Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.3.2
3.3.2 Invoering Boek 2 BW: één wettelijke regeling voor alle soorten stichtingen
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS386121:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 12 mei 1960 tot vaststelling van Boek 2 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Stb. 205.
Deze Titel 4 werd aanvankelijk buiten beschouwing gelaten (Kamerstukken II 1956-1957, 3769, nr. 2 en 3), maar nadat de vaste Commissie voor Justitie had opgemerkt (Kamerstukken II 1956-1957, 3769, nr. 4, p. 23) de voorkeur te geven aan het incorporeren van de vlak daarvoor in werking getreden bepalingen van het stichtingenrecht in Boek 2 van het nieuwe BW, werd Titel 4 alsnog opgenomen in het wetsontwerp (Kamerstukken II 1956- 1957, 3769, nr. 5 en 6).
Kamerstukken II 1956-1957, 3769, nr. 5, p. 37. Eén van de verduidelijkingen betrof artikel 1 lid 1 (artikel 2.4.1 van het ontwerp): “met behulp van een bepaald doel” werd gewijzigd in “met behulp van een in de statuten vermeld doel.” Volgens de Minister van Justitie zou de zinsnede “met behulp van een bepaald doel” de indruk kunnen wekken dat het doel een zekere bepaaldheid moet bezitten, terwijl deze eis in de rechtspraak van de Hoge Raad niet werd gesteld. Kamerstukken II 1956-1957, 3769, nr. 5, p. 37.
Wet van 10 juli 1963 tot wijziging van de Wet op stichtingen met betrekking tot kerkelijke stichtingen en overheidsstichtingen, Stb. 1963, 297.
Vaststellingswet Boek 2 BW
In 1960, dus vlak na de invoering van de WS 1956, werd Boek 2 BW vastgesteld middels de Vaststellingswet Boek 2 BW,1 waarin een afzonderlijke titel werd gereserveerd voor stichtingen.2 De tekst van deze titel was grotendeels gelijk aan de WS 1956. Daarin werden slechts, in de woorden van de toenmalige Minister van Justitie, enkele “voor de hand liggende verduidelijkingen” opgenomen.3
Invoeringswet Boek 2 BW
Boek 2 BW trad echter pas inwerking in 1976 met de Invoeringswet Boek 2 BW. De WS 1956 werd daarbij ingetrokken en het stichtingenrecht werd vanaf dat moment geregeld in Titel 4 van Boek 2 BW (artikelen 2.4.1 en volgende). Bij gelegenheid van de Invoeringswet Boek 2 BW werd het hiervoor genoemde preventief toezicht op verenigingen afgeschaft, zodat op dit punt de stichting en de vereniging niet langer van elkaar verschilden. Verder wijzigde de Invoeringswet Boek 2 BW wat betreft stichtingen slechts een beperkt aantal bepalingen uit de Vaststellingswet Boek 2 BW.
Pensioen- en spaarfondsen
De Invoeringswet Boek 2 BW bevatte een toevoeging die pensioenfondsen en spaarfondsen betrof. Pensioen- en spaarfondsen waren geregeld in de Pensioen- en Spaarfondsenwet en konden een vereniging, NV, een stichting of een rechtspersoon van eigen aard zijn. Als zij een stichting waren, werden zij slechts geregeld door de Pensioen- en Spaarfondsenwet, maar vielen zij niet onder het stichtingenrecht (de WS 1956). De Invoeringswet Boek 2 BW bracht hierin verandering en bepaalde dat pensioen- en spaarfondsen voor de stichtingsvorm of voor één van de andere rechtspersoonsvormen van Boek 2 BW moesten kiezen, waarmee de voor die rechtsvorm geldende Boek 2 BW-bepalingen van toepassing werden. Volgens de MvT bij de Invoeringswet Boek 2 BW kon echter twijfel bestaan over de vraag of de door Boek 2 BW geregelde stichtingsvorm, die in veel gevallen de meest aangewezen vorm van een pensioen- of spaarfonds is, wel gekozen kon worden, omdat aan deelnemers van pensioen- of spaarregelingen bevoegdheden plegen te worden toegekend waarvan onzeker is of zij niet in strijd komen met het ledenverbod van artikel 2.4.1. Bovendien zouden uitkeringen die het fonds zich ten doel stelt ten dele in strijd kunnen komen met het uitkeringsverbod van lid 3 van artikel 2.4.1.4 Vanwege het feit dat de wetgever een pensioen- of spaarfonds toch de mogelijkheid wilde geven de stichtingsvorm te kiezen, werd een artikel ingevoegd (artikel 2.4.16a) waarin kwam te staan dat de deelnemers in het fonds voor de toepassing van artikel 2.4.1 niet als leden van de stichting worden beschouwd en dat lid 3 van artikel 2.4.1 niet van toepassing is ten aanzien van pensioenuitkeringen. Deze regeling bestaat onder huidig recht nog steeds en is thans opgenomen in artikel 2:304 BW.
Boek 2 BW regelde nu alle soorten stichtingen. De uitzondering voor overheidsstichtingen was in 1963 reeds vervallen,5 zodat ook voor stichtingen die door de overheid waren opgericht dezelfde bepalingen golden als voor andere soorten stichtingen.