Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/1.3
1.3 Ratio onwaardigheid
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859121:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Weve, Themis Regtskundig Tijdschrift. Vijfde deel 1844, p. 400-401.
Van der Kemp 1870, p. 6-8.
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1169.
Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, p. 25.
Hof Amsterdam 24 november 1988, ECLI:NL:GHAMS:1988:AD0516, NJ 1989/369 en HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0071, NJ 1991/593. Zie ook Luijten in zijn noot onder laatstgenoemd arrest.
HR 10 december 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC1715, NJ 1978/114, Hof Amsterdam 24 november 1988, ECLI:NL:GHAMS:1988:AD0516, NJ 1989/369 en HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0071, NJ 1991/593.
Vellinga, WPNR 1983/5648, p. 235.
Vellinga, WPNR 1983/5648, p. 235.
Vgl. ook Klaassen/Luijten & Meijer 2008, p. 9 en F. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 256.
Zie over vergeving nader H4.
Onder het oude erfrecht zijn de meningen verdeeld over de ratio van onwaardigheid. Weve bepleit dat het versterferfrecht en het testamentaire erfrecht degenen onwaardig verklaren van wie het hoogstwaarschijnlijk niet met de wil van de erflater strookt dat zij voordeel genieten uit zijn nalatenschap. Het gaat volgens hem daarbij noch om uitsluiting wegens het belang van de staat in het algemeen of haar burgers in het bijzonder, noch ter voorkoming van misbruik van de zwakte van geest van de erflater.1 Omdat vergiffenis onder het oude recht veelal niet mogelijk is, acht Van der Kemp het niet juist te zeggen dat onwaardigheid op de door Weve aangedragen grond steunt. Volgens hem is het juister te zeggen dat het OBW in het algemeen diegene onwaardig verklaart, die de wetgever in het belang van de goede zeden of openbare orde meent te moeten uitsluiten.2
Deze beide gronden sluiten elkaar echter niet uit. De openbare orde (het algemeen belang) en het individuele belang klinken naar mijn mening beide door in het onwaardigheidsleerstuk. Allereerst een nadere beschouwing van het algemeen belang. Zowel het OBW als artikel 4:3 BW verbindt aan zeer uiteenlopende gedragingen de sanctie van onwaardigheid. Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 4:3 BW leid ik af dat uitsluiting van de nalatenschap in al deze gevallen door de wetgever gerechtvaardigd wordt geacht vanwege de ernst van de misdraging jegens de erflater.3 Van der Burght & Ebben komen tot eenzelfde conclusie en stellen dat het gaat om feiten die de wetgever zo verwerpelijk acht, dat degene die ze heeft gepleegd van elk voordeel uit de nalatenschap van degene tegen wie ze gepleegd zijn, uitgesloten wordt.4 De wetgever wenst dus niet dat een persoon in deze gevallen erft. Verschillende andere auteurs zien in de onwaardigheidsbepaling eveneens het algemeen belang tot uitdrukking komen, nu zij opmerken dat deze bepaling van openbare orde is.5
Het algemeen belang komt verder tot uiting doordat artikel 4:3 lid 1 sub a BW voor wat betreft het voltooide delict uitdrukking geeft aan twee algemene rechtsbeginselen die zeer nauw aan elkaar verwant zijn.6 Voor zowel het versterferfrecht als het testamentaire erfrecht gaat het om het beginsel dat een persoon geen voordeel behoort te hebben van de opzettelijk veroorzaakte dood van een ander. Voor het testamentaire erfrecht geldt tevens het beginsel dat hij, die opzettelijk de dood van een ander veroorzaakt, die hem begunstigd heeft, geen voordeel uit die begunstiging behoort te kunnen trekken.7 Met deze onwaardigheidsgrond wordt dus voorkomen dat de onwaardige erfrechtelijk kan profiteren van zijn eigen wangedrag. Voor mishandeling van de erflater die zijn dood tot gevolg heeft, een delict dat valt onder artikel 4:3 lid 1 sub b BW, geldt hetzelfde.8 Een moreel oordeel treedt hierbij op de voorgrond, aldus Vellinga.9 De gronden in artikel 4:3 lid 1 sub d en e BW blokkeren eveneens dat de onwaardige voordeel kan verkrijgen door zijn eigen onbetamelijke gedrag.
Naast het algemeen belang vindt ook de vermoedelijke wil van de erflater zijn weerklank in artikel 4:3 BW. Volgens Vellinga heeft bij onwaardigheid tevens een rol gespeeld dat de wetgever voorschriften moest maken, omdat de erflater in bepaalde gevallen niet meer in staat is om desgewenst de dader van zijn nalatenschap uit te sluiten. Bijvoorbeeld bij moord en doodslag.10 Bij die invalshoek staat het individuele belang van de erflater voorop.
Voor wat betreft het individuele belang geldt verder dat de wil van de erflater over het algemeen zal stroken met de openbare orde. Over het algemeen zal de erflater immers in de onwaardigheidsgevallen uit artikel 4:3 BW niet willen dat degene die zich zo tegen hem heeft misdragen, van hem erft. Artikel 4:3 BW berust daarmee tevens op de vermoedelijke wil van de erflater.11
In de situaties waarin het individuele belang afwijkt van het algemeen belang, heeft de erflater sinds de invoering van het nieuwe erfrecht in 2003 het instrument van vergeving in handen. Door het schenken van vergiffenis, vervalt de onwaardigheid.12 De vergeving staat open bij alle onwaardigheidsgronden. Hoe ernstig of verwerpelijk de misdraging ook is, het staat de erflater vrij om vergiffenis te schenken. Daarmee is de conclusie gerechtvaardigd dat de wil van de erflater belangrijker wordt geacht dan de openbare orde.
Het fundamentele karakter van onwaardigheid wordt voorts onderstreept door het feit dat artikel 4:3 BW een plaats heeft binnen de algemene bepalingen van Boek 4 BW.
Kortom, onwaardigheid is een belangrijk leerstuk binnen ons erfrecht. Aan artikel 4:3 BW ligt ten grondslag dat het onverenigbaar is met de openbare orde en in beginsel eveneens met de vermoedelijke wil van de erflater als een persoon in de genoemde gevallen als erfrechtelijke verkrijger kan opkomen.13 Schenkt de erflater vergiffenis dan prevaleert zijn wil boven de openbare orde. Bij de beantwoording van rechtsvragen en het verklaren van bepaalde keuzes is het doel en de strekking van deze bepaling van grote betekenis.