Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/1.2
1.2 Bevoegdheid om te erven
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859167:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader over de uitzonderingen Asser/Perrick 4 2021/17 en 19, Breemhaar, in: GS Erfrecht, art. 4:56 BW, aant. 1.1. (online, bijgewerkt tot en met 15 augustus 2023), Kremer, in: GS Erfrecht, art. 4:9 BW, aant. 1 en 5 (online, bijgewerkt tot en met 1 augustus 2023) en F. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 250-255.
Zie over het begrip ‘voordeel trekken uit een nalatenschap’ par. 3.2. De bekwaamheid om te erven laat ik verder rusten. Ik verwijs hiervoor naar Asser/Perrick 4 2021/21-23, Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, p. 25 en F. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 255-256.
Bijv. Hof Amsterdam 15 augustus 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AF5771, NJ 2003/53 en Rb. ’s-Gravenhage 8 juni 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU8572. Zie hierover nader par. 2.7.
Vgl. Asser/Perrick 4 2021/21 en Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, p. 25.
Vgl. Asser/Perrick 4 2021/33. Zie ook Diephuis 1847, p. 256.
Naar Belgisch recht is dit anders. Daar bestaat een afgeleide onwaardigheid. De onwaardige verliest ook alle toekomstige erfrechtelijke aanspraken op de goederen die het kind uit de nalatenschap van het slachtoffer heeft gekregen, Barbaix 2018, p. 434. Zie hierover nader par. 5.9.1.1.
Voorbeeld ontleend aan Hof Amsterdam 15 augustus 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AF5771, NJ 2003/53. Zie over deze uitspraak nader par. 2.7.4.
Een natuurlijk persoon moet om te kunnen erven aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo dient de begunstigde – op een enkele uitzondering na – te bestaan op het moment dat de nalatenschap openvalt (art. 4:9 resp. 4:56 BW)1 en moet hij bekwaam en bevoegd zijn om voordeel te trekken uit de nalatenschap.2
De wet kent meerdere gronden van onbevoegdheid. Een daarvan is onwaardigheid. Kenmerkend hierbij is dat het de enige onbevoegdheidsgrond is die zowel in het erfrecht bij versterf als bij uiterste wilsbeschikkingen geldt.3 In het testamentaire erfrecht zijn verder in artikel 4:57 e.v. BW gronden van onbevoegdheid te vinden: de zogenoemde ‘verboden beschikkingen’.4
Onwaardigheid is een afgebakende regeling. De wetgever heeft vijf concreet omschreven onwaardigheidsgronden in de wet opgenomen.
Onwaardigheid betreft een civiele grond van onbevoegdheid. Hoewel artikel 4:3 BW raakvlakken heeft met het strafrecht, is onwaardigheid geen strafrechtelijke sanctie. De strafrechter heeft ook niet de bevoegdheid om een persoon onwaardig te verklaren.
Naast deze specifieke, wettelijke gronden van onbevoegdheid is in de rechtspraak bepaald dat de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid in zeer uitzonderlijke omstandigheden in de weg kan staan aan een erfrechtelijke aanspraak.5 Op de keper beschouwd is ook dan sprake van onbevoegdheid om te erven.
De gronden van onbevoegdheid spitsen zich toe op één bepaalde nalatenschap.6 Dit betekent dat niet wordt verhinderd dat de onbevoegde later als erfgenaam van een andere bloedverwant alsnog goederen ontvangt uit de nalatenschap waarin hij eerst was uitgesloten.7 Onwaardigheid heeft dus geen ‘zaaksgevolg’. De onwaardigheid blijft niet op de goederen rusten.8 Ter illustratie het volgende voorbeeld:
Een kind vermoordt zijn vader en wordt hiervoor onherroepelijk veroordeeld. Het kind is hierdoor onwaardig en dus onbevoegd om van zijn vader te erven (art. 4:3 lid 1 sub a BW). Moeder, de vrouw van vader, erft al zijn goederen. Enkele jaren later overlijdt moeder. Het kind is enig erfgenaam en ontvangt daarmee ook de niet verteerde en vervreemde goederen uit de nalatenschap van vader. De onbevoegdheid strekt zich dus niet zover uit dat het kind niet gerechtigd is tot de goederen van vader die zich in de nalatenschap van moeder bevinden.
Nu de eisen van redelijkheid en billijkheid in zeer uitzonderlijke gevallen een dam kunnen opwerpen om voordeel te trekken uit een nalatenschap, kan het voorkomen dat een en dezelfde gedraging tot uitsluiting leidt in meerdere nalatenschappen. Een voorbeeld uit de rechtspraak ter illustratie:
Een kind vermoordt zijn vader en wordt hiervoor onherroepelijk veroordeeld. Het kind is hierdoor onwaardig en dus onbevoegd om van zijn vader te erven. Als reactie daarop onterft zijn oma hem. Als oma overlijdt, wordt het kind op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid onthouden dat hij bij plaatsvervulling van zijn vader kan opkomen in de nalatenschap van oma.9 Hieruit blijkt dat de misdraging (de moord) tot uitsluiting leidt in twee nalatenschappen.