Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/2.3.1
2.3.1 Inleiding
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254071:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 2.2.6.
Op donderdag 16 april 2020 is gezocht met de zoektermen “5:78 sub b”, “5:78 aanhef en onder b”, “5:78 aanhef en sub b” en “5:78 aanhef sub b”. Het gaat om de volgende uitspraken: HR 15 december 1995, NJ 1996/691, m.nt. W.M. Kleijn (Damen/Dentjens); Hof Leeuwarden 1 december 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BK5135; Hof Amsterdam 26 augustus 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3551; Rb. Utrecht 15 augustus 2001, NJ 2002/291; Rb. Arnhem (vzr.) 10 juli 2006, ECLI:NL:RBARN:2006:AY7441; Rb. Rotterdam 19 juli 2006, NJF 2006/529.
In Hof Leeuwarden 1 december 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BK5135 is de vordering tot opheffing afgewezen vanwege art. 165 Ow, zie daarover par. 2.3.5.
In Hof Amsterdam 26 augustus 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3551 is de vordering tot opheffing afgewezen vanwege art. 165 Ow, zie daarover par. 2.3.5.
In Rb. Utrecht 15 augustus 2001, NJ 2002/291 is de vordering tot opheffing verminderd tot een vordering tot wijziging vanwege art. 165 Ow, zie daarover par. 2.3.5. De vordering tot wijziging is afgewezen omdat de vordering in feite neerkomt op een vordering tot opheffing en die vordering vanwege art. 165 Ow niet kan slagen.
In Rb. Rotterdam 19 juli 2006, NJF 2006/529 is de vordering tot opheffing verminderd tot een vordering tot wijziging vanwege art. 165 Ow, zie daarover par. 2.3.5. Een beslissing met betrekking tot de vordering tot wijziging is aangehouden, omdat volgens de rechtbank de wijziging neerkomt op een opheffing van de erfdienstbaarheid en de rechtbank partijen in de gelegenheid stelt zich uit de laten bij akte over een alternatieve wijziging.
HR 15 december 1995, NJ 1996/691, m.nt. W.M. Kleijn (Damen/Dentjens).
Volgens Rb. Arnhem (vzr.) 10 juli 2006, ECLI:NL:RBARN:2006:AY7441, r.o. 4.10 kan de gedaagde niet worden gevolgd in het betoog dat de erfdienstbaarheid in strijd is met het algemeen belang.
Zie par. 2.3.3.1.
Zie par. 2.3.3.2 en 2.3.3.3.
Zie par. 2.3.4.
Zie par. 2.3.8.
108. Art. 5:78 aanhef en sub b BW geeft de rechter de bevoegdheid een erfdienstbaarheid te wijzigen (of op te heffen) indien het ongewijzigde voortbestaan van de erfdienstbaarheid in strijd is met het algemeen belang. Vereist is dat ten minste twintig jaar na het ontstaan van de erfdienstbaarheid zijn verlopen en dat het ongewijzigd voortbestaan van de erfdienstbaarheid in strijd is met het algemeen belang. Art. 5:78 aanhef en sub b BW sluit aan bij art. 6:259 lid 1 en sub a BW, op grond waarvan een rechter de bevoegdheid heeft een overeenkomst te wijzigen (of te ontbinden) wegens strijd met het algemeen belang. In het Duitse recht bestaat geen specifieke mogelijkheid om een beperkt recht te wijzigen wegens strijd met het algemeen belang. Wel kan als sprake is van een onvoorziene omstandigheid een beroep worden gedaan op het Duitse equivalent van de Nederlandse imprévision-regeling (§313 BGB) of op het Duitse equivalent van de Nederlandse redelijkheid en billijkheid (§242 BGB).1
109. Over (de toepassing van) art. 5:78 aanhef en sub b BW wordt weinig geprocedeerd. Via www.rechtspraak.nl en www.rechtsorde.nl zijn slechts zes afzonderlijke geschillen te vinden waar art. 5:78 aanhef en sub b BW daadwerkelijk centraal stond.2 In een van de geschillen werd opheffing gevorderd en werd de vordering afgewezen.3 In drie van de geschillen werd opheffing dan wel wijziging gevorderd. In het eerste geschil werd de vordering tot opheffing afgewezen en werd een beslissing met betrekking tot de vordering tot wijziging aangehouden.4 In het tweede geschil is de vordering tot opheffing na een comparatie verminderd tot een vordering tot wijziging en werd de vordering tot wijziging afgewezen.5 In het derde geschil is de vordering tot opheffing ook na een comparatie verminderd tot een vordering tot wijziging, maar is een beslissing met betrekking tot de vordering tot wijziging aangehouden.6 In de overige twee geschillen werd een wijziging gevorderd. In het eerste geschil werd de vordering toegewezen.7 In het tweede geschil werd in een kortgedingprocedure door gedaagde aangevoerd dat zij voornemens was een bodemprocedure te starten tot wijziging van de erfdienstbaarheid ex art. 5:78 BW. De verweren mochten niet baten, omdat het volgens de rechtbank onaannemelijk was dat de vordering zou slagen.8
110. Dat met betrekking tot art. 5:78 aanhef en sub b BW weinig rechtspraak voorhanden is, betekent niet dat de regeling geen vragen oproept. Sluit art. 5:78 aanhef en sub b BW een beroep op art. 6:259 lid 1 en sub a BW uit?9 Wat is de verhouding tot de (algemene) redelijkheid en billijkheid en het leerstuk van misbruik van bevoegdheid?10 Het toepassingsbereik van art. 5:78 aanhef en sub BW is beperkt tot erfdienstbaarheden. Kan in het kader van een erfpachtrecht of opstalrecht een beroep worden gedaan op analogische toepassing van de goederenrechtelijke bepaling? Of is de verbintenisrechtelijke bepaling van toepassing op die rechten?11 Een erfdienstbaarheid kan pas gewijzigd (of opgeheven) worden indien ten minste twintig jaar na het ontstaan van de erfdienstbaarheid zijn verlopen. Is die wachttermijn (nog) gerechtvaardigd?12 Deze en andere vragen worden in deze paragraaf besproken.
111. De opzet van deze paragraaf is als volgt. In paragraaf 2.3.2 bespreek ik de achtergrond van art. 5:78 aanhef en sub b BW. In paragraaf 2.3.3 behandel ik de samenloop van art. 5:78 aanhef en sub b BW met andere regelingen. In paragraaf 2.3.4 komt het toepassingsbereik van de goederenrechtelijke bepaling aan bod. In paragraaf 2.3.5 bespreek ik het overgangsrecht. In paragraaf 2.3.6 bespreek ik de maatstaf van het algemeen belang. In paragraaf 2.3.7 komt aan bod hoe de regeling rekening houdt met de belangen van derden. In paragraaf 2.3.8 bespreek ik de beperking dat een erfdienstbaarheid pas gewijzigd (of opgeheven) kan worden twintig jaar na het ontstaan van het beperkte recht. In paragraaf 2.3.9 komen de rechtsgevolgen van een geslaagd beroep op de wijzigingsgrondslag aan bod. Ik sluit af met een conclusie in paragraaf 2.3.10.