Hoofdelijke aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/4.4.1:4.4.1 De rechtsverhouding(en) tussen hoofdelijk medeschuldenaren
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/4.4.1
4.4.1 De rechtsverhouding(en) tussen hoofdelijk medeschuldenaren
Documentgegevens:
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931149:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 4.4.2.
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 102 (MvA II).
Vgl. Schoordijk 1979, p. 84; Van Boom 1999, p. 139; en Van Boom 2016a, p. 119.
Van Boom 1999, p. 139. Vgl. Van Boom 2016a, p. 119-120.
Zie HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784, NJ 2016/196, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2014/172, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (ASR/Achmea), r.o. 3.7.4, waarover Schelhaas 2017/2.12.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
126. De rechtsverhoudingen tussen hoofdelijk medeschuldenaren. Rechtsfeiten die zich in de externe verhoudingen voordoen, zoals betaling, verrekening of afstand jegens alle schuldenaren, hebben tot gevolg dat de hoofdelijk schuldenaren van hun verplichtingen jegens de schuldeiser zijn bevrijd. Is de schuldeiser volledig voldaan, dan raakt hij daarmee buiten beeld. Dikwijls is de kous daarmee voor de (voormalig) hoofdelijk schuldenaren echter niet af, omdat dergelijke rechtsfeiten aanleiding kunnen geven tot onderling verhaal. Er is dus ook sprake van een rechtsverhouding tussen hen, of beter gezegd: van rechtsverhoudingen tussen hen.
127. Rechtsverhoudingen beheerst door redelijkheid en billijkheid. In geval van hoofdelijke verbondenheid staan de hoofdelijk medeschuldenaren tot elkaar in rechtsverhoudingen, die met name zijn gericht op het nemen van verhaal na het verrichten van de hoofdelijk verschuldigde prestatie.1 Ook vóórdat verhaal wordt genomen is echter reeds sprake van dergelijke rechtsverhoudingen. Art. 6:8 BW maakt duidelijk dat die worden beheerst door de redelijkheid en billijkheid. De hoofdelijk schuldenaren zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de daardoor gestelde eisen (art. 6:8 jo. art. 6:2 BW). Art. 6:8 BW is opgenomen om de rechtsverhoudingen tussen hoofdelijk medeschuldenaren in het algemeen gelijk te trekken met die tussen borgen (art. 7:865 jo. art. 6:2 BW) en deelgenoten in een gemeenschap (art. 3:166 lid 3 BW).2 De noodzaak van art. 6:8 BW bestaat erin dat buiten de gevallen waarin de hoofdelijk medeschuldenaren onderling reeds in een verbintenisrechtelijke rechtsverhouding tot elkaar staan, art. 6:2 BW niet rechtstreeks van toepassing is.3 Bestaat wel reeds een verbintenisrechtelijke rechtsverhouding tussen de hoofdelijk schuldenaren, dan is art. 6:2 BW daarmee uiteraard (ook) rechtstreeks van toepassing.
Enerzijds kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een verplichting bestaat voor de hoofdelijk medeschuldenaren, zoals een verplichting om de andere schuldenaren te informeren of te waarschuwen (aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid).4 Anderzijds kunnen die eisen meebrengen dat een recht of bevoegdheid juist niet kan worden uitgeoefend. Zo kan worden gedacht aan de bevoegdheid van een individuele schuldenaar om een aanbod te aanvaarden tot afstand van de vordering jegens alle hoofdelijk schuldenaren (art. 6:9 lid 1 BW). Indien een of meer schuldenaren er belang bij hebben dat géén afstand wordt gedaan van de vordering, bijvoorbeeld omdat één van hen zich op verrekening kan beroepen, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de schuldenaar jegens wie het aanbod tot afstand wordt gedaan dit niet namens de overige schuldenaren mag aanvaarden (beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid).5
Ook indien een hoofdelijk schuldenaar onevenredig lang wacht met het instellen van een regresvordering kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in de weg staan aan het alsnog instellen daarvan, ook indien de verjaring nog niet is ingetreden.6