Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.3.2:10.3.2 Eigen verklaring
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.3.2
10.3.2 Eigen verklaring
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940768:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 29 maart 2000, BNB 2000/355, waarin aldus werd beslist inzake de aanwezigheid van kwade trouw in het licht van de navorderingsbevoegdheid.
HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207. Zie daarover nader paragraaf 10.4.
Hof Arnhem-Leeuwarden 8 april 2014, V-N 2014/39.4, Hof Arnhem-Leeuwarden 16 februari 2016, V-N 2016/24.1.1 (het beroep in cassatie van de belastingplichtige werd onder verwijzing naar art. 80a Wet RO niet-ontvankelijk verklaard, zie HR 16 december 2016, NTFR 2016/3061).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In boetezaken kan een eigen verklaring van de boeteling de gedaante aannemen van een bekentenis. Een dergelijke bekentenis kan – anders dan in het strafrecht1 – op zichzelf reeds voldoende bewijs vormen van de vereiste schuldgradatie, bijvoorbeeld van het bestanddeel opzet.2 Een eigen verklaring kan ook worden gebezigd voor het bewijs van het kale beboetbare feit.3 Evengoed kan een eigen verklaring van de boeteling tegenbewijs vormen, bijvoorbeeld van het ontbreken van het bestanddeel opzet of grove schuld.4 Ook de inspecteur of een andere betrokken belastingambtenaar kan een eigen verklaring als bewijsmiddel inbrengen. Hij kan dat in de vorm van een ambtsedige verklaring doen. Op de betekenis van een dergelijke verklaring voor het bewijs in boetezaken kom ik in paragraaf 14.3.2 terug.