cliëntenraden of vergelijkbare organisaties toe te kennen.3
Ontslag bestuurders op grond van artikel 2:298 BW
De wetgever meende dat de mogelijkheid om een enquête in te stellen bij bepaalde stichtingen, geen aanleiding was voor een aanpassing van artikel 2:298 BW, op grond van welk artikel via de rechtbank ontslag van bestuurders kan worden gevorderd in geval van “wanbeheer”.4 Dat er naast het enquêterecht nog een lichtere mogelijkheid bestaat om in rechte tegen wanbeheer bij een stichting op te treden zag de wetgever niet als een bezwaar. Wel nam de wetgever de gelegenheid te baat om het tot dan toe geldende relatieve verbod van artikel 2:298 lid 3 BW voor ontslagen bestuurders (zij mogen gedurende vijf jaar na het ontslag geen bestuurder zijn van de stichting waar zij zijn ontslagen) te veranderen in een absoluut verbod om gedurende vijf jaar na ontslag bestuurder te zijn bij welke stichting dan ook.5