Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/2.2.4.4
2.2.4.4 Normatieve beschouwingen
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652509:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover ook par. 2.2.3.2.
OK 2 november 2015 (r.o. 3.5), JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde (Meavita).
OK 23 januari 2018 (r.o. 3.2), JOR 2018/148, m.nt. J. de Bie Leuveling Tjeenk (DEM).
Zie ook par. 2.2.3.3.
Zie bijv. Onderzoeksverslag Fortis, p. 32 (onder 68); Onderzoeksverslag Meavita, p. 16 (onder 1.63).
Zo ook Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004, p. 17. Vgl. Onderzoeksverslag Staphorst Ontwikkeling, waarin de onderzoeker opmerkt dat een van de bestuurders een indirect persoonlijk belang had en in strijd gehandeld heeft met art. 2:239 lid 6 BW (onthouding van beraadslaging en besluitvorming). Te ver gaat de onderzoeker wat mij betreft echter door te stellen: ‘Naar de mening van de onderzoeker zijn de bevindingen een opeenstapeling van handelingen met een zodanige aard en omvang dat de ondernemingskamer tot wanbeleid zou kunnen concluderen. Volgens de onderzoeker geldt dit specifiek voor [bestuurder, PB] (…), die een indirect persoonlijk belang (…) had (…).’ Die beoordeling is aan de Ondernemingskamer.
Vgl. Onderzoeksverslag DEM (m.n. onder 10.23), waarin de onderzoeker opmerkt dat het niet publiceren van de jaarrekening een wetsschending is. Te ver gaat de onderzoeker wat mij betreft echter door te stellen: ‘dit lijkt mij dan ook het enige punt van onderzoek waarop het predicaat ‘wanbeleid’ niet zou misstaan.’ Die beoordeling is aan de Ondernemingskamer, die dit overigens ook als wanbeleid kwalificeert, zie OK 23 januari 2018 (r.o. 5.18), JOR 2018/148 (DEM). Niet iedere schending van art. 2:394 BW levert overigens zonder meer wanbeleid op, waarover De Bie Leuveling Tjeenk (onder 5) in zijn annotatie.
Broere 2019b, p. 695.
Uit de bepalingen 7.1 en 7.4 van de Leidraad volgt dat het onderzoeksverslag zowel feitelijke bevindingen als normatieve beschouwingen dient te bevatten.1 Ook uit Meavita volgde reeds dat de Ondernemingskamer prijs stelt op normatieve conclusies van de onderzoeker.2 Dat de onderzoeker zich niet mag uitlaten over de kwalificatie wanbeleid, waarover par. 2.2.4.2, betekent niet dat de onderzoeker geen normatieve conclusies mag trekken in zijn onderzoeksverslag. De onderzoeker mag de feiten kwalificeren,3 op zo’n manier dat dit de Ondernemingskamer helpt bij het oordeel wanbeleid.
Daarbij zijn wat mij betreft ook diskwalificaties over het functioneren van individuele personen toegestaan.4 De onderzoeker hoeft daarbij niet noodzakelijk kwalificaties met een specifieke juridische connotatie te vermijden. Het is mijns inziens dan ook niet nodig dat de onderzoeker in het onderzoeksverslag aangeeft zich niet uit te laten over kwalificaties met een specifieke juridische connotatie.5 Zo is best denkbaar dat een onderzoeker opmerkt dat een bestuurder zijns inziens een tegenstrijdig belang had bij een transactie6 of de jaarrekening te laat is gedeponeerd (art. 2:394 BW)7 – zo lang als de onderzoeker een en ander maar niet koppelt aan de vraag of sprake is van wanbeleid. Dat laatste is de taak van de Ondernemingskamer; de onderzoeker moet daar niet aan raken.8